1/34
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No study sessions yet.
Institutionalisering
Gedragspatronen en waarden worden vastgelegd in regels, gewoonten en organisaties.
Interne soevereiniteit
De overheid heeft het hoogste gezag binnen de grenzen. De overheid handhaaft wetten en regels, er is een geweldsmonopolie en Burgers erkennen het gezag van de overheid.
Externe soevereiniteit
De staat wordt door andere landen erkend als onafhankelijk
Staatsvorming
De overheid krijgt meer macht en zorgt voor orde, wetten en bescherming in een bepaald gebied.
Rationalisering
Handelen wordt efficiënter en voorspelbaarder door gebruik van kennis, regels en beheersing.
Individualisering
Mensen maken zelfstandiger keuzes, maar sociale samenhang kan afnemen.
Globalisering
Samenlevingen raken wereldwijd economisch, politiek en cultureel met elkaar verbonden.
Democratisering
Burgers krijgen meer politieke invloed en inspraak.
Beschrijven hoe met het proces van staatsvorming de relatie tussen burgers en politieke machthebbers veranderde
Macht kwam bij de centrale overheid te liggen, waardoor burgers onder één bestuur met vaste regels vielen.
Uitleggen wat de functie is van institutionalisering in een samenleving
Zorgt voor voorspelbaar en stabiel gedrag doordat regels, waarden en gewoonten worden vastgelegd.
Twee ontwikkelingen in het democratiseringsproces beschrijven
Uitbreiding van het kiesrecht en invoering van machtenscheiding en volksvertegenwoordiging.
Uitleggen waarom 1848 een belangrijk jaar was voor democratisering en waarom er geen gelijkheid tussen burgers werd bereikt
Thorbecke's grondwet maakte Nederland democratisch, maar alleen rijke mannen mochten stemmen.
De ontwikkeling wat betreft man-vrouw verhouding beschrijven in de 20ste eeuw als het gaat om sociale ongelijkheid
Vrouwen kregen meer rechten en kansen, maar er bleef ongelijkheid in loon, werk en rolpatronen.
Een positieve en een negatieve kant van individualisering benoemen
Meer persoonlijke vrijheid, maar minder sociale samenhang.
Uitleggen wat rationalisering inhoudt en hoe het invloed heeft op de samenleving
Handelen wordt gebaseerd op efficiëntie en regels, wat zorgt voor voorspelbaarheid maar ook bureaucratie in de samenleving.
Een voorbeeld geven van globalisering op economisch, juridisch, politiek, sociaal-cultureel en ecologisch gebied.
Economisch: Wereldhandel
Juridisch: Internationale verdragen
Politiek: Samenwerking in organisaties
Sociaal-cultureel: Verspreiding van muziek en sociale media.
Ecologisch: Klimaatverandering als grensoverschrijdend probleem.
Uitleggen wat de argumenten zijn van voor- en tegenstanders van globalisering.
Voor: groei en samenwerking; tegen: ongelijkheid en milieuproblemen.
Vier soorten sociale ongelijkheid beschrijven (op basis van een ongelijke verdeling van vier soorten hulpbronnen)
Economisch: verschil in inkomen en bezit.
Sociaal-cultureel: verschil in opleiding en kennis.
Politiek: verschil in macht en invloed.
Sociaal: verschil in netwerken en sociale contacten.
Positietoewijzing vs positieverwerving
Posities die je krijgt bij geboorte beïnvloeden je kansen, terwijl verworven posities door eigen inzet je maatschappelijke status kunnen verhogen.
De ontwikkeling over de jaren heen in Nederland van de kansen voor de groepen studenten, ouderen en mensen met een migratieachtergrond beschrijven.
Studenten: meer toegang tot hoger onderwijs.
Ouderen: betere sociale voorzieningen en inspraak.
Mensen met migratieachtergrond: meer kansen op onderwijs en werk, maar nog steeds ongelijkheid.
Uitleggen wat het verschil is tussen een gesloten en een open samenleving.
Gesloten samenleving: Beperktere sociale mobiliteit, iemands afkomst bepaalt sterk de positie.
Open samenleving: Grote sociale mobiliteit, eigen inzet bepaalt positie.
