1/152
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Overzicht van het evenwichts
Input
Belangrijkste input (123)
Somatosensorisch systeem
proprioceptie en tast
Vestibulair orgaan
beweging
snelle bewegingen
Visueel systeem
onderscheiding van eigen beweging vs. omgeving
trage bewegingen
Auditief systeem
oriëntatie van waar geluid komt (en dus ook een beetje waar jij staat)
Graviceptoren
boven vs. onder (vallen/liggen …)
VESTIBULO-CEREBELLAIR
Motorische coördinatie
afstemmen van alle input op elkaar om vloeiende beweging te krijgen (cerebellaire ataxie als dit niet goed werkt)
Compensatie/adaptatie
uitvallen van 1 evenw. orgaan → herstellen van draaingen (cerebellaire compensatie)
Inhibitie
matigen van reacties (anders heel hevig)
Output
VESTIBULO-OCULAIR (reflexmatig (≤ hersenstam))
Blikstabilisatie tijdens hoofdbewegingen
Als je hoofd draait, draaien je ogen even snel in de tegengestelde richting
VESTIBULO-SPINAAL / VESTIBULO-CERVICAAL (reflexmatig (≤ hersenstam))
Posturale stabiliteit → kuiten en voetzolen belangrijk!
Hoofdcontrole → uitval bij CMV
VESTIBULO-SYMPATHISCH (reflexmatig (≤ hersenstam))
Hartritme, bloeddruk, autonome functies
VESTIBULO-(SUB)CORTICAAL (CENTRAAL (≥ hersenstam))
Ruimtelijke oriëntatie en navigatie
Perceptie van eigen bewegingen
Aandacht, geheugen en concentratie
Cognitie en emotie
Dag-/nachtritme
allemaal verschillende gebieden in brein
secundaire klachten even impactvol → meer aandacht voor nodig (nog niet echt het geval)
Werkt allemaal samen


BINNENOOR (LABYRINT)


VESTIBULAIR ORGAAN


VESTIBULAIR ORGAAN
bij ziekte van Meniere → endo en peri lymfe mixt

ENDOLYMFE-PERILYMFE
Endolymfe (veel K+ , weinig Na+ )
Productie: verschillende plaatsen in het vliezige labyrint (o.a. door de stria vascularis en donkere (dark) cellen)
Afgifte: ductus cochlearis => sacculus, utriculus en halfcirkelvormige kanalen
Resorptie: endolymfatische zak
Perilymfe (weinig K+ , veel Na+ ) → benige
Vergelijkbare samenstelling als cerebrospinaal vocht
Afgifte: perilymfatische ruimte (via vestibulair aqueduct in verbinding met subarachnoïdale ruimte rondom hersenen)
Productie en resorptie: ?
Menière
te veel aangemaakt of te weinig resorptie endolymfe → te veel druk → membraan scheurt → contact tss 2 vloeistoffen
= beschadigd HC → herstellen (deels) in enkele dagen → scheurt later weer
meer aanvallen = meer beschadiging
PRIKKELING VESTIBULAIR ORGAAN
Hoofdbeweging: angulaire versnelling → halfcirkelvormige kanalen
Hoofdbeweging: lineaire versnelling → sacculus & utriculus
Hoofdpositie: zwaartekracht
bv. Welke soort beweging heb je nodig voor een prikkeling van het vestibulaire orgaan? → versnellingen!
Detectie van versnellingen en zwaartekrachtveranderingen door gevoelige haarcellen

ANATOMIE HALFCIRKELVORMIGE KANALEN
Paarsgewijs georiënteerd; enkel gevoelig voor acceleraties in vlak van HCK
Elk kanaal is het meest sensitief voor een rotatie in het vlak van zijn oriëntatie
Horizontale kanalen liggen 30°boven het horizontale vlak!


ANATOMIE HALFCIRKELVORMIGE KANALEN (ampulla)
Ampulla
Crista ampullaris met sensorische haarcellen (type I & II)
Stereociliaen één kinocilium
Ingebed in cupula(gelatineuze massa)
Wanneer het hoofd een draaibeweging ondergaat, zal de cupula in de tegenovergestelde richting gaan afbuigen, wat resulteert in een afbuiging van de trilharen


ANATOMIE OTOLIETORGANEN
Vorm & Structuur:
Sacculus: S-vormige macula
Utriculus: U-vormige macula
Niet perfect vlak → gevoelig voor lineaire acceleraties in meerdere richtingen
Ook enigszins gevoelig voor rotaties (centrifugale kracht)
Celstructuur:
Haarcellen (type I & II) + steuncellen
Stereocilia + 1 kinocilium
Gelatineuze massa (otolietenmembraan)
Otolieten = calciumcarbonaatkristallen
Functie:
Utriculus:
Naso-occipitale & interaurale versnellingen (horizontaal)
Hoofdtilt
Polariteit: naar striola toe
Sacculus:
Verticale versnellingen
Zwaartekracht
Polariteit: van striola weg
Polariteit verandert rond striola!
Principe:
Push-pull: depolarisatie aan één zijde ↔ hyperpolarisatie aan andere zijde
Lineaire versnelling → zware otolietenmembraan blijft achter → trilharen buigen → prikkeling zenuwvezels


