kt5 casus 2.1 peter

0.0(0)
studied byStudied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/13

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

geen afpf

Last updated 12:23 PM on 1/13/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

14 Terms

1
New cards

De student kan belemmeringen in het bevorderen van zelfmanagement met betrekking tot informatievoorziening benoemen;

  • Complexiteit van de informatie  medische terminologie, hoeveelheid informatie, onduidelijke structuur;------

  • Lage gezondheidsvaardigheden  beperkte lees- en taalvaardigheid, gezondheidsgeletterdheid;

  • Toegankelijkheid van informatie  digitale kloof, gebrek aan gepersonaliseerde informatie, taalbarrières;

  • Mismatch met patiëntbehoeften  onvoldoende inspraak van de patiënt, niet aansluiten bij het kennisniveau;

  • Psychologische factoren  onzekerheid of angst, gebrek aan vertrouwen;

  • Gebrek aan ondersteuning  beperkte tijd van zorgverleners, gebrek aan hulpmiddelen;

  • Cognitieve belasting  stress of vermoeidheid, overload aan informatie.

2
New cards

De student heeft kennis over veiligheidsmanagementsystemen (VMS) en weet hierin aan te geven wat de rol van de verpleegkundige is in het uitvoeren van het veiligheidsbeleid;

  • Veiligheidsmanagementsystemen (VMS)  zijn systematische frameworks dieorganisaties gebruiken om veiligheid te beheren, risico's te minimaliseren en een veilige werkomgeving te waarborgen.

 Verwisseling van en bij patiënten;

 Veilige zorg voor zieke kinderen;

 Kwetsbare ouderen;

 Voorkomen van lijnsepsis en behandeling van ernstige sepsis;

 Optimale zorg bij Acute Coronaire Syndromen (ACS);

 High Risk Medicatie  klaarmaken en toedienen van parenteralia;

 Nierinsufficiëntie;

 Medicatieverificatie bij opname en ontslag;

 Vroege herkenning en behandeling van pijn;

 Vroege herkenning en behandeling van de vitaal bedreigde patiënt;

 Voorkomen van wondinfecties na een operatie.

  • Rol verpleegkundige  de verpleegkundige speelt een centrale rol. Als zorgverlener bevindt de verpleegkundige zich in een unieke positie om veiligheidsrisico’s te identificeren, incidenten te voorkomen, en een cultuur van veiligheid te bevorderen.

 Bewaken van patiëntveiligheid toepassen van protocollen,

medicatieveiligheid, signaleren van risico’s;

 Rapporteren en analyseren van incidenten incidentmeldingen,

meewerken aan onderzoek, leren van fouten;

 Voorlichting en educatie patiëntvoorlichting, training van collega’s,bevorderen van naleving;

 Signaleren en reduceren van risico’s  risico-inventarisatie, preventieve acties, handelen bij noodsituaties;

 Bevorderen van een veiligheidscultuur  leiderschap tonen, teamwork, open communicatie;

 Kennis van regelgeving en beleid  implementeren van beleid, bijblijven met kennis;

 Evalueren en verbeteren van veiligheid  feedback geven, audits en evaluaties, innovatie.

3
New cards

 De student kan benoemen wat het doel is van de SURPASS-checklist en wat het betekent voor de patiëntveiligheid;

-SURPASS-checklist (Surgical Patient Safety System)  uitgebreide checklist die is ontwikkeld om de veiligheid van chirurgische patiënten te vergroten en complicaties en fouten tijdens het gehele chirurgische proces te verminderen.--

-Doelen  verhogen van patiëntveiligheid, verbeteren van communicatie en teamwork, standaardiseren van processen, bevorderen van een veiligheidscultuur, verminderen van complicaties en sterfte.

-Betekenis voor de patiëntveiligheid:

 Voorkomen van medische fouten  juiste patiënt, juiste procedure en verificatie van risico’s;

 Verbeterde communicatie tussen zorgverleners  overdrachten verbeteren, multidisciplinair overleg;

 Vermindering van complicaties  preventie van postoperatieve problemen, controle van apparatuur en materialen;

 Betere betrokkenheid van de patiënt  patiëntvoorlichting, vertrouwen in de zorg;

 Bevordering van een veiligheidscultuur  leren van fouten, naleving van protocollen;

 Vermindering van mortaliteit en morbiditeit  postoperatieve complicaties, mortaliteit

4
New cards

De student heeft kennis van pre- en postoperatieve zorg;

-Pre-operatieve zorg omvat alle voorbereidingen en zorg die plaatsvinden voor de operatie.

 Medische voorbereiding anamnese en onderzoek, diagnostiek, medicatiebeheer;

 Voorlichting en educatie uitleg over de ingreep, nazorgplan, informed consent;

 Lichamelijke voorbereiding nuchter zijn, hygiëne, operatiegebied voorbereiden;

 Psychologische ondersteuning angstreductie, vragen beantwoorden;

 Administratieve en logistieke voorbereiding controle van

patiëntgegevens, communicatie.

-Postoperatieve zorg alle zorg die wordt verleend nadat de operatie is uitgevoerd, met als doel een goed herstel van de patiënt te ondersteunen en complicaties te voorkomen.

 Directe postoperatieve fase (recovery) bewaken van vitale functies, nabloeden voorkomen, pijnbestrijding, herstel van bewustzijn;

 Nazorg op de afdeling wondverzorging, vocht- en voedingsbalans, mobilisatie;

 Complicatiemanagement  herkennen van tekenen van infectie, signaleren van andere complicaties, tijdige interventie;

 Rehabilitatie en herstel  bevorderen van zelfstandig functioneren, fysiotherapie, patiënteducatie;

 Psychologische ondersteuning  emotionele begeleiding, motiveren.

5
New cards

De student heeft kennis van het effect van een verstandelijke beperking op het hulpverlener-cliëntcontact;

  • Communicatie  beperkingen in begrip en taalgebruik, non-verbale communicatie;

  • Vertrouwen en relatieopbouw  angst of onzekerheid, afhankelijkheid;

  • Gedrag en emotie  uitdagingen in emotionele regulatie, onvoorspelbaar gedrag;

  • Behoefte aan duidelijkheid en structuur  moeite met veranderingen, concreet handelen;

  • Sociale context en omgeving  invloed van familie en begeleiders, omgevingsinvloeden;

  • Rol van de hulpverlener  empathie en aanpassing, actief luisteren, creativiteit en flexibiliteit.

6
New cards

De student kan indicaties benoemen voor perifere bloedafname.

  • Diagnostische doeleinden  laboratoriumonderzoek, screening, diagnose van ziekten;----

  • Monitoring van behandeling  therapeutische monitoring, evaluatie van ziekteprogressie, effectiviteit van behandeling, bijwerkingen opsporen;

  • Screening en preventieve zorg  algemene gezondheidscontrole, prenatale screening, periodieke controles;

  • Spoedeisende situaties  diagnose van acute aandoeningen, monitoring van vitale functies;

  • Specifieke medische omstandigheden  genetische of moleculaire testen, pre transfusie testen, onderzoek naar stollingsstoornissen;

Onderzoek of klinische studies  wetenschappelijk onderzoek, klinische proeven.

7
New cards

e student kan contra indicaties benoemen voor perifere bloedafname.

Absolute contra-indicaties  infectie of huidafwijkingen op de punctieplaats, lymfeoedeem of risico daarop;

Relatieve contra-indicaties  stollingsstoornissen, gebruik van anticoagulantia, vasculaire problemen, ernstig oedeem, patiënt gerelateerde factoren, recentelijke interventies aan de aangedane arm, trombose of recente veneuze tromboflebitis, verband met medische apparatuur

8
New cards
9
New cards
10
New cards
11
New cards
12
New cards
13
New cards
14
New cards