Uitleggen hoe de sociale ongelijkheid in Nederland en tussen landen wordt beïnvloedt door:
- globalisering en europeanisering
- informatisering en digitalisering
- veranderende man-vrouw verhoudingen
- stijging opleidingsniveau
- de ontwikkeling naar een post-industriële samenleving
Globalisering/Europeanisering: sommigen profiteren, anderen niet.
Informatisering/digitalisering: wie kennis heeft, heeft voordeel.
Man-vrouwverhoudingen: meer gelijkheid, maar niet volledig.
Opleidingsniveau: hoger opleidingsniveau = betere kansen.
Post-industriële samenleving: Meer banen in diensten en kenniswerk; ongelijkheid hangt af van opleiding en digitale vaardigheden.
Uitleggen hoe de ontwikkelingen in de sociale wetgeving in Nederland in de 19e en 20e eeuw invloed hebben gehad op sociale ongelijkheid in Nederland.
Bescherming van arbeiders, sociale zekerheid en gelijke rechten verminderden ongelijkheid, maar verschillen tussen groepen bleven bestaan.
De ontwikkelingen in de 20e eeuw wat betreft de sociale ongelijkheid van inkomen beschrijven.
Ongelijkheid daalde door hogere lonen, sociale zekerheid en belastingen, maar bleef bestaan tussen laag- en hoogopgeleiden.
Uitleggen wat het verschil is tussen manifest en latent conflict
Manifest conflict: Duidelijk zichtbaar, openlijk strijd of meningsverschil.
Latent conflict: Niet zichtbaar, onderliggende spanningen bestaan wel.
Uitleggen hoe sociale ongelijkheid (op de thema's gender, generatie, klasse, etniciteit en sociaal-cultureel) kan leiden tot conflicten (op macroniveau)
Ongelijkheid tussen groepen (geslacht, generatie, klasse, etniciteit, cultuur) kan leiden tot maatschappelijke spanningen, protesten of politieke strijd.
Uitleggen wat de gevolgen zijn van maatschappelijke en politieke conflicten voor de sociale cohesie in een maatschappij op macro- en mesoniveau
Macro: Verminderde nationale samenhang en vertrouwen in overheid.
Meso: Spanningen tussen groepen of organisaties binnen de samenleving.
Uitleggen wat de gevolgen zijn van maatschappelijke en politieke conflicten voor sociale (on)veranderingen in een maatschappij op macroniveau
Conflicten kunnen leiden tot maatschappelijke en politieke veranderingen, zoals nieuwe wetten, beleid of verschuivingen in macht.
Uitleggen om welke 3 redenen men politieke samenwerking aangaat.
Macht vergroten: samen meer invloed uitoefenen.
Belangen bundelen: gezamenlijke doelen beter bereiken.
Stabiliteit bevorderen: samenwerking voorkomt politieke conflicten.
Uitleggen wat het verschil is tussen de conflictbenadering van Marx en die van Huntington
Marx: Conflict ontstaat door ongelijkheid tussen sociale klassen (rijk vs arm).
Huntington: Conflict ontstaat door culturele en religieuze verschillen tussen groepen.
Uitleggen wat het verschil is tussen het harmonie- en het conflictmodel
Harmoniemodel: Samenleving bestaat uit samenwerking en overeenstemming.
Conflictmodel: Samenleving wordt gedomineerd door tegenstellingen en strijd tussen groepen.
Uitleggen hoe je een maatschappelijke ladder kunt maken op basis van status of bezit
Op basis van beroep en prestaties of op basis van inkomen en vermogen.
Uitleggen hoe maatschappelijke positie invloed heeft op onderwijs(prestaties), gezondheid, politiek(e participatie) en cultuur (culturele interesses en vrijetijdsbesteding)
Hogere positie betekent betere schoolprestaties, betere gezondheid, meer politieke participatie, en meer toegang tot culturele activiteiten. Lagere positie betekent minder van dit alles.
Vier verklaringen noemen waarom mensen met een hogere maatschappelijke positie een betere gezondheid hebben dan mensen met een lagere maatschappelijke positie
Meer inkomen, betere voeding en zorg
Hogere opleiding, meer gezondheidskennis
Betere woon en werk omstandigheden
Grotere sociale netwerken, meer steun en minder stress.
Nog leren (3)
Je hebt een begin gemaakt met het leren van deze termen. Hou vol!