theaterwetenschap termen lijst

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/11

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 2:18 PM on 8/20/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

12 Terms

1
New cards

DRAMA, DRAMATISCH, ARISTOTELISCH DRAMA

(Grieks drama = handeling)

  • hoofdklasse van de literatuur.

  • het omvat alle literaire vormen bestemd om in het theater gespeeld te worden door een of meer acteurs.

  • vaak als synoniem voor toneeltekst gebruikt.

—-

  • Dramatisch = betrekking hebbend op drama. (vb dramatische tekst, dramatische handeling

—-

  • Aristotelisch drama Is een specifiek dramatype ; een aantal regels die Aristoteles uitwerkte in zijn Poëtica

  • = richt zich op het Imiteren (mimesis) van menselijke handelingen en motieven == lezer/toeschouwer zich kan identificeren en die tot catharsis leiden.

  • Het aristotelisch theater creëert een fictieve en gesloten 'kosmos', een afgerond verhaal

  • plot is hierbij van cruciaal belang en wordt steevast opgebouwd rond een conflict dat moet worden opgelost = eenheid van handeling

  • =Alleen het belangrijkste wordt gezegd en gedaan. (Lijn = expositie, climax, catastrofe, penpetie, epiloog OF Introductie → ommekeer → hoogtepunt → ramp/ondergang → afsluiting)

  • mimesis→identificatie→catharsis


2
New cards

DRAMATURGIE

  • (Grieks dramaturgia = samenstellen van drama)

  • = verwijzen naar de opbouw en structuur van een theatertekst en het werk van een dramaturg.

  • Opbouw en structuur van een drama/theatertekst + hoe die op scène wordt vormgegeven.

  • Oorspronkelijk vooral analyse van de tekst.

  • Aristoteles/Corneille: zoeken naar algemene regels voor een goed drama.

  • Brecht: verbreedt dramaturgie (‘20) naar de totale enscenering en het effect op de toeschouwer.

  • Belangrijk: verband tussen tekst en scène.

  • Verband scene en tekst = cruciaal


3
New cards

EPISCH

  • Literair hoofdgenre: alle sterk verhalende werken → epos, roman, novelle, legende, sage, sprookje.

  • Historisch: episch verwees naar ridder- en heldenverhalen in versvorm.

  • Episch drama: ontstaan in de jaren 1920, vooral verbonden met Erwin Piscator en Bertolt Brecht, als reactie op het Aristotelische drama.

  • Aristotelische geslotenheid → in episch drama vervangen door een dubbele structuur van handeling + commentaar.


4
New cards

LICHAMELIJKHEID

  • Opvattingen over het lichaam in theater zijn cultuur- en tijdsgebonden.

  • Dramatisch theater: lichaam van de acteur = representant van een personage, vooral bepaald door de tekst.

  • Postdramatisch theater: lichaam = autonoom en op zichzelf belangrijk; de fysieke aanwezigheid van de acteur staat centraal.

  • → Het lichaam hoeft dus niet alleen iets uit te beelden, maar kan zelf het onderwerp/medium van de voorstelling zijn.


5
New cards

LINGUISTIC & PICTORIAL TURN


  • Richard Rorty: geschiedenis van het denken = verschillende omwentelingen die telkens nieuwe vragen/problemen centraal stellen.

  • Linguistic turn: vanaf de moderne/verlichte filosofie → focus op taal en tekst.
    → Werkelijkheid/kennis is alleen via taal toegankelijk.

  • W.J.T. Mitchell (± jaren 1990): pictorial turn = nieuwe verschuiving naar het beeld.

  • Beelden zijn niet simpelweg illustraties, maar hebben een eigen manier om betekenis en kennis te produceren.

  • Linguistic turn = taal centraal.
    Pictorial turn = beeld centraal.


6
New cards

MIMESIS

  • Grieks mimeisthai = voorstellen, verbeelden, uitdrukken → geen perfect Nederlands equivalent.

  • = imitatie, representatie, gelijkenis of vervalsing.

Plato: mimesis = negatief → kunst is een bedrieglijke imitatie van de werkelijkheid (kopie van een kopie) en heeft daardoor een manipulatieve kracht.

Aristoteles: mimesis = constructief → kunst is de imitatie van menselijke acties. De kunstenaar selecteert en structureert elementen uit de werkelijkheid → dit kan universele waarheden tonen en ons de realiteit beter doen begrijpen.

Adorno: mimesis = een authentieke ervaring van de dingen.


7
New cards

NARRATIVITEIT

  • Latijn narrare = vertellen.

  • = De principes waarmee een verhaal wordt verteld en geïnterpreteerd.

  • Verhalen kunnen via verschillende media worden verteld: taal, beelden, gebaren, acteren, enz.

  • Hedendaagse narratologie onderscheidt 3 niveaus:

    1. Vertelling = hoe wordt het verteld? → stijl, woordkeuze, vertelinstantie.

    2. Verhaal = hoe zijn de elementen georganiseerd? → perspectief, tijdsordening.

    3. Geschiedenis = wat gebeurt er chronologisch? → de gebeurtenissen in hun tijdelijke volgorde.
      → De plot hoeft deze volgorde niet te volgen.


8
New cards

PERFORMATIEF

  • = gericht op het effect dat iets veroorzaakt.

  • Een kunstwerk doet iets met de toeschouwer → roept een ervaring, gevoel of reactie op.

  • De betekenis hangt ook af van sociale, culturele en historische context + de situatie van de toeschouwer.

  • Vaak is dit niet intentioneel.

  • Gelinkt aan performance art (jaren 60) → directe ervaring tussen kunstenaar en publiek in gedeelde tijd en ruimte.


!!! door zijn uitvoering/handeling iets teweegbrengt of doet gebeuren !!!


9
New cards

POËTISCHE FUNCTIE

  • Taal kan verschillende doelen/functies hebben, bv. iets vertellen, een gevoel uitdrukken of iemand beïnvloeden.

  • Poëtische functie: de nadruk ligt op de vorm/manier waarop iets gezegd wordt, niet alleen op de inhoud.

  • Taal is autoreferentieel → de aandacht gaat naar de taal zelf.

  • → Vooral belangrijk in literatuur, poëzie, slogans, enz.


10
New cards

POSTDRAMATISCH THEATER


  • Hans-Thies Lehmann (1999): post = geen tijdsaanduiding, maar een fundamentele verandering in het westerse theater.

  • = Verschillende theaterpraktijken waarin drama/tekst niet langer het organiserende centrum is. =noties die eeuwenlang als inwisselbaar werden beschouwd.

—-

  • Tekst verliest zijn dominante positie → wordt één gelijkwaardig onderdeel naast beeld, beweging, muziek, gebaren, enz.

  • Niet de tekst staat centraal, maar de totale voorstelling.


11
New cards

TAAL / TEKST

  • Taal = menselijk communicatiemiddel → informatie, expressie, vragen, enz. Taalgebruik hangt samen met het wereldbeeld van het individu en kan worden vastgelegd in een tekst.

  • Schechner: 3 tekstniveaus in theater:

    1. Linguïstische tekst = de woorden van de theatertekst.

    2. Plurimediale tekst = alles op scène → taal, geluid, licht, decor, gebaren, beweging, enz.

    3. Performancetekst = de volledige voorstelling → tekst + theatertekens + relatie acteur-publiek + tijd, ruimte en sfeer.

1 = woorden | 2 = scène | 3 = volledige voorstelling + publiek.


12
New cards

THEATER/ THEATRALITEIT

  • Theater = zowel:

  1. de kunst van het opvoeren en het dramatische genre;

  2. een live medium waarin verschillende middelen samen betekenis creëren → taal, beeld, geluid, beweging, licht, decor, enz.

  • Grieks theasthai = aanschouwen / bewonderend kijken.

  • Theatraliteit = de eigenschappen die iets theatraal maken.

    • Vb. 1: een tekst leent zich goed voor opvoering/visualisering op scène.

    • Vb. 2: theater kan ook zonder tekst → betekenis ontstaat door de combinatie van tekens en zintuiglijke indrukken.