Gedrag en omgeving flashcards

0.0(0)
studied byStudied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
full-widthPodcast
1
Card Sorting

1/250

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Thema 1-6

Last updated 10:29 AM on 1/14/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

251 Terms

1
New cards

Naturalistic fallacy

De foutieve aanname dat wat "natuurlijk" is, ook automatisch "goed", "juist" of "moreel wenselijk" is. Alleen omdat iets een biologische oorsprong heeft, betekent niet dat we het als maatschappij moeten accepteren.

2
New cards

Culturalistic fallacy

De foutieve aanname dat gedrag volledig door cultuur en opvoeding wordt bepaald en dat biologie er helemaal niet toe doet.

3
New cards

Culturele overdracht

Het proces waarbij culturele normen, waarden, kennis en gedragingen worden doorgegeven van de ene generatie (of groep) op de andere.

4
New cards

Tight cultures

Mensen zijn gewend om zich te houden aan strenge regels.

5
New cards

Loose cultures

Mensen hebben meer de vrijheid om te doen wat ze zelf willen.

6
New cards

Etnocetriciteit in de psychologie

Onderzoeksresultaten uit één cultuur (vaak de westerse) worden onterecht gegeneraliseerd naar de hele wereldbevolking.

7
New cards

Hybridisatie

Het proces waarbij elementen uit twee of meer culturen worden gecombineerd tot een nieuwe, hybride identiteit of cultuuruiting.

8
New cards

Glocalisatie

Toenemende vermenging tussen globale en lokale leefwereld.

9
New cards

Ratched-effect

Het proces waarbij culturele informatie wordt doorgegeven aan de volgende generatie, die deze vervolgens verbetert en de nieuwe versie doorgeeft. Hierdoor groeit cultuur en wordt het steeds complexer.

10
New cards

Safety

Bescherming tegen directe, fysieke dreigingen of ongelukken vanuit de omgeving zoals extreem weer en ongelukken.

11
New cards

Security

De stabiele toestand waarin men zich beschermd voelt tegen opzettelijke dreigingen, vaak in een sociale of economische context zoals criminaliteit en terrorisme.

12
New cards

Veiligheidsklimaat

Attitudes rond veiligheid (stemming).

13
New cards

Veiligheidscultuur

Onderliggende waarden en aannames (persoonlijkheid).

14
New cards

Normalization of deviance

Normalisering van afwijzing van de norm ("niemand zet de stroom uit bij onderhoud")

15
New cards

Incubatietijd van ongelukken

De periode tussen het ontstaan van de eerste kleine afwijkingen/fouten en het uiteindelijke moment dat het ongeluk plaatsvindt. Tijdens deze fase stapelen onopgemerkte fouten, miscommunicaties en het negeren van veiligheidsprocedures zich op.

16
New cards

Workaround

Een bewuste methode van een medewerker om een officieel proces of een veiligheidsregel te omzeilen om een specifiek doel (meestal efficiëntie of snelheid) te bereiken.

17
New cards

Safety 1

Doen wat er gezegd wordt. Incidenten moten voorkomen worden. Daarom zijn er regels waar iedereen zich aan moet houden.

18
New cards

Safety 2

Meer sturing op eigen verantwoordelijkheid van werknemers. Er wordt vanuit gegaan dat regels niet altijd worden nageleefd (met goede redenen). Ook focus op wat er wel goed gaat.

19
New cards

Sociale cognitie

Verwijst naar hoe mensen denken over zichzelf, anderen en sociale situaties.

20
New cards

Heuristieken (vuistregel)

Een eenvoudige denkregel die wordt gebruikt om complexe problemen op te lossen of snelle oordelen te vellen.

21
New cards

Causale attributie

De manier waarop mensen verklaringen vinden voor de oorzaken van gebeurtenissen en gedragingen.

22
New cards

Interne (dispositionele) oorzaken

Eigenschappen, vaardigheden of motieven.

23
New cards

Externe (situationele) oorzaken

Geluk, omgeving of sociale druk.

24
New cards

Consensus (covariatiemodel)

Gedragen anderen zich op dezelfde manier?

Hoge waarde: de situatie kan hiertoe aanleiding geven.

25
New cards

Distinctiviteit (covariatiemodel)

Gedraagt deze persoon zich alleen in deze situatie zo?

