MAW H5 Toetsweek 1 (1/2) | Quizlet

0.0(0)
studied byStudied by 0 people
0.0(0)
full-widthCall with Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/34

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No study sessions yet.

35 Terms

1
New cards

Institutionalisering

Gedragspatronen en waarden worden vastgelegd in regels, gewoonten en organisaties.

2
New cards

Interne soevereiniteit

De overheid heeft het hoogste gezag binnen de grenzen. De overheid handhaaft wetten en regels, er is een geweldsmonopolie en Burgers erkennen het gezag van de overheid.

3
New cards

Externe soevereiniteit

De staat wordt door andere landen erkend als onafhankelijk

4
New cards

Staatsvorming

De overheid krijgt meer macht en zorgt voor orde, wetten en bescherming in een bepaald gebied.

5
New cards

Rationalisering

Handelen wordt efficiënter en voorspelbaarder door gebruik van kennis, regels en beheersing.

6
New cards

Individualisering

Mensen maken zelfstandiger keuzes, maar sociale samenhang kan afnemen.

7
New cards

Globalisering

Samenlevingen raken wereldwijd economisch, politiek en cultureel met elkaar verbonden.

8
New cards

Democratisering

Burgers krijgen meer politieke invloed en inspraak.

9
New cards

Beschrijven hoe met het proces van staatsvorming de relatie tussen burgers en politieke machthebbers veranderde

Macht kwam bij de centrale overheid te liggen, waardoor burgers onder één bestuur met vaste regels vielen.

10
New cards

Uitleggen wat de functie is van institutionalisering in een samenleving

Zorgt voor voorspelbaar en stabiel gedrag doordat regels, waarden en gewoonten worden vastgelegd.

11
New cards

Twee ontwikkelingen in het democratiseringsproces beschrijven

Uitbreiding van het kiesrecht en invoering van machtenscheiding en volksvertegenwoordiging.

12
New cards

Uitleggen waarom 1848 een belangrijk jaar was voor democratisering en waarom er geen gelijkheid tussen burgers werd bereikt

Thorbecke's grondwet maakte Nederland democratisch, maar alleen rijke mannen mochten stemmen.

13
New cards

De ontwikkeling wat betreft man-vrouw verhouding beschrijven in de 20ste eeuw als het gaat om sociale ongelijkheid

Vrouwen kregen meer rechten en kansen, maar er bleef ongelijkheid in loon, werk en rolpatronen.

14
New cards

Een positieve en een negatieve kant van individualisering benoemen

Meer persoonlijke vrijheid, maar minder sociale samenhang.

15
New cards

Uitleggen wat rationalisering inhoudt en hoe het invloed heeft op de samenleving

Handelen wordt gebaseerd op efficiëntie en regels, wat zorgt voor voorspelbaarheid maar ook bureaucratie in de samenleving.

16
New cards

Een voorbeeld geven van globalisering op economisch, juridisch, politiek, sociaal-cultureel en ecologisch gebied.

Economisch: Wereldhandel

Juridisch: Internationale verdragen

Politiek: Samenwerking in organisaties

Sociaal-cultureel: Verspreiding van muziek en sociale media.

Ecologisch: Klimaatverandering als grensoverschrijdend probleem.

17
New cards

Uitleggen wat de argumenten zijn van voor- en tegenstanders van globalisering.

Voor: groei en samenwerking; tegen: ongelijkheid en milieuproblemen.

18
New cards

Vier soorten sociale ongelijkheid beschrijven (op basis van een ongelijke verdeling van vier soorten hulpbronnen)

Economisch: verschil in inkomen en bezit.

Sociaal-cultureel: verschil in opleiding en kennis.

Politiek: verschil in macht en invloed.

Sociaal: verschil in netwerken en sociale contacten.

19
New cards

Positietoewijzing vs positieverwerving

Posities die je krijgt bij geboorte beïnvloeden je kansen, terwijl verworven posities door eigen inzet je maatschappelijke status kunnen verhogen.

20
New cards

De ontwikkeling over de jaren heen in Nederland van de kansen voor de groepen studenten, ouderen en mensen met een migratieachtergrond beschrijven.

Studenten: meer toegang tot hoger onderwijs.

Ouderen: betere sociale voorzieningen en inspraak.

Mensen met migratieachtergrond: meer kansen op onderwijs en werk, maar nog steeds ongelijkheid.

21
New cards

Uitleggen wat het verschil is tussen een gesloten en een open samenleving.

Gesloten samenleving: Beperktere sociale mobiliteit, iemands afkomst bepaalt sterk de positie.

Open samenleving: Grote sociale mobiliteit, eigen inzet bepaalt positie.

