1/250
Thema 1-6
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Naturalistic fallacy
De foutieve aanname dat wat "natuurlijk" is, ook automatisch "goed", "juist" of "moreel wenselijk" is. Alleen omdat iets een biologische oorsprong heeft, betekent niet dat we het als maatschappij moeten accepteren.
Culturalistic fallacy
De foutieve aanname dat gedrag volledig door cultuur en opvoeding wordt bepaald en dat biologie er helemaal niet toe doet.
Culturele overdracht
Het proces waarbij culturele normen, waarden, kennis en gedragingen worden doorgegeven van de ene generatie (of groep) op de andere.
Tight cultures
Mensen zijn gewend om zich te houden aan strenge regels.
Loose cultures
Mensen hebben meer de vrijheid om te doen wat ze zelf willen.
Etnocetriciteit in de psychologie
Onderzoeksresultaten uit één cultuur (vaak de westerse) worden onterecht gegeneraliseerd naar de hele wereldbevolking.
Hybridisatie
Het proces waarbij elementen uit twee of meer culturen worden gecombineerd tot een nieuwe, hybride identiteit of cultuuruiting.
Glocalisatie
Toenemende vermenging tussen globale en lokale leefwereld.
Ratched-effect
Het proces waarbij culturele informatie wordt doorgegeven aan de volgende generatie, die deze vervolgens verbetert en de nieuwe versie doorgeeft. Hierdoor groeit cultuur en wordt het steeds complexer.
Safety
Bescherming tegen directe, fysieke dreigingen of ongelukken vanuit de omgeving zoals extreem weer en ongelukken.
Security
De stabiele toestand waarin men zich beschermd voelt tegen opzettelijke dreigingen, vaak in een sociale of economische context zoals criminaliteit en terrorisme.
Veiligheidsklimaat
Attitudes rond veiligheid (stemming).
Veiligheidscultuur
Onderliggende waarden en aannames (persoonlijkheid).
Normalization of deviance
Normalisering van afwijzing van de norm ("niemand zet de stroom uit bij onderhoud")
Incubatietijd van ongelukken
De periode tussen het ontstaan van de eerste kleine afwijkingen/fouten en het uiteindelijke moment dat het ongeluk plaatsvindt. Tijdens deze fase stapelen onopgemerkte fouten, miscommunicaties en het negeren van veiligheidsprocedures zich op.
Workaround
Een bewuste methode van een medewerker om een officieel proces of een veiligheidsregel te omzeilen om een specifiek doel (meestal efficiëntie of snelheid) te bereiken.
Safety 1
Doen wat er gezegd wordt. Incidenten moten voorkomen worden. Daarom zijn er regels waar iedereen zich aan moet houden.
Safety 2
Meer sturing op eigen verantwoordelijkheid van werknemers. Er wordt vanuit gegaan dat regels niet altijd worden nageleefd (met goede redenen). Ook focus op wat er wel goed gaat.
Sociale cognitie
Verwijst naar hoe mensen denken over zichzelf, anderen en sociale situaties.
Heuristieken (vuistregel)
Een eenvoudige denkregel die wordt gebruikt om complexe problemen op te lossen of snelle oordelen te vellen.
Causale attributie
De manier waarop mensen verklaringen vinden voor de oorzaken van gebeurtenissen en gedragingen.
Interne (dispositionele) oorzaken
Eigenschappen, vaardigheden of motieven.
Externe (situationele) oorzaken
Geluk, omgeving of sociale druk.
Consensus (covariatiemodel)
Gedragen anderen zich op dezelfde manier?
Hoge waarde: de situatie kan hiertoe aanleiding geven.
Distinctiviteit (covariatiemodel)
Gedraagt deze persoon zich alleen in deze situatie zo?
Hoge waarde: situatie specifieke oorzaak
Consistentie (covariatiemodel)
Gedraagt de persoon zich altijd zo?
Hoge waarde: stabiele oorzaak (intern of extern)
Principe van discontering
We hechten minder waarde aan een specifieke oorzaak voor gedrag als er ook andere plausibele oorzaken aanwezig zijn.
(Bekende voetballer in een reclame die zegt dat je iets moet kopen, maar hij zegt dat omdat hij geld krijgt voor die reclame.)
Contrafeitelijk denken
Neiging om zich mogelijke alternatieve uitkomsten voor te stellen die zich niet voordeden.
Emotionele versterking: emoties zijn sterker wanneer een uitkomst bijna anders was geweest.
Actor-observer vertekening
De neiging om ons eigen gedrag toe te schrijven aan de situatie (externe attributie), terwijl we het gedrag van anderen toeschrijven aan hun karakter (interne attributie).
Self-serving bias
Eigen positieve gedrag komt door intern en eigen negatieve gedrag komt door extern.
Bottom-up verwerking
Je vormt een indruk door alleen te kijken naar de objectieve informatie die binnenkomt via je zintuigen.
Proces: Je begint bij de details en bouwt zo een beeld op, zonder dat je voorafgaande verwachtingen het proces sturen.
Top-down verwerking
Je interpreteert nieuwe informatie op basis van je bestaande kennis, verwachtingen, schema's en ervaringen.
Proces: Je brein "vult de gaten in" op basis van wat je al weet.
Base rate fallacy
Het negeren van informatie over hoe vaak iets werkelijk voorkomt in de populatie → representativiteit heuristiek
Counterfactuals
Gedachten over wat er gebeurd had kunnen zijn.
Opwaartse counterfactual: scenario beter dan de werkelijkheid.
Neerwaartse counterfactual: scenario slechter dan de werkelijkheid
Gemeenschappelijke relaties
Individuen voelen een speciale verantwoordelijkheid voor elkaar; voordelen worden gegeven op basis van behoeften, niet op basis van wederkerigheid (familie, hechte vriendschappen).
Uitwisselingsrelaties
Gebaseerd op gelijkheid en wederkerigheid, waarbij voordelen worden gegeven in de verwachting dat er een gelijkwaardige tegenprestatie wort geleverd (toevallige kennissen, collega's).
Sociale uitwisselingstheorie
Mensen streven ernaar om beloningen te maximaliseren en kosten te minimaliseren.
Equity Theory
De tevredenheid is het grootst wanneer de voordelen en bijdragen van beide partners in verhouding tot elkaar staan.
Festinger, Schachter & Back (nabijheid studie)
Bewoners die in de buurt van trappenhuizen of brievenbussen woonden, sloten meer vriendschappen vanwege de hogere ontmoetingsfrequentie.
Mere Exposure Effect (nabijheid studie)
Herhaalde blootstelling aan een persoon vergroot de sympathie, omdat vertrouwdheid comfort en een gevoel van veiligheid bevordert.
Functionele afstand (nabijheid studie)
Architectonisch ontwerp (indeling kantoor) kan ontmoetingen bevorderen of juist belemmeren, wat van invloed is op vriendschappen en teamwork.
Statusuitwisselingshypothese
Personen met een verschillende sociale status kunnen zich tot elkaar aangetrokken voelen als elk van hen iets te bieden heeft wat de ander mist (rijkdom vs schoonheid).
Genderbias
Aantrekkelijkheid heeft een grotere invloed op het leven van vrouwen dan op dat van mannen (oordeelsvorming, werkgelegenheid).
Kapitalisatie (versterkend gedrag voor een relatie)
Enthousiast reageren op goed nieuws van een partner versterkt de intimiteit.
Speelsheid (versterkend gedrag voor een relatie)
Samen lachen op opwindende activiteiten vernieuwen de aantrekkingskracht.
Idealisering
Een partner positiever zien dan hij of zij zichzelf ziet, voorspelt tevredenheid en stabiliteit.
Evolutionair perspectief emoties
Emoties zijn biologisch aangeboren en universeel.
Cultureel perspectief emoties
Emoties worden gevormd door culturele normen, waarden en uitingsregels.
Emotion codering
Het produceren van emotionele uitingen.
Emotion decoding
Interpretatie van uitingen
Affect waarderings theorie
Mensen hechten waarde aan emoties die culturele idealen weerspiegelen.
Wat doet oxytocine?
Komt vrij tijdens intimiteit, aanraking, borstvoeding en het aangaan van een bang. Het helpt sociale banden te versterken, maar elimineert vooroordelen tussen groepen niet.
Verzoening
Sociale harmonie wordt hersteld.
Emotionele belichaming
De theorie dat het begrijpen en ervaren van emoties afhankelijk is van het (onbewust) nabootsen van lichamelijke reacties die bij die emotie horen.
Om een emotie volledig te verwerken, "speelt" je lichaam de bijbehorende fysieke toestand na (zoals gezichtsuitdrukkingen of houding).
Broaden-and-build hypothesis
Positieve emoties zorgen voor open mindset en meer creativiteit, emoties bepalen daadwerkelijk hoe je naar de wereld kijkt.
Social intuitionist model of moral judgement
Morele oordelen vaak gebaseerd op 'gut feelings'.
Geluk
Tevredenheid met het leven en emotioneel welzijn.
Immune neglect
Onderschatting van veerkracht na negatieve gebeurtenissen.
Duration neglect
Wij kunnen slecht omgaan met tijd/duur (paar momenten waar je intens gelukkig ben is bepalender).
Focalisme
Overmatige focus op één aspect van een gebeurtenis (relatie hebben is niet belangrijker dan vrienden hebben).
Affectieve forecasting
Mensen zijn heel slecht in staat om te voorspellen wat hun nou gelukkig maakt.
Fundamentele attributiefout
Neiging om de mate waarin iemands gedrag wordt veroorzaakt door interne, dispositionele factoren te overschatten en de rol van externe, situationele factoren te onderschatten.
Vijandige agressie
Gedreven door woede met als doel schade aanbrengen (iemand slaan tijdens een ruzie).
Instrumentale agressie
Kwaad doen als middel om een doel te bereiken (oorlog, overval).
Dehumanisatie
De perceptie dat de anderen niet menselijk of 'submenselijk' zijn.
Objectivering (dehumanisatie)
Ontkennen van menselijke aard door slachtoffer als ding te zien.
Verdierlijking
Ontkennen van unieke menselijke kwaliteiten door slachtoffer als dier te zien.
Argument related murder
Moord die voortkomt uit een escalerende ruzie, belediging of conflict tussen mensen.
De emotie (vaak woede) is de drijfveer; het doel is de ander schade toebrengen (vijandige agressie).
Felony related murder
Moord die plaatsvindt tijdens het plegen van een ander misdrijf (felony), zoals een gewapende overval of inbraak.
Het doden is een middel (instrumentele agressie) om een ander doel te bereiken geld stelen of getuigen elimineren).
Hypothese van precaire mannelijkheid
Het idee dat mannelijkheid wordt gezien als een sociale status die moeilijk te verdienen is en makkelijk te verliezen.
Groepspolarisatie
Het proces waarbij de verschillen tussen groepen worden uitvergroot en de standpunten extremer worden.
Integratie
Een vorm van acculturatie waarbij een individu of groep zowel de eigen oorspronkelijke cultuur behoudt áls actieve relaties aangaat met de nieuwe/dominante cultuur.
Moraliteit
Verwijst naar het oordeel van mensen over goed en kwaad, eerlijkheid, schade, rechtvaardigheid en hoe individuen zich ten opzichte van elkaar zouden moeten gedragen.
Het sociale intuïtionistische model
De theorie dat morele oordelen primair voortkomen uit snelle, automatische emotionele intuïties. Het rationele denken komt pas achteraf om dat gevoel te rechtvaardigen.
Dubbele proces morele redenering
Morele oordelen zijn het resultaat van de interactie tussen emotionele impulsen en gecontroleerde redeneren.
Altruïsme
Op het belang van anderen gericht zijn.
Reciprook altruïsme
Je verwacht dat als jij iemand helpt dat de ander jou ook weer terug helpt.
Kin selection
Je helpt verwanten sneller.
Personal distress
Wij kunnen er slecht tegen om een ander te zien lijden dus daarom helpen wij.
Reciprociteit
Wederkerigheid: als jij iets doet voor mij, doe ik ook iets voor jou.
Diffusion of responsibility
Het verschijnsel waarbij de psychologische verantwoordelijkheid om te helpen wordt gedeeld over alle aanwezige omstanders.
Pluralistic ignorance
Mensen interpreten elkaars passiviteit verkeerd als een signaal dat hulp niet nodig is.
Prisoner's dilemma
Een sociaal dilemma waarbij twee partijen moeten kiezen tussen samenwerken (cooperation) of de ander verraden (defection).
Als beide partijen voor hun eigen korte-termijnwinst kiezen (verraden), eindigen ze allebei slechter dan wanneer ze elkaar hadden vertrouwd en hadden samengewerkt.
Zelfschema's
Mentale structuren die zijn opgebouwd uit ervaringen uit het verleden.
Situationisme
Idee dat ons gedrag evenveel of zelfs meer bepaald wordt door omgevingsfactoren dan door persoonlijkheidskenmerken.
Sociale vergelijkingstheorie
Het idee dat wij (onzekere mensen) over onze eigen vaardigheden en attitudes leren door onszelf te vergelijken met andere mensen.
Opwaartse vergelijking
Zichzelf vergelijken met anderen die beter presteren dan zichzelf.
Neerwaartse vergelijking
Sociale vergelijking met personen die slechter zijn op bepaalde aspecten.
Introspectie illusie
Cognitieve bias waarbij mensen ten onrechte geloven dat ze direct inzicht hebben in de oorsprong van hun eigen mentale processen (gevoelens, gedachten, keuzes).
Zelfstereotypering
Zichzelf eigenschappen toewijzen op grond van stereotypering van hun eigen groep.
Karaktertrek zelfrespect
Stabiel, langdurig gevoel van eigenwaarde
Toestand van zelfrespect
Zelfevaluaties van moment tot moment
Model van contingenties van eigenwaarde
Het zelfbeeld stijgt/daalt afhankelijk van domeinen die belangrijk zijn voor de persoon (uiterlijk, intelligentie etc.).
Sociometerhypothese
Zelfwaardering is afhankelijk van gevoel van acceptatie/afwijzing door een groep.
Subjectief zelfbewustzijn
Onbereflecteerd, meer gevoelsmatig, basis van normale activiteit, gemeenschappelijk met andere dieren.
Objectief zelfbewustzijn
Zelfreflectief, meer cognitief (zelfbeeld), gerichte activiteit, typisch menselijk.
Construal
Hoe wij denken dat anderen ons zien omdat wij hier geen directe toegang tot hebben.
Directe self-appraisal
Als mesen over zichzelf nadenken uit hun eigen perspectief, wordt de mediale prefrontale cortex (MPFC) actief.
Reflected self-appraisal
Jouw inschatting van hoe anderen jou zien en beoordelen, hier wordt de temporaal-pariëtale junctie (TPJ) actief.
Self-consistency/-verification
Behoefte aan bevestiging van zelfbeeld.