HAARCELLEN: 2 TYPES
Dwarsdoorsnedevan het vestibulair zintuigepitheel
Type 1 sensorischecel
Flesvormig
Type 2 sensorischecel
Cilindrisch
Steuncellen
Celkern
Stereociliën (50 tal) en kinocilium (1)

GEPOLARISEERDE HAARCELLEN
MECHANISCHE ENERGIE (afbuiging trilharen) → BIO-ELEKTRISCHE PRIKKELING van de vestibulaire zenuwvezels
Afbuiging weg van kinocilium = hyperpolarisatie (negatief)
geen buiging → Rustpotentiaal (± 100 spikes/sec)
Afbuiging in richting kinocilium = depolarisatie positief

FYSIOLOGIE HALFCIRKELVORMIGE KANALEN
Beweging van het hoofd (angulaire acceleratie) in één bepaalde richting => endolymfe(EL) blijft achter (massatraagheid/inertie) => EL-stroom in de tegenovergestelde richting => afbuiging cupula door kracht EL-stroom => prikkeling van de vestibulaire zenuw
1e wet van Ewald: Stimulatie HCK => oogbeweging in vlak gestimuleerde HCK en in de richting van de EL-stroming

1e wet van Ewald
Als een HC-kanaal geprikkeld wordt, bewegen je ogen in hetzelfde vlak als dat kanaal en in de richting van de endolymfestroom.
2de en 3de wet van ewald
Petale = naar (ampullopetaal = naar ampulla)
Fugaal = weg (ampullofugaal = van ampulla weg)
Horizontale kanalen
Kinocilium: aan zijde van utriculus
Ampullopetaal stroming → DEPOLARISATIE
Ampullofugaal stroming → HYPERPOLARISATIE
2de wet van Ewald:
Horizontale kanalen → AP-stroming (depolarisatie) geeft sterkere stimulatie dan AF
Verticale kanalen (anterieur & posterieur)
Kinocilium: weg van utriculus
Ampullofugaal stroming → DEPOLARISATIE
Ampullopetaal stroming → HYPERPOLARISATIE
3de wet van Ewald:
Verticale kanalen → AF-stroming (depolarisatie) geeft sterkere stimulatie dan AP
Principe:
Positieve prikkeling (depolarisatie) → grotere stimulatie
Basis voor HIT en andere vestibulaire testen.

PUSH-PULL PRINCIPE
Halfcirkelvormige kanalen
Stimulatie (excitatie) één kanaal
Depolarisatie => ontladingsfrequentie HC stijgt
Inhibitie contralateraal gepaarde kanaal
Hyperpolarisatie => ontladingsfrequentie HC daalt
wanneer een kanaal langs één zijde een positieve of excitatoire prikkel krijgt (depolarisatie) zal het contralateraal gepaarde kanaal een negatieve of inhibitoire impuls krijgen (hyperpolarisatie)

DEPOLARISATIE - HYPERPOLARISATIE
In rust staan slechts 15% van de kanalen open
Hyperpolarisatie: enkel openstaande kanalen kunnen sluiten (max van 100 naar 0 nooit onder 0)
=> 15% kunnen sluiten, 85% kunnen open
Relevantie 2de en 3de wet van Ewald:
Unilaterale vestibulaire uitval en rotatie naar aangetaste zijde => oogbeweging enkel gebaseerd op beperkte hyperpolarisatie
=> Basisprincipe hoofd impuls test (HIT) (probleem L of R?)

FYSIOLOGIE OTOLIETORGANEN
lineaire versnellingen = zware otolietenmembraan achterop blijft, waardoor de trilharen afbuigen en er prikkeling van de zenuwvezels ontstaat

BEPERKING OTOLIETORGANEN
Otolietorganen: geen onderscheid tussen tilt, rotatie en translatie
Kanalensysteem: onderscheid tussen tilt en translatie bij frequenties > 0.1 Hz
Visueel & somatosensorisch systeem: detectie constante lineaire acceleratie en tilt perceptie in de lage frequenties
PUSH-PULL PRINCIPE ▪ Otolietorganen
Binnen elke macula twee gebieden met tegengestelde polarisatie, gescheiden door striola
Depolarisatie twee maculaire helften en hyperpolarisatie andere helften