22
New cards

Uitleggen hoe de sociale ongelijkheid in Nederland en tussen landen wordt beïnvloedt door:

- globalisering en europeanisering

- informatisering en digitalisering

- veranderende man-vrouw verhoudingen

- stijging opleidingsniveau

- de ontwikkeling naar een post-industriële samenleving

Globalisering/Europeanisering: sommigen profiteren, anderen niet.

Informatisering/digitalisering: wie kennis heeft, heeft voordeel.

Man-vrouwverhoudingen: meer gelijkheid, maar niet volledig.

Opleidingsniveau: hoger opleidingsniveau = betere kansen.

Post-industriële samenleving: Meer banen in diensten en kenniswerk; ongelijkheid hangt af van opleiding en digitale vaardigheden.

23
New cards

Uitleggen hoe de ontwikkelingen in de sociale wetgeving in Nederland in de 19e en 20e eeuw invloed hebben gehad op sociale ongelijkheid in Nederland.

Bescherming van arbeiders, sociale zekerheid en gelijke rechten verminderden ongelijkheid, maar verschillen tussen groepen bleven bestaan.

24
New cards

De ontwikkelingen in de 20e eeuw wat betreft de sociale ongelijkheid van inkomen beschrijven.

Ongelijkheid daalde door hogere lonen, sociale zekerheid en belastingen, maar bleef bestaan tussen laag- en hoogopgeleiden.

25
New cards

Uitleggen wat het verschil is tussen manifest en latent conflict

Manifest conflict: Duidelijk zichtbaar, openlijk strijd of meningsverschil.

Latent conflict: Niet zichtbaar, onderliggende spanningen bestaan wel.

26
New cards

Uitleggen hoe sociale ongelijkheid (op de thema's gender, generatie, klasse, etniciteit en sociaal-cultureel) kan leiden tot conflicten (op macroniveau)

Ongelijkheid tussen groepen (geslacht, generatie, klasse, etniciteit, cultuur) kan leiden tot maatschappelijke spanningen, protesten of politieke strijd.

27
New cards

Uitleggen wat de gevolgen zijn van maatschappelijke en politieke conflicten voor de sociale cohesie in een maatschappij op macro- en mesoniveau

Macro: Verminderde nationale samenhang en vertrouwen in overheid.

Meso: Spanningen tussen groepen of organisaties binnen de samenleving.

28
New cards

Uitleggen wat de gevolgen zijn van maatschappelijke en politieke conflicten voor sociale (on)veranderingen in een maatschappij op macroniveau

Conflicten kunnen leiden tot maatschappelijke en politieke veranderingen, zoals nieuwe wetten, beleid of verschuivingen in macht.

29
New cards

Uitleggen om welke 3 redenen men politieke samenwerking aangaat.

Macht vergroten: samen meer invloed uitoefenen.

Belangen bundelen: gezamenlijke doelen beter bereiken.

Stabiliteit bevorderen: samenwerking voorkomt politieke conflicten.

30
New cards

Uitleggen wat het verschil is tussen de conflictbenadering van Marx en die van Huntington

Marx: Conflict ontstaat door ongelijkheid tussen sociale klassen (rijk vs arm).

Huntington: Conflict ontstaat door culturele en religieuze verschillen tussen groepen.

31
New cards

Uitleggen wat het verschil is tussen het harmonie- en het conflictmodel

Harmoniemodel: Samenleving bestaat uit samenwerking en overeenstemming.

Conflictmodel: Samenleving wordt gedomineerd door tegenstellingen en strijd tussen groepen.

32
New cards

Uitleggen hoe je een maatschappelijke ladder kunt maken op basis van status of bezit

Op basis van beroep en prestaties of op basis van inkomen en vermogen.

33
New cards

Uitleggen hoe maatschappelijke positie invloed heeft op onderwijs(prestaties), gezondheid, politiek(e participatie) en cultuur (culturele interesses en vrijetijdsbesteding)

Hogere positie betekent betere schoolprestaties, betere gezondheid, meer politieke participatie, en meer toegang tot culturele activiteiten. Lagere positie betekent minder van dit alles.

34
New cards

Vier verklaringen noemen waarom mensen met een hogere maatschappelijke positie een betere gezondheid hebben dan mensen met een lagere maatschappelijke positie

Meer inkomen, betere voeding en zorg

Hogere opleiding, meer gezondheidskennis

Betere woon en werk omstandigheden

Grotere sociale netwerken, meer steun en minder stress.

35
New cards

Nog leren (3)

Je hebt een begin gemaakt met het leren van deze termen. Hou vol!