Hoge waarde: situatie specifieke oorzaak

26
New cards

Consistentie (covariatiemodel)

Gedraagt de persoon zich altijd zo?

Hoge waarde: stabiele oorzaak (intern of extern)

27
New cards

Principe van discontering

We hechten minder waarde aan een specifieke oorzaak voor gedrag als er ook andere plausibele oorzaken aanwezig zijn.

(Bekende voetballer in een reclame die zegt dat je iets moet kopen, maar hij zegt dat omdat hij geld krijgt voor die reclame.)

28
New cards

Contrafeitelijk denken

Neiging om zich mogelijke alternatieve uitkomsten voor te stellen die zich niet voordeden.

Emotionele versterking: emoties zijn sterker wanneer een uitkomst bijna anders was geweest.

29
New cards

Actor-observer vertekening

De neiging om ons eigen gedrag toe te schrijven aan de situatie (externe attributie), terwijl we het gedrag van anderen toeschrijven aan hun karakter (interne attributie).

30
New cards

Self-serving bias

Eigen positieve gedrag komt door intern en eigen negatieve gedrag komt door extern.

31
New cards

Bottom-up verwerking

Je vormt een indruk door alleen te kijken naar de objectieve informatie die binnenkomt via je zintuigen.

Proces: Je begint bij de details en bouwt zo een beeld op, zonder dat je voorafgaande verwachtingen het proces sturen.

32
New cards

Top-down verwerking

Je interpreteert nieuwe informatie op basis van je bestaande kennis, verwachtingen, schema's en ervaringen.

Proces: Je brein "vult de gaten in" op basis van wat je al weet.

33
New cards

Base rate fallacy

Het negeren van informatie over hoe vaak iets werkelijk voorkomt in de populatie → representativiteit heuristiek

34
New cards

Counterfactuals

Gedachten over wat er gebeurd had kunnen zijn.

  • Opwaartse counterfactual: scenario beter dan de werkelijkheid.

  • Neerwaartse counterfactual: scenario slechter dan de werkelijkheid

35
New cards

Gemeenschappelijke relaties

Individuen voelen een speciale verantwoordelijkheid voor elkaar; voordelen worden gegeven op basis van behoeften, niet op basis van wederkerigheid (familie, hechte vriendschappen).

36
New cards

Uitwisselingsrelaties

Gebaseerd op gelijkheid en wederkerigheid, waarbij voordelen worden gegeven in de verwachting dat er een gelijkwaardige tegenprestatie wort geleverd (toevallige kennissen, collega's).

37
New cards

Sociale uitwisselingstheorie

Mensen streven ernaar om beloningen te maximaliseren en kosten te minimaliseren.

38
New cards

Equity Theory

De tevredenheid is het grootst wanneer de voordelen en bijdragen van beide partners in verhouding tot elkaar staan.

39
New cards

Festinger, Schachter & Back (nabijheid studie)

Bewoners die in de buurt van trappenhuizen of brievenbussen woonden, sloten meer vriendschappen vanwege de hogere ontmoetingsfrequentie.

40
New cards

Mere Exposure Effect (nabijheid studie)

Herhaalde blootstelling aan een persoon vergroot de sympathie, omdat vertrouwdheid comfort en een gevoel van veiligheid bevordert.

41
New cards

Functionele afstand (nabijheid studie)

Architectonisch ontwerp (indeling kantoor) kan ontmoetingen bevorderen of juist belemmeren, wat van invloed is op vriendschappen en teamwork.

42
New cards

Statusuitwisselingshypothese

Personen met een verschillende sociale status kunnen zich tot elkaar aangetrokken voelen als elk van hen iets te bieden heeft wat de ander mist (rijkdom vs schoonheid).

43
New cards

Genderbias

Aantrekkelijkheid heeft een grotere invloed op het leven van vrouwen dan op dat van mannen (oordeelsvorming, werkgelegenheid).

44
New cards

Kapitalisatie (versterkend gedrag voor een relatie)

Enthousiast reageren op goed nieuws van een partner versterkt de intimiteit.

45
New cards

Speelsheid (versterkend gedrag voor een relatie)

Samen lachen op opwindende activiteiten vernieuwen de aantrekkingskracht.