FYSIOLOGIE VESTIBULAIR SYSTEEM
Haarcellen = biologische sensoren.
Transformeren mechanische energie (afbuiging stereocilia) → bio-elektrische prikkeling van vestibulaire zenuwvezels.
Ontladingsfrequentie ↑ of ↓ → informatie over evenwicht naar hersenen.
Innervatie:
Geïnnerveerd door afferente neuronen (cellichaam in Scarpa’s ganglion).
Afferente vezels → gegroepeerd in superieure en inferieure component.
Projectie naar vestibulaire kernen + cerebellum.
VESTIBULAIRE AFFERENTEN
HAUSSPI
Horizontaal kanaal
Anterieur kanaal
Utricukus
Superieure vestibulaire zenuw
Sacculus
Posterieur kanaal
Inferieure vestibulaire zenuw


BLOEDVOORZIENING
Basilarisarterie: hoofdader pons
Anterior inferior cerebellar artery (AICA)
Tak van a. basilaris
Bloedvoorziening van:
Perifeer vestibulair systeem (enige bron!)
Deel cerebellum
Deel pons
Posterior inferior cerebellar artery (PICA)
Tak van a. vertebralis
Meest belangrijk voor centraal VS:
Deel cerebellum
Dorsolaterale medulla
Inferieur deel vestibulaire kernen
centraal probleem = zal vaak extra problemen hebben (tenzij zeeeer geisoleerde hersenbloeding)

VESTIBULO-OCULAIRE REFLEX (VOR)
Stabiele blik via compenserende oogbewegingen (vestibulo-oculaire reflex + optokinetische reflex) = blikstabilisatie

VESTIBULOSPINALE/CERVICALE REFLEX (VSR/VCR)
posturale controle
Hoofdcontrole (vestibulo-cervicale banen)
Basis voor andere grofmotorische mijlpalen (vb. reiken & grijpen)
Posturale stabiliteit (vestibulo-spinale banen)
statisch en dynamisch
SENSORISCH CONFLICT
Inadequate verwerking van sensorische input tgv verlies aan informatie of tegenstrijdige informatie (input-output-centraal) →Oorzaak centraal en/of perifeer ▪
Acuut unilaterale uitval of fluctuerende functie (neuronitis vestibularis, ziekte van Ménière, …)
Acute ernstige vertigo (+ nystagmus), nausea, vallen en instabiliteit
→ CENTRALE COMPENSATIE
Traag/chronisch unilateraal verlies (vestibulair schwannoom, ouderdom, …)
Geen vertigo of nystagmus, wel instabiliteit
w minder snel opgemerkt!
ADAPTATIE (vestibulaire restfunctie)
Acuut/chronisch bilaterale uitval
Geen vertigo of nystagmus (want zou je een verschil nodig vr moeten hebben), ernstige instabiliteit, ataxie, oscillopsia (dansend zicht), intolerantie voor snelle hoofdbewegingen, neurovegetatieve symptomen
ADAPTATIE (vestibulaire restfunctie)
SUBSTITUTIE (geen vestibulaire restfunctie)
CENTRALE COMPENSATIE
alleen optreden wanneer de oorzaak van het conflict zich voordoet op perifeer niveau!
Normaal: Beide vestibulaire kernen krijgen gelijke input van linker en rechter labyrint → balans.
Bij unilaterale uitval:
Eén zijde geeft geen excitatie → asymmetrie in activiteit van vestibulaire kernen.
Gezonde zijde: toegenome ontladingsfrequentie want contralaterale inhibitie valt weg
Aangedane zijde: sterk verlaagd of nul.
Contralaterale kern blijft actief = assymetrie = acuut sensorisch conflict → spontane nystagmus naar gezonde zijde + klachten (vertigo, misselijkheid
Cerebellaire inhibitie
Het cerebellum onderdrukt de overactiviteit van de gezonde zijde.
Hierdoor vermindert de asymmetrie → nystagmus en vertigo nemen af.
Belangrijk: perifere functie is nog steeds weg, maar centrale remming zorgt voor minder klachten
Compensatie
Nieuwe neuronen en synapsen ontstaan (neuroplasticiteit).
Herprogrammering in vestibulaire kernen → tonische activiteit wordt opnieuw in balans gebracht.
Resultaat: geen spontane nystagmus meer, geen draaierigheid in rust.
MAAR: snelle hoofdbewegingen blijven problematisch → retinale slip → wazig zicht → risico op vallen.

IMPACT VESTIBULAIRE DYSFUNCTIE
Verlies aan SNELHEID
Beperkt dynamisch zicht (w wazig bij grote snelheid)
(Angst om te) vallen (/bewegen)
Verlies aan AUTOMATISATIE
Visueel afhankelijk => visuele vertigo
Cognitieve load
Constant anticipatie vereist om niet te vallen
Verstoorde dubbeltaken
Vermoeidheid
Agorafobie → cyclus van angst
Oplossing is bewegen -> gewoon worden + nieuwe signalen/synapsen
(niet onderschatten visueel gedeelte, bv bus, supermarkt etc)

