1/11
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
|---|
No study sessions yet.
DRAMA, DRAMATISCH, ARISTOTELISCH DRAMA
(Grieks drama = handeling) wordt in de klassieke theorie naast epiek en lyriek beschouwd als hoofdklasse van de literatuur. = het omvat alle literaire vormen bestemd om in het theater gespeeld te worden door een of meer acteurs. Drama wordt bijgevolg vaak als synoniem voor toneeltekst gebruikt. = Aristotelisch drama Is een specifiek dramatype dat geënt is op een aantal regels die Aristoteles uitwerkte in zijn Poëtica (ca. 335 v.C.). Deze dramaturgie richt zich op het Imiteren (mimesis) van menselijke handelingen en motieven waarmee de lezer/toeschouwer zich kan identificeren en die tot een louterende ervaring (catharsis) lelden. Het aristotelisch theater creëert een fictieve en gesloten 'kosmos', een afgerond verhaal dat de toeschouwer moet meeslepen. Jet plot is hierbij van cruciaal belang en wordt steevast opgebouwd rond een conflict dat moet worden opgelost . =Alleen het belangrijkste wordt gezegd en gedaan.
DRAMATURGIE
(Grieks dramaturgia = samenstellen van drama) Dramaturgie kan aan de ene kant verwijzen naar de opbouw en structuur van een theatertekst en aan de andere kant naar het werk van een dramaturg. De eerste betekenis correspondeert met een klassieke, normatieve opvatting van dramaturgie die kenmerkend is voor bijvoorbeeld de geschriften van Aristoteles, Comeille en D'Aubignac. Deze auteurs gaan op zoek naar de algemeen geldende 'wetten' van het drama. Oorpsronkelijk: analyse dramaturgie = beperkt tot tekstueel. Bertolt Brecht = zorgt voor verbreding ( '20) Dramaturgie beslaat vanaf dan de totale praktijk van de visualisering van een tekst op scène met het oog op een bepaald effect op de toeschouwer. ,Verband scene en tekst = cruciaal
EPISCH
Epiek is naast lyriek en drama een literair hoofdgenre. = alle (sterk) verhalende werken, waaronder het epos, de roman , de novelle, de legende, de sage en het sprookje . Historisch gezien verwijst de kwalificatie 'episch' naar ridder- of heldenverhalen In versvorm. <>Episch drama = verbonden met Duitse Erwin Piscator & Bertolt Brecht & ontstond in jaren 20' als reactie op aristotelische dramaturgie. ' De geslotenheid van het aristotelische drama wordt in het episch drama getransformeerd tot een ' dubbele structuur van handeling en commentaar'
LICHAAMELIJKHEID
Opvattingen over ' lichamelijkheid' zijn cultuur- en tijdgebonden, en bijgevolg veranderlijk. = Binnen de dramatische conventie was het lichaam van de acteur bijvoorbeeld niet meer dan een repre- sentant, een 'stilzwijgende ' betekenaar die slechts fungeerde als uitbeelding van een externe realiteit, opgeroepen door de tekst. Het dramatische proces speelde zich volgens Hans-Thies lehmann dan ook tussen lichamen af. = In het postdramatisch theater is het lichaam daarentegen een autonoom thema geworden: het is niet langer een Illustratieve drager van betekenis, maar trekt de aandacht naar zijn eigen aanwezigheid . In die zin manifesteert het postdramatische theater zich vaak met/op/aan het lichaam. Het presenteert zich vaak als een autosufficiënte lichamelijkheid, die getoond wordt in haar Intensiteit, gestisch potentieel , auratische "aanwezigheid" en zowel intern als extern doorgegeven spanningen.'
LINGUISTIC & PICTOIRAL TURN
Volgens Richard Rorty (Amerikaanse filosoof) = geschiedenis van de filosofie opdelen in een reeks omwentelingen die telkens een nieuwe probleemstelling naarvoren schuiven. Zo schakelt Rorty de antieke en middeleeuwse filosofie gelijk met een onderzoek naar de aard der dingen, met 'een denken over de (materiële) wereld' (metafysica) ,en de filosofie van de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw met een onderzoek naar ideeën, met 'een denken over hoe men over de wereld denkt' (kennisleer). In het moderne, verlichte denken ontwaart hij een fascinatie voor taal, tekstualiteit en woordcultuur, ' een den ken over het medium waarin dat denken zich voltrekt' (taalfilosofie) Die laatste fase heeft Rorty ook wel de linguistic turn genoemd. <>Volgens W.J .T. Mitchell kunnen we vanaf medio jaren negentig spreken van een nieuwe accentverschuiving die zich eveneens zowel op wetenschappelijk als (alledaags) cultureel vlak laat opmerken en die hij in navolging van Rorty <>de pictorial turn noemt: De pictorial turn is in zijn woorden samengevat 'een postlinguïstische, postsemiotische herontdekking van het beeld als een complexe wisselwerking tussen visualiteit, dispositief, instituties, discours, lichamen en het figuratieve'
MIMESIS
(Grieks mimeisthai = voorstellen, verbeelden, uitdrukken = geen equivalent in NL)== Imitatie, representatie, gelijkenis of vervalsing. ==discussies over de correcte betekenis van het begrip beïnvloed Plato en Aristoteles . PLATO = mimesis een negatieve connotatie en vormt ze de basis om alle kunstenaars uit zijn ideale staat te verbannen. Kunst = slechts bedrieglijke imitatie van de alledaagse werkelijkheid , die zelf afspiegeling is van de onbereikbare wereld van de Ideeën. (Als kopie van een kopie) vertroebelt menselijke vermogen om realiteit en illusie van elkaar te onderscheiden = daarom manipulatieve kracht <> ARISTOTELES = mimesis daarentegen een constructief concept. De Poëtica definieert kunst als de imitatie (mimesis) van menselijke acties (praxis) of middelen en doelen van die acties (pragmata). De kunstenaar selecteert woorden, elementen uit de werkelijkheid, verwerkt ze in een structuur en creëert zo een begrijpelijk beeld dat de universele waarheid reveleert. In die zin zet mimesis aan tot een beter begrip van 'de realiteit'. <>ADORNO: een authentieke ervaring van de dingen.