46
New cards

Idealisering

Een partner positiever zien dan hij of zij zichzelf ziet, voorspelt tevredenheid en stabiliteit.

47
New cards

Evolutionair perspectief emoties

Emoties zijn biologisch aangeboren en universeel.

48
New cards

Cultureel perspectief emoties

Emoties worden gevormd door culturele normen, waarden en uitingsregels.

49
New cards

Emotion codering

Het produceren van emotionele uitingen.

50
New cards

Emotion decoding

Interpretatie van uitingen

51
New cards

Affect waarderings theorie

Mensen hechten waarde aan emoties die culturele idealen weerspiegelen.

52
New cards

Wat doet oxytocine?

Komt vrij tijdens intimiteit, aanraking, borstvoeding en het aangaan van een bang. Het helpt sociale banden te versterken, maar elimineert vooroordelen tussen groepen niet.

53
New cards

Verzoening

Sociale harmonie wordt hersteld.

54
New cards

Emotionele belichaming

De theorie dat het begrijpen en ervaren van emoties afhankelijk is van het (onbewust) nabootsen van lichamelijke reacties die bij die emotie horen.

Om een emotie volledig te verwerken, "speelt" je lichaam de bijbehorende fysieke toestand na (zoals gezichtsuitdrukkingen of houding).

55
New cards

Broaden-and-build hypothesis

Positieve emoties zorgen voor open mindset en meer creativiteit, emoties bepalen daadwerkelijk hoe je naar de wereld kijkt.

56
New cards

Social intuitionist model of moral judgement

Morele oordelen vaak gebaseerd op 'gut feelings'.

57
New cards

Geluk

Tevredenheid met het leven en emotioneel welzijn.

58
New cards

Immune neglect

Onderschatting van veerkracht na negatieve gebeurtenissen.

59
New cards

Duration neglect

Wij kunnen slecht omgaan met tijd/duur (paar momenten waar je intens gelukkig ben is bepalender).

60
New cards

Focalisme

Overmatige focus op één aspect van een gebeurtenis (relatie hebben is niet belangrijker dan vrienden hebben).

61
New cards

Affectieve forecasting

Mensen zijn heel slecht in staat om te voorspellen wat hun nou gelukkig maakt.

62
New cards

Fundamentele attributiefout

Neiging om de mate waarin iemands gedrag wordt veroorzaakt door interne, dispositionele factoren te overschatten en de rol van externe, situationele factoren te onderschatten.

63
New cards

Vijandige agressie

Gedreven door woede met als doel schade aanbrengen (iemand slaan tijdens een ruzie).

64
New cards

Instrumentale agressie

Kwaad doen als middel om een doel te bereiken (oorlog, overval).

65
New cards

Dehumanisatie

De perceptie dat de anderen niet menselijk of 'submenselijk' zijn.

66
New cards

Objectivering (dehumanisatie)

Ontkennen van menselijke aard door slachtoffer als ding te zien.

67
New cards

Verdierlijking

Ontkennen van unieke menselijke kwaliteiten door slachtoffer als dier te zien.

68
New cards

Argument related murder

Moord die voortkomt uit een escalerende ruzie, belediging of conflict tussen mensen.

De emotie (vaak woede) is de drijfveer; het doel is de ander schade toebrengen (vijandige agressie).

69
New cards

Felony related murder

Moord die plaatsvindt tijdens het plegen van een ander misdrijf (felony), zoals een gewapende overval of inbraak.

Het doden is een middel (instrumentele agressie) om een ander doel te bereiken geld stelen of getuigen elimineren).

70
New cards

Hypothese van precaire mannelijkheid

Het idee dat mannelijkheid wordt gezien als een sociale status die moeilijk te verdienen is en makkelijk te verliezen.

71
New cards

Groepspolarisatie

Het proces waarbij de verschillen tussen groepen worden uitvergroot en de standpunten extremer worden.

72
New cards

Integratie

Een vorm van acculturatie waarbij een individu of groep zowel de eigen oorspronkelijke cultuur behoudt áls actieve relaties aangaat met de nieuwe/dominante cultuur.