ONDERZOEK VERTIGO PATIËNTEN
Anamnese
̶ Klinisch onderzoek
Bedside testing
Screening (SUBJECTIEF)
Identificatie mogelijke diagnose
Beslissing tot verder vestibulair laboratorium onderzoek
Laboratorium onderzoek
OBJECTIEVE registratieen kwantificatievan vestibulaire output responsen
Bevestiging of identificatie diagnose
Specificatievan de uitgebreidheid, locatieen zijdevan de vestibulaire pathologie
Follow up van centraal en/of perifere herstelprocessen
ook testen die bedside en uitgebreider kunnen gebeuren
SO STONED
15min per patient vaak (te weinig eig)
symptomen: vragen → geen woorden in de mond steken ‘ben je duizelig’ ‘ja’ → zo niet, (ijlhoofdig is licht in u hoofd)
laterupulsie → naar 1 kant vallen/duwen
om de hoeveel tijd?
dageijks → BPPV (losse otolieten) (zeker met trigger hoofdbeweging)
1 keer → neuritis vestibularis (1-5 dagnen constant draaien)
onregelmatig → Meniere
contant→ vertigo kan niet!; onstabiel wel
sinds → vallen → na of voor / oorzzak gevolg (ben je gevallen en dan draaierig of was je draaierig waardoor je gevallen bent), of bv na op een boot, of na een giep etc, operatie (bv CI)
Trigger
bv omdraaien in bed (bbpv), auto/vliegen
niezen/snuiten → sommige mensen deeltje van benig kanaal open of vleizig → gevoelig aan drukveranderingen → en dus endolymfe stroomt = draaingen (worden ook heel gevoelig aan geluid bv ogen horen draaien)
random → vaak Meniere
Otologie
belangrijkste: tinnitus, gehoorverlies, vol gevoel → altijd aanwezig of enkel wnr je ook draait? (samen is vaak Meniere)
Neurologie
hoofdpijn/migrianr → vetsibuaire migaine
dubbelzien/spraak problemen → doorsturen nr neurologie
fono en fotophobie → vestibulaire migraine
hyperventelatie → zenuw tegen de aica of pica of een tumor→ wrijving = beschadigd myeline schede (vaak met hoofbeweging EN bij vragen om te hyperventileren krijg je ook nystagmus)
Evolutie
verbeteren → lymfe
ups and downs
status quo → ontsteking w niet alijd genezen
Slechter→ aanpassing van de beweging zodat ze geen klachten krijgen → geen aanpassing mogelijk van vestibulair systeem → negatieve spiraal
Duur
seconden → bppv, zenuw en bloedvat, open kanaal
minuten → vest migraine, 20min → meniere
uren→ meniere, migraine
…
Belangrijke om te differentieren → trigger, duur, om de hoeveel tijd
BELANGRIJK

ONDERZOEK OOGBEWEGINGEN
Testafname in volledige duisternis om invloed van visuele fixatie uit te sluiten
Visuele inspectie (Frenzel bril) → troebel glas om visuele fixatie tegen te gaan
Electronystagmografie (ENG)
Infrarood oculografie (IROG)
Videonystagmografie (VNG)

ELECTRONYSTAGMOGRAFIE (ENG)
Objectieve meting van oogbewegingen door
veranderingen in corneo-retinale potentiaal (CRP)
teregistreren
Huidelektrodes
ENG moet uitgevoerd worden in volledige duisternis
Oog: dipool → cornea retina potentiaal
CRP is lichtgevoelig (fotoreceptoren retina)
̶ Licht: CRP is hoger
Donker: CRP lager → maar zal traag dalen
DUS Belangrijk patiënt aan de duisternis te laten
wennen (5 min)
signaal omhoog → oog beweging naar boven of naar rects
Signaal omlaag → oogbeweging naar beneden of naar links
Waarom? zie foto (nr links zit positieve deel oog tegen negatieve elektrode)

ENG: ELEKTRODEPLAATSING
Voorbereiding huid:
Ontvetten met ether
Ruw maken met impedantie-verlagende, schurende (abrasieve) gel
Opmerkingen:
Bij gedysconjugeerde oogbewegingen of onvoldoende retinale doorbloeding (bv. blind aan één kant) → enkel rechter of linker oog registreren.
Meestal wordt linker opstelling gebruikt.
Principe:
Geconjugeerde horizontale oogbeweging → beide ogen bewegen gelijk → één oog meten volstaat.
Alternatief: beide ogen apart meten (rechter opstelling) of optellen voor grotere, duidelijkere potentialen.
Elektrodeplaatsing:
Links van linker oog = negatief.
Rechts van rechteroog = positief.
Aarding: boven = positief, onder = negatief.
Zo dicht mogelijk bij het oog en op gelijke afstanden!