NARRARIVITEIT
(Latijn narrare = vertellen) Klassieke lit. wetenschap = 'de formele en contextuele kwaliteiten die het narratieve van het niet-narratieve onderscheiden of die de graad van narrativiteit in een discours aangeven; de retorische principes die de productie of interpretatie van een verhaal ondersteunen; de specifieke soorten kunstgrepen die inherent zijn aan het proces van narratieve representatie' ==Maar volgens vele auteurs = verhalen door uiteenlopende semiotische media geconstrueerd worden: geschreven, gesproken taal, visuele beelden, gebaren, acteren (narratieve tekst kan dus linguïtisch, theatraal, beeldend en filmisch zijn. Hedendaagse narratologie = 3 niveaus; 1. Vertelling: concrete manier vertelling (stijl, formulering, woordkeuze, vertelinstantie) 2. Verhaal: organisatie verhaalelementen (perspectief, temporele ordening) 3. Geschiedenis: abstracte constructie moeilijk als lezer te volgen = chronologische opeenvolging gebeurtenissen die in plot vaak niet chronologisch opeenvolgen.
PERFORMATIEF
= Verwijst naar sorteren van effect. Een <>kunstwerk drukt niet alleen iets uit het veroorzaakt ook iets bij de toeschouwer. Deze werking ontstaat in het spanningsveld tussen de betekenis van een kunstwerk, maatschappelijke, sociale , culturele of historische conventies en de specifieke situatie waarin de toeschouwer zich bevindt. Ze kan daarnaast al dan niet intentioneel zijn of zich pas na verloop van tijd manifesteren. = kunsttheoretisch performatieve gelinkt aan opkomst van performance art in jaren 60'. = Bestond wel al bij gratie uitlokken van directe ervaring bij een publiek in gedeelde tijd en ruimte.
POËTISCHE FUNCTIE
=Volgens Russische Roman Jakobson : taaluiting verschillende functies vervullen. Kan expressief zijn, referentieel, conatief (=gericht op een hoorder), fatisch (taal om sociale relaties te onderhouden), of metalinguïstisch. Ook esthetische of poëtische functie = Bij een poëtische taaluiting ligt nadruk niet op inhoud, maar 'op de taal als zodanig, op de manier waarop iets gezegd wordt'. <> Taal is hier niet zozeer referentieel, maar autoreferentieel. Concreet manifesteert de poëtische functie zich in wat Jakobson 'equivalentie' noemt: een opvallend patroon van overeenkomsten en tegenstellingen via verschillende procedés en in verscheiden lagen van een tekst , zoals metrum, klank, syntaxis en semantiek.
POSTDRAMATISCH THEATER
Thies Lehmann = term in 1999. <>'post' =niet tijdsaanduiding, maar verwijst naar een fundamentele paradigmaverschuiving in de westerse theatertraditie die alles te maken heeft met een gewijzigde verhouding tussen drama en theater, noties die eeuwenlang als inwisselbaar werden beschouwd. Postdramatisch theater is een verza- melnaam voor een reeks uiteenlopende praktijken die het drama niet langer als organiserend principe hanteren en plaatsvinden in een tijd waarin het dramatische model 'zijn autoriteit' verloren Heeft. (vb verschuiving = van statuut tekst = verliest dominante positie als betkenisgever en wordt component met gelijke rechten in gestische, muzikale, visuele etc. totale compositie.)
TAAL / TEKST
Taal = typisch menselijk communicatie middel: info/ expressie/vragen,… <>Taal individu = afhankelijk van wereldbeeld <> Taal kan vorm aannemen van tekst (eindige reeks tekens die geheel vormen) = tekst opvatten als weefsel <> Richard Schechner = theater in 3 tekstniveaus 1. Linguïstische tekst = verwijst naar talige materiaal of de (post)drama tekst van een voorstelling 2. Plurimediale tekstsysteem = tekst van enscenering, (taal geluid, licht, decor, gesticulatie,..) door theatersemiotiek bestuurd. 3. Performancetekst = omvat theatertekst, theatertekens en relatie tussen acteur en toueschouwer, sfeer, temporele en ruimtelijke situatie waarin de voorstelling zich afspeelt,…
THEATER/ THEATRALITEIT
Theater verwijst naar beide : 1. kunst van opvoeren en dramatische genre, het repertoire van een toneelauteur of gezelschap en 2. Naar artistiek live medium dat beschikt over een plurimediaal tekensysteem. 'het lexicon van literaire termen' <>Een van de belangrijkste aspecten om het theater te definiëren, ligt evenwel in zijn etymologie besloten. Het begrip is afgeleid van het Griekse theasthai ( =aanschouwen , met bewondering kijken naar) en daaruit voortvloeiend van theatron, wat schouwplaats betekent = Theater betreft met andere woorden een 'schouwspel' <> Theatraliteit als datgene wat we specifiek theatraal noemen in een dramatische schriftuur of opvoering, is een schuivend en beladen begrip. (vb1 : een eigenschap van theaterteksten wanneer ze zich goed lenen tot een scenische visualisering) (Vb2: Dat is het theater zonder de tekst, een densiteit van tekens en sensaties die zich vanuit het geschreven argument opbouwt op de scène)