73
New cards

Moraliteit

Verwijst naar het oordeel van mensen over goed en kwaad, eerlijkheid, schade, rechtvaardigheid en hoe individuen zich ten opzichte van elkaar zouden moeten gedragen.

74
New cards

Het sociale intuïtionistische model

De theorie dat morele oordelen primair voortkomen uit snelle, automatische emotionele intuïties. Het rationele denken komt pas achteraf om dat gevoel te rechtvaardigen.

75
New cards

Dubbele proces morele redenering

Morele oordelen zijn het resultaat van de interactie tussen emotionele impulsen en gecontroleerde redeneren.

76
New cards

Altruïsme

Op het belang van anderen gericht zijn.

77
New cards

Reciprook altruïsme

Je verwacht dat als jij iemand helpt dat de ander jou ook weer terug helpt.

78
New cards

Kin selection

Je helpt verwanten sneller.

79
New cards

Personal distress

Wij kunnen er slecht tegen om een ander te zien lijden dus daarom helpen wij.

80
New cards

Reciprociteit

Wederkerigheid: als jij iets doet voor mij, doe ik ook iets voor jou.

81
New cards

Diffusion of responsibility

Het verschijnsel waarbij de psychologische verantwoordelijkheid om te helpen wordt gedeeld over alle aanwezige omstanders.

82
New cards

Pluralistic ignorance

Mensen interpreten elkaars passiviteit verkeerd als een signaal dat hulp niet nodig is.

83
New cards

Prisoner's dilemma

Een sociaal dilemma waarbij twee partijen moeten kiezen tussen samenwerken (cooperation) of de ander verraden (defection).

Als beide partijen voor hun eigen korte-termijnwinst kiezen (verraden), eindigen ze allebei slechter dan wanneer ze elkaar hadden vertrouwd en hadden samengewerkt.

84
New cards

Zelfschema's

Mentale structuren die zijn opgebouwd uit ervaringen uit het verleden.

85
New cards

Situationisme

Idee dat ons gedrag evenveel of zelfs meer bepaald wordt door omgevingsfactoren dan door persoonlijkheidskenmerken.

86
New cards

Sociale vergelijkingstheorie

Het idee dat wij (onzekere mensen) over onze eigen vaardigheden en attitudes leren door onszelf te vergelijken met andere mensen.

87
New cards

Opwaartse vergelijking

Zichzelf vergelijken met anderen die beter presteren dan zichzelf.

88
New cards

Neerwaartse vergelijking

Sociale vergelijking met personen die slechter zijn op bepaalde aspecten.

89
New cards

Introspectie illusie

Cognitieve bias waarbij mensen ten onrechte geloven dat ze direct inzicht hebben in de oorsprong van hun eigen mentale processen (gevoelens, gedachten, keuzes).

90
New cards

Zelfstereotypering

Zichzelf eigenschappen toewijzen op grond van stereotypering van hun eigen groep.

91
New cards

Karaktertrek zelfrespect

Stabiel, langdurig gevoel van eigenwaarde

92
New cards

Toestand van zelfrespect

Zelfevaluaties van moment tot moment

93
New cards

Model van contingenties van eigenwaarde

Het zelfbeeld stijgt/daalt afhankelijk van domeinen die belangrijk zijn voor de persoon (uiterlijk, intelligentie etc.).

94
New cards

Sociometerhypothese

Zelfwaardering is afhankelijk van gevoel van acceptatie/afwijzing door een groep.

95
New cards

Subjectief zelfbewustzijn

Onbereflecteerd, meer gevoelsmatig, basis van normale activiteit, gemeenschappelijk met andere dieren.

96
New cards

Objectief zelfbewustzijn

Zelfreflectief, meer cognitief (zelfbeeld), gerichte activiteit, typisch menselijk.

97
New cards

Construal

Hoe wij denken dat anderen ons zien omdat wij hier geen directe toegang tot hebben.

98
New cards

Directe self-appraisal

Als mesen over zichzelf nadenken uit hun eigen perspectief, wordt de mediale prefrontale cortex (MPFC) actief.

99
New cards

Reflected self-appraisal

Jouw inschatting van hoe anderen jou zien en beoordelen, hier wordt de temporaal-pariëtale junctie (TPJ) actief.

100
New cards

Self-consistency/-verification

Behoefte aan bevestiging van zelfbeeld.