ENG: CALIBRATIE
Geen test opzich maar manier om resulttaten van testen op te meten
Saccade van +/- 10°amplitude
Amplitude inputsignaal scherm (graden) ~ amplitude outputsignaal PC (mV)
Hypometrische of hypermetrische saccades (eerste hoekske is te groot of klein) → in verticaal is da normaal, je overschiet MAAR in horizontaal => calibratiefout OF pathologisch
Regelmatig hercalibreren (zeker voorelke calorische irrigatie)
Lichtcondities (kunnen veranderen), elektrode-huid contact (zweet
lichtpuntje beweegt van r naar l (saccade) → checken of ogen hetzelfde doen als het lichtpuntje
Eng voor en nadelen
Voordelen:
Beperkt last van artefacten door knipperen
Relatief snel (>150 Hz)
Robuust & makkelijk aan te brengen
Niet-invasief
Meting mogelijk bij ogen open of gesloten
Nadelen:
Verticale oogbewegingen niet betrouwbaar
Moeilijk onderscheid tussen knippers en verticale oogbeweging
Artefacten door ooglidbewegingen, knippers, spieractiviteit
Enkel monitoring (geen precieze rotatiemetingen)
Torsionele oogbewegingen niet meetbaar
Herhaaldelijk hercalibreren nodig
Afhankelijk van lichtcondities & huidweerstand
Beperkt gebruik bij retinale problematiek
Alleen elektroden → niet zichtbaar of ogen open/gesloten
VIDEONYSTAGMOGRAFIE (VNG)
Objectieve meting van oogbewegingen ahv infrarood (IR) cameras ingebouwd in videobril
Centrum pupil als referentie
Computer image-processing algoritmes

VNG: CALIBRATIE
Geometrischecalibratie
Meting diameter iris en vergelijken met systeemnormen
Elke oogbeweging tov centrum pupil kan gemeten worden
Gebaseerd op actuele diameter iris => minder accuraat
Visuelecalibratie
Bewegend visueel object volgen
Saccades +/- 10°amplitude
Smooth pursuit (gladde oogvolgbeweging)
VNG: VOORDELEN NADELEN
Voordeln
Horizontale en verticale oogbewegingen
(2D)
Torsionele oogbewegingen (3D) → zien maar wel specifieke apparatuur nodig om ze te meten
Kwalitatief onderzoek (zien van oog)
Beperkte artefacten tgv myogene activiteit
Niet invasief
Video-opnames kunnen nadien nogmaals
bekeken en geanalyseerd worden
Hercalibratie niet nodig
Niet gevoelig voor lichtveranderingen
Nadelen
Ogen moeten geopend zijn (ouderen,
kinderen)
Oogknippers
Plaatsing bril (vaak groot vr kids)
Traag (max 50Hz) → zal wel al verbeterd zijn
Max duur testafname 30-45 min (druk bril)
MAGNETIC SCLERAL SEARCH COIL (MSSC)
Voordelen
Perfecte registratie horizontale, verticale en torsionele oogbewegingen
Nadelen
Invasief wegens inbrengen lens
NYSTAGMUSONDERZOEK
Stap 1: Spontane oogbewegingen checken
Patiënt zit stil, zonder bewegen.
Fixatiepunten:
Centraal
30° links en rechts (>30° → end-point nystagmus mogelijk)
15° boven en onder
(Let op: iedereen kan nystagmus krijgen bij extreme blikhoeken)
Testcondities:
Volledig duister: spontane nystagmus zichtbaar (fixatie weg).
Schemerduister: fixatie aanwezig → blikrichtingsnystagmus beoordelen.
Alertheid cruciaal: cognitieve taak (bv. “Doe eens 12×13”).
Doel:
Rudimentaire lokalisatie:
Perifeer vs centraal vestibulair probleem.
Perifere vs centrale nystagmus
Normaal: niet aanwezig
Perifeer
Locatie: evenwichtsorgaan zelf of vestibulaire zenuw.
Kenmerken:
Combinatie van horizontale (meest uitgesproken), torsionele en soms verticale oogbewegingen.
Onderdrukbaar bij fixatie (lichtpuntje) → visuele input kan het vestibulaire signaal overrulen.
Waarom? 3 inputs (visus, vestibulair, proprioceptie) → bij perifere uitval kan visuele input compenseren.
Vaste richting: in midden- en blikposities altijd naar dezelfde kant.
Intensiteit verandert bij blikrichting (Wet van Alexander).
Altijd geconjugeerde oogbewegingen.
Geen exponentieel verval van trage fase.
Golfvorm: zaagtandpatroon.
Centraal
Locatie: hersenstam, cerebellum.
Kenmerken:
Kan zuiver torsioneel, verticaal of horizontaal zijn.
Niet onderdrukbaar bij fixatie → probleem blijft ondanks visuele input
Bidirectioneel: richting verandert bij blikrichting (bv. naar R kijken → nystagmus naar L, en omgekeerd)
Dit is nooit perifeer!
Oogbewegingen kunnen gedisconjugeerd zijn
Exponentieel verval van trage fase
Golfvorm: paraboolachtig
BELANGRIJK!!!

PERIFERE NYSTAGMUS: WET VAN ALEXANDER
1ste graad nystagmus
Enkel bij blik in de richting van de snelle
nystagmusfase → of harder
2de graad nystagmus
In centrale positie en bij blik in de richting
van de snelle nystagmusfase
3de graad nystagmus
Bij centrale blik en in beide blikrichtingen
bij cereprale compensate ga je door de 3 fasen
opletten plaatsen in patient voor L en R heé!! → nyst benoemen adhv zijn snelle fase

CENTRALE NYSTAGMUS

BESLISSINGSSCHEMA

INTERPRETATIE NYSTAGMUS
Golfvorm:
Jerk nystagmus:
Snelle + trage fase → bifasisch.
Pendulaire nystagmus:
Gelijke snelheid beide richtingen → sinusoïdaal.
Wijst op centrale (niet-vestibulaire) oculaire stoornis.
Richting:
Links / Rechts (vanuit patiëntstandpunt).
Boven / Onder.
Rotatie: horaire (met klok) of antihoraire (tegen klok) (vanuit jouw standpunt).
Intensiteit
Amplitude: snelheid trage fase = Slow Component Velocity (SCV)
>7°/s =pathologisch
Frequentie: aantal nystagmusslagen
7°/s maar slechts enkele slagen → minder relevant.
<7°/s maar zeer regelmatig → verdacht
Spontane nystagmus moet consistent aanwezig zijn tijdens ENG.
Enkel SN op één onderdeel → niet betrouwbaar

ENDPOINT NYSTAGMUS
Langdurig (> 30s) extreme deviatie (> 20-30 °) - is normal om eens een nystagmusslag hebt
# Nystagmusslagen
Vertico-torsionele nystagmus
Bidirectioneel
Zowel in lichtals in donker
=>> NIET perifeer
=>> NIET pathologisch
=> fysiologische en dus normaal
Maar as je zegt kijk eens wat minder ver → en nog steeds aanwezig → dan wel pathologisch (wrs centraal)
BLIKRICHTINGSNYSTAGMUS – GAZE EVOKED NYSTAGMUS
→ enkel aanwezig bij fixatie of specifieke blikrichtingen
Hersenstam aandoeningen
Cerebellaireaandoeningen
Oculairespier vermoeidheid
Congenitale nystagmus
Medicatie
GAZE-EVOKED NYSTAGMUS (brun, rebound
uitzonderingen!
Brun’s nystagmus (cerebellaireletsels)
Naar rechts kijken: nystagmus naar rechts ;
Naar links kijken: nystagmus naar links
Asymmetrisch: nystagmus in derichting
van het letsel is heviger
Rebound nystagmus (hersenstam of cerebellaireletsels)
Horizontale nystagmus die bij refixatie naar de middenpositievan richting verandert
Uitdoving of richtingsverandering van een gaze-evoked nystagmus bij een aangehouden oculaire deviatie
Zeer kleine nystagmusslagen
kijk nr links → terug nr midden (richting vernadering plots) etc

GAZE-EVOKED NYSTAGMUS - infantiel
Congenitale nystagmus of infantiele nystagmus
Excentrieke oogbewegingen waar patiënt zelf geen
last van ondervindt
Nystagmus is bijnaaltijd horizontaal of rotatoir, maar
zeer onregelmatig
Omni -of bidirectioneel, onverwachte omkering
Nystagmus bij opwaartse gaze is virtueelaltijd horizontaal, niet verticaal
Convergentie: nystagmus daalt (vinger volgen naar jezelf toe)
Divergentie: nystagmus stijgt (vinger volgen van jezelf weg)
Null point: dode zone (een punt waar nystagmus weg is)
Oorzaak: visuele of oculomotore
abnormaliteit

OCULOMOTORE TESTBATTERIJ
Beide systemen interageren met elkaar voor blikstabilisatie
Evaluatie vestibulaire functies via VOR => enkel mogelijk met normale oculomotore functie
Oculomotore abnormaliteiten kunnen eerste teken zijn van een neurologische pathologie

Blikstabiliserende Oogbewegingen
Beelden stabiel houden op de retina tijdens beweging.
Kritieke grens: > 2–3°/s → risico op dubbelzicht
Vestibulo-oculaire reflex (VOR):
Compenseert kortdurende hoofdbewegingen.
Werkt op basis van input uit het vestibulaire systeem.
Optokinetische reflex (OKR):
Compenseert langdurige hoofdbewegingen.
Gebaseerd op visuele input (bewegende omgeving).
Blikrichtingswijzigende Oogbewegingen
Blikrichting wijzigen om gewenste beelden op de fovea te projecteren.
Fovea = centrale punt op retina → enige plaats voor scherp zicht.
Typen oogbewegingen:
Saccadische oogvolgbewegingen:
Snelle oogbewegingen.
Voor snelle verplaatsing van blik naar nieuw doel.
Smooth pursuit oogvolgbewegingen:
Trage oogbewegingen.
Volgen van langzaam bewegende objecten.

fixatie, snelle fase en vergentiebewegingen
Visuele fixatie:
Houdt beelden van een klein bewegend target op de fovea.
Snelle fase van nystagmus (herstelsaccade):
Zet ogen snel terug naar middenpositie.
Bereidt voor op volgende visuele scène.
Vergentiebewegingen:
Ogen bewegen in tegengestelde richtingen.
Doel: beelden van één object simultaan op beide fovea’s projecteren.
Convergentie: ogen naar binnen (dichtbij object).
Divergentie: ogen naar buiten (veraf object).
SACCADE TEST
Viueel gestuurd → hoof beweegt niet
DOEL: nagaan hoe snel en accuraat een persoon een nieuw object kan fixeren
AFNAME: Patiënt fixeert achtereenvolgens linker en rechter wijsvinger van de onderzoeker of
twee lichtpuntjes op scherm, ZONDER hoofd te bewegen
Uitwijking van vb 10° rechts en 10° links van het midden
Frequentie en amplitude kan vast of random zijn
Willekeurig (zelf beslissen) of reflexief
RESPONSPARAMETERS SACCADEN
norm waarden niet vanbuiten kennen! krijg je tabel van
Max velocity =snlheid
morfologie!!!!!! → belangrijkste
Latentie (ms)
Snelheid (°/s)
Accuraatheid (%)
Morfologie
Target dev (%) 77-120
Latency (ms) < 260
Max Vel (°/s)> 178
bv bovenste → geen uitscgietende saccaden

INTERPRETATIE SACCADEN
Normaal: fixatie in één vloeiende beweging
Vertraagde latentie: cortex of hersenstam
Te trage saccades: hersenstam, intoxicaties
Inaccurate saccades: cerebellum
Hypometrischesaccades (undershoot)
Hypermetrischesaccades (overshoot) zie die figuur vanonder
CAVE! Inadequate calibratie → opnieuw doen!
!!Concentratiestoornissen, Leeftijd (oudere), Medicatie (slaperigheid)!!!
uitschietnde saccaden

SMOOTH PURSUIT TEST
DOEL: blik stabilisatie tijdens kijken naar bewegende objecten binnen het visuele veld
AFNAME: Patiënt volgt een object (vinger of lichtpuntje) dat langzaam heen en weer beweegt, ZONDER hoofd te bewegen
Snelheid en amplitude kunnen aangepast worden
Saturatie voor target snelheden > 50°/s => saccades
Oculair patroon is een trage, gladde oogvolgbeweging
naar boven (boven as maar met oenemende en afnemende snelheid)= R, naar onder (dus onder as) = L

RESPONSPARAMETERS SMOOTH PURSUIT
Gain (%)
Amplitude van oogbeweging t.o.v. stimulus (puntje).
Optimaal: 100% (ogen volgen exact).
Fase (°)
Hoeveel faseverschil tussen oogbeweging en stimulusbeweging.
Normaal: ogen bewegen tegengesteld → fase ≈ 180° (faseverschil = 0°).
Asymmetrie (%)
Vergelijking van respons links vs rechts.
Morfologie
Kijk naar vorm van de sinusgolf (geen artefacten, vloeiend).
Richting:
Naar boven (boven as) = rechts
Naar onder (onder as) = links
(Altijd normen op eigen blad gebruiken, niet enkel grafiek!)

INTEPRETATIE SMOOTH PURSUIT
blikwijzigende oogbewegingen
Normaal: intacte (goeie morfologie) beweging
naar links en rechts
Gestoorde smooth pursuit
Haperend, gedisconjugeerd, asymmetrisch
Centrale oorzaak (hersenstam, cerebellair,
cerebraal corticaal)
Spontane nystagmus met gestoorde oogvolgbeweging in de richting vd snelle fase → kunnen deze testen verstoren!
Gaze evoked nystagmus
!!Concentratiestoornissen, Leeftijd, Medicatie!!!

OPTOKINETISCHE TEST
DOEL: stabilisatie van een volledig visueel gezichtsveld met normaal vestibulaire nystagmus
tijdens langdurige (in licht) of trage hoofdrotaties
AFNAME: Een zo groot mogelijk bewegend beeld wordt aan de patiënt aangeboden, opdat deze het gevoel zou krijgen zelf te bewegen
Full field stimulus
Verticale strepen, sterrenpatroon, stippen patroon
Variabele snelheid en richting
Vergelijkbare test als smooth pursuit, maar oogbewegingen hier uitgelokt door full field stimulus
AFNAME OPTOKINETISCHE TEST
̶ In het algemeen is er geen instructie omdat de stimulus voldoende sterk is zodat de patiënt adequaat volgt
̶ Eventueel wordt gezegd om niet te staren! → dat is fixatie!

RESPONSPARAMETERS OPTOKINETIEK
Waarom nystagmus? → Ogen kunnen niet onbeperkt draaien → trage fase + snelle fase
Visueel gestuurd of vestibulair → zorgt voor stabiel beeld.
Richting van snelle fase = benoemen (beter zichtbaar)
Parameters:
Snelheid (°/s)
Symmetrie (%)
Morfologie
SCV = Slow Component Velocity (snelheid trage fase).
NP = Nystagmus Preponderantie (asymmetrie).
Voorbeeld: SCV 35% sneller naar rechts → nystagmus naar links (richting = snelle fase!)

INTERPRETATIE OPTOKINETIEK
Normaal: gladde oogbeweging in de richting van
het bewegend beeld, onderbroken door
terugslagsaccades (snelle nystagmusslagen)
Let op asymmetrie (links/rechts)
Spontane nystagmus
Centrale pathologie (hersenstam, cerebellair,
cerebraal corticaal)
!!Concentratiestoornissen
Leeftijd
Medicatie!!!

INTERPRETATIE OCULOMOTORE TESTBATTERIJ
̶ 1 test afwijkend: weinig waarschijnlijkernstig
̶ 2 testen afwijkend: mogelijk ernstig
̶ 3 testen afwijkend: ernstig
=> Centrale pathologie̶
Andere factoren die aanleiding geven tot oculomotore abnormaliteiten:
Leeftijd, alcohol, medicatie, aandacht, visuele stoornissen
Evt test herhalen en opdracht herformuleren
VERSCHILLENDE SOORTEN VOR
VOR uitgelokt na prikkeling HCK
Angulaire VOR (aVOR)
VOR uitgelokt na prikkeling otolietorganen
Lineaire VOR (lVOR)
Lineaire acceleraties => translationele lVOR
Verandering hoofdpositie tov zwaartekracht => tilt lVOR of ocular counterrolling
DIX HALLPIKE TEST + ROLL TEST
Onderzoek van de VOR na prikkeling van de HCK door
positieveranderingen
INTERPRETATIE
Typische nystagmus BPPV post SCC (upbeating rotatoir)
Typische nystagmus BPPV hor SCC (horizontaal)
Atypische nystagmus => perifeer/centraal
Positioneringstest = Dix Hallpiketest
Positietest = Roll test̶ Normaal: stabiele ogen

HEAD SHAKE TEST (HST)
Detectie latente spontane nystagmus (hij is er nog maar niet meer zeer duidelijk te zien)
AFNAME: Patiënt zit neer en het hoofd wordt snel (> 1 Hz) tien tot twintig maal van links naar
rechts geschud en vervolgens plotseling gestopt.
PRINCIPE: symmetrische input =>normaal symmetrische output
INTERPRETATIE na stop
Normaal of symmetrisch bilaterale hypofunctie
Geen nystagmus
Abnormaal (unilaterale hypofunctie)
Nystagmus (horizontaal/verticaal): asymmetrie tussen beide perifere systemen en/of centraal probleem (velocity storage mechanisme)
Meestal naar gezonde zijde
HYPERVENTILATIETEST
Hyperventilatie
Primaire oorzaak: vestibulair probleem → duizeligheid/lichthoofdigheid
Secundair: angststoornissen
Fysiologie: Hoog O₂, laag CO₂ + Constrictie cerebrale bloedvaten → ↓ cerebrale doorstroming
Symptomen:
Lichthoofdigheid, Borstpijn, Gevoelloosheid & tintelingen (handen, mond)
Afname: 20× diep in- en uitademen
Interpretatie:
Horizontale nystagmus → naar gezonde zijde
Perifeer: vestibulair schwannoom, acousticus neurinoom, cholesteatoom, perilymfatische fistel
Centraal: bv. multiple sclerose
Verticale downbeat nystagmus → centraal cerebellair
Vestibulaire paroxysmie
→ Zeer gevoelig aan CO₂/O₂-veranderingen
VALSALVA EN TULLIO TEST
DOEL: detectie perilymfatischefistel (PF) of superieure kanaal dehiscentie(SCD)
̶ AFNAME:
Hennebert test (fisteltest): positieve en negatieve drukveranderingen thv trommevlies
(tympanometrie of Pollitzer balloon)
Valsalva maneuver: drukstijging in hoofd door uitademing tegen gesloten mond en neusgaten
(stijging middenoordruk via buis van Eustachius)
Tullio test: stimulatie met luide geluiden in oor
INTERPRETATIE: Kijken naar oogbewegingen
PF: horizontale nystagmus in de richting van de zijde met de fistel
SCD: rotatoire downbeating nystagmus
Stappen als iemand binen komt
spontane ogbewegigen?
eventueel een motore (links rechts)
positietesten → soms duidelijk met kanaal overeenkomstig
Hoofd impuls test
HOOFD IMPULS TEST (HIT)
Onderzoek van de