1/11
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
DRAMA, DRAMATISCH, ARISTOTELISCH DRAMA
(Grieks drama = handeling)
hoofdklasse van de literatuur.
het omvat alle literaire vormen bestemd om in het theater gespeeld te worden door een of meer acteurs.
vaak als synoniem voor toneeltekst gebruikt.
—-
Dramatisch = betrekking hebbend op drama. (vb dramatische tekst, dramatische handeling
—-
Aristotelisch drama Is een specifiek dramatype ; een aantal regels die Aristoteles uitwerkte in zijn Poëtica
= richt zich op het Imiteren (mimesis) van menselijke handelingen en motieven == lezer/toeschouwer zich kan identificeren en die tot catharsis leiden.
Het aristotelisch theater creëert een fictieve en gesloten 'kosmos', een afgerond verhaal
plot is hierbij van cruciaal belang en wordt steevast opgebouwd rond een conflict dat moet worden opgelost = eenheid van handeling
=Alleen het belangrijkste wordt gezegd en gedaan. (Lijn = expositie, climax, catastrofe, penpetie, epiloog OF Introductie → ommekeer → hoogtepunt → ramp/ondergang → afsluiting)
mimesis→identificatie→catharsis
DRAMATURGIE
(Grieks dramaturgia = samenstellen van drama)
= verwijzen naar de opbouw en structuur van een theatertekst en het werk van een dramaturg.
Opbouw en structuur van een drama/theatertekst + hoe die op scène wordt vormgegeven.
Oorspronkelijk vooral analyse van de tekst.
Aristoteles/Corneille: zoeken naar algemene regels voor een goed drama.
Brecht: verbreedt dramaturgie (‘20) naar de totale enscenering en het effect op de toeschouwer.
Belangrijk: verband tussen tekst en scène.
Verband scene en tekst = cruciaal
EPISCH
Literair hoofdgenre: alle sterk verhalende werken → epos, roman, novelle, legende, sage, sprookje.
Historisch: episch verwees naar ridder- en heldenverhalen in versvorm.
Episch drama: ontstaan in de jaren 1920, vooral verbonden met Erwin Piscator en Bertolt Brecht, als reactie op het Aristotelische drama.
Aristotelische geslotenheid → in episch drama vervangen door een dubbele structuur van handeling + commentaar.
LICHAMELIJKHEID
Opvattingen over het lichaam in theater zijn cultuur- en tijdsgebonden.
Dramatisch theater: lichaam van de acteur = representant van een personage, vooral bepaald door de tekst.
Postdramatisch theater: lichaam = autonoom en op zichzelf belangrijk; de fysieke aanwezigheid van de acteur staat centraal.
→ Het lichaam hoeft dus niet alleen iets uit te beelden, maar kan zelf het onderwerp/medium van de voorstelling zijn.
LINGUISTIC & PICTORIAL TURN
Richard Rorty: geschiedenis van het denken = verschillende omwentelingen die telkens nieuwe vragen/problemen centraal stellen.
Linguistic turn: vanaf de moderne/verlichte filosofie → focus op taal en tekst.
→ Werkelijkheid/kennis is alleen via taal toegankelijk.
W.J.T. Mitchell (± jaren 1990): pictorial turn = nieuwe verschuiving naar het beeld.
Beelden zijn niet simpelweg illustraties, maar hebben een eigen manier om betekenis en kennis te produceren.
→ Linguistic turn = taal centraal.
Pictorial turn = beeld centraal.
MIMESIS
Grieks mimeisthai = voorstellen, verbeelden, uitdrukken → geen perfect Nederlands equivalent.
= imitatie, representatie, gelijkenis of vervalsing.
Plato: mimesis = negatief → kunst is een bedrieglijke imitatie van de werkelijkheid (kopie van een kopie) en heeft daardoor een manipulatieve kracht.
Aristoteles: mimesis = constructief → kunst is de imitatie van menselijke acties. De kunstenaar selecteert en structureert elementen uit de werkelijkheid → dit kan universele waarheden tonen en ons de realiteit beter doen begrijpen.
Adorno: mimesis = een authentieke ervaring van de dingen.
NARRATIVITEIT
Latijn narrare = vertellen.
= De principes waarmee een verhaal wordt verteld en geïnterpreteerd.
Verhalen kunnen via verschillende media worden verteld: taal, beelden, gebaren, acteren, enz.
Hedendaagse narratologie onderscheidt 3 niveaus:
Vertelling = hoe wordt het verteld? → stijl, woordkeuze, vertelinstantie.
Verhaal = hoe zijn de elementen georganiseerd? → perspectief, tijdsordening.
Geschiedenis = wat gebeurt er chronologisch? → de gebeurtenissen in hun tijdelijke volgorde.
→ De plot hoeft deze volgorde niet te volgen.
PERFORMATIEF
= gericht op het effect dat iets veroorzaakt.
Een kunstwerk doet iets met de toeschouwer → roept een ervaring, gevoel of reactie op.
De betekenis hangt ook af van sociale, culturele en historische context + de situatie van de toeschouwer.
Vaak is dit niet intentioneel.
Gelinkt aan performance art (jaren 60) → directe ervaring tussen kunstenaar en publiek in gedeelde tijd en ruimte.
!!! door zijn uitvoering/handeling iets teweegbrengt of doet gebeuren !!!
POËTISCHE FUNCTIE
Taal kan verschillende doelen/functies hebben, bv. iets vertellen, een gevoel uitdrukken of iemand beïnvloeden.
Poëtische functie: de nadruk ligt op de vorm/manier waarop iets gezegd wordt, niet alleen op de inhoud.
Taal is autoreferentieel → de aandacht gaat naar de taal zelf.
→ Vooral belangrijk in literatuur, poëzie, slogans, enz.
POSTDRAMATISCH THEATER
Hans-Thies Lehmann (1999): post = geen tijdsaanduiding, maar een fundamentele verandering in het westerse theater.
= Verschillende theaterpraktijken waarin drama/tekst niet langer het organiserende centrum is. =noties die eeuwenlang als inwisselbaar werden beschouwd.
—-
Tekst verliest zijn dominante positie → wordt één gelijkwaardig onderdeel naast beeld, beweging, muziek, gebaren, enz.
→ Niet de tekst staat centraal, maar de totale voorstelling.
TAAL / TEKST
Taal = menselijk communicatiemiddel → informatie, expressie, vragen, enz. Taalgebruik hangt samen met het wereldbeeld van het individu en kan worden vastgelegd in een tekst.
Schechner: 3 tekstniveaus in theater:
Linguïstische tekst = de woorden van de theatertekst.
Plurimediale tekst = alles op scène → taal, geluid, licht, decor, gebaren, beweging, enz.
Performancetekst = de volledige voorstelling → tekst + theatertekens + relatie acteur-publiek + tijd, ruimte en sfeer.
1 = woorden | 2 = scène | 3 = volledige voorstelling + publiek.
THEATER/ THEATRALITEIT
Theater = zowel:
de kunst van het opvoeren en het dramatische genre;
een live medium waarin verschillende middelen samen betekenis creëren → taal, beeld, geluid, beweging, licht, decor, enz.
Grieks theasthai = aanschouwen / bewonderend kijken.
Theatraliteit = de eigenschappen die iets theatraal maken.
Vb. 1: een tekst leent zich goed voor opvoering/visualisering op scène.
Vb. 2: theater kan ook zonder tekst → betekenis ontstaat door de combinatie van tekens en zintuiglijke indrukken.