economie havo 4 module 4 begrippen | Quizlet

0.0(0)
studied byStudied by 1 person
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/62

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 5:52 PM on 6/22/25
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

63 Terms

1
New cards

algemeen prijspeil

gemiddeld prijsniveau van het goederenmandje

2
New cards

algemene prijs van tijd

prijs van tijd die banken rekenen

3
New cards

basisjaar

jaar dat als beginsituatie wordt genomen bij de berekening van indexcijfers

4
New cards

bestedingsaandelen

wegingsfactoren

5
New cards

deflatie

daling van het algemene prijspeil door de tijd

6
New cards

Depositorekening

de bankrekening van algemene banken bij de centrale bank

7
New cards

goederenmandje

verzameling producten die representatief is voor wat een gemiddeld huishouden koopt

8
New cards

inflatie

stijging van het algemene prijspeil door de tijd

9
New cards

indexcijfer

verhoudingsgetal van een waarde in twee verschillende perioden

10
New cards

Individuele prijs van tijd

ongemak van consumptie-uitstel

11
New cards

intertemporele substitutie

verschuiving van consumptie over de tijd

12
New cards

kredietkanaal

door de rente te verhogen of te verlagen beïnvloedt de ECB de maatschappelijke geldhoeveelheid en daarmee de economische activiteit

13
New cards

lenen

gebruikmaken van geld van anderen

14
New cards

marktprijs van tijd

de marktprijs van tijd is de algemene prijs van tijd

15
New cards

monetair beleid

beleid van de centrale bank

16
New cards

partieel prijsindexcijfer

prijsindexcijfer van een product

17
New cards

prijsindexcijfer

prijs omgezet naar een indexcijfer

18
New cards

rente

algemene prijs van tijd

19
New cards

reporente

het rentepercentage waartegen banken geld kunnen lenen bij de centrale bank

20
New cards

risico-aversie

de neiging om het zekere voor het onzekere te nemen

21
New cards

sparen

uitstellen van consumptie: directe consumptie wordt vervangen door consumptie in de toekomst

22
New cards

stroomgrootheden

grootheden waarvan de waarde over een bepaalde periode wordt vastgesteld

23
New cards

vermogensmarkt

vraag en aanbod van financieel kapitaal bij elkaar komen

24
New cards

voorraadgrootheden

grootheden waarvan de waarde op een bepaald moment wordt bepaald

25
New cards

wegingsfactoren

uitgave aan een bepaald product als percentage van de totale uitgaven

26
New cards

economische levensloop

ontwikkeling van het inkomen tijdens een mensenleven

27
New cards

financieel vermogen

geldelijke bezittingen

28
New cards

kinderarbeid

arbeid verricht door minderjarigen

29
New cards

leerplicht

verplichting om naar school te gaan

30
New cards

levenslang leren

permanente scholing gedurende het arbeidzame leven

31
New cards

looninkomen

hoeveelheid geld die wordt verruild voor arbeid

32
New cards

pensioen

periode in het leven zonder leerplicht en waarin geen betaalde arbeid verricht hoeft te worden

33
New cards

startsalaris

salaris bij aanvang van de werkzame periode in het leven

34
New cards

verdiencapaciteit

het vermogen om inkomen te genereren

35
New cards

aanvullend pensioen

zelfstandig gespaard pensioen boven op het basispensioen

36
New cards

AOW

Algemene Ouderdomswet; wet die het algemene basispensioen regelt

37
New cards

basispensioen

pensioen dat de overheid alle Nederlanders betaalt vanaf de pensioengerechtigde leeftijd

38
New cards

bbp

waarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten in een jaar

39
New cards

begrotingssaldo

het begrotingssaldo van de overheid kan negatief of positief zijn: er is sprake van een financieringstekort of een financieringsoverschot

40
New cards

beroepsbevolking

alle mensen tussen 15 en 67 jaar die willen, kunnen en mogen werken

41
New cards

financieringsoverschot

positief begrotingssaldo

42
New cards

financieringstekort

negatief saldo van inkomsten en uitgaven van het Rijk, exclusief de aflossingen op de staatsschuld

43
New cards

Incidentele uitgaven

overheidsuitgaven die af en toe voorkomen

44
New cards

kapitaaldekkingsstelsel

pensioenstelsel waarbij de pensioenuitkeringen gefinancierd worden door opgebouwd kapitaal

45
New cards

Miljoenennota

samenvatting van de rijksbegroting

46
New cards

omslagstelsel

pensioenstelsel waarbij de pensioenuitkeringen gefinancierd worden door belastingen en premieheffing

47
New cards

Parlement

volksvertegenwoordiging

48
New cards

parlementaire democratie

staatsvorm waarbij het land bestuurd wordt door een gekozen parlement

49
New cards

regeerakkoord

afspraken op basis waarvan een regering wordt gevormd

50
New cards

Rijksbegroting

verwachte kosten en opbrengsten van het Rijk voor het komende jaar

51
New cards

staatsobligatie

schuldpapier uitgegeven door een overheid

52
New cards

structurele uitgaven

Uitgaven die jaarlijks terugkomen.

53
New cards

troonrede

door het staatshoofd uitgesproken rede met daarin de plannen van de regering voor het komende jaar

54
New cards

volksvertegenwoordiging

door het volk gekozen mensen die het volk vertegenwoordigen

55
New cards

waardevast

een uitkering wordt aangepast aan de inflatie (prijsontwikkeling) zodat de koopkracht van de uitkering op peil blijft

56
New cards

Consumentenprijsindex (CPI)

hoogte van het algemene prijspeil, uitgedrukt in een indexcijfer

57
New cards

CPI

hoogte van het algemene prijspeil, uitgedrukt in een indexcijfer

58
New cards

Depositorente

de rente op de depositorekening van algemene banken bij de centrale bank

59
New cards

Permanent consumptieniveau

constante richtlijn voor consumptieniveau gedurende een heel leven

60
New cards

Bruto binnenlands product

waarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten in een jaar

61
New cards

Staatsschuld

schuld van het Rijk

62
New cards

Uitgestelde belasting

financieringstekort van de overheid

63
New cards

Welvaartsvast

een uitkering stijgt mee met de loonontwikkeling (en profiteert mee van de eventueel gestegen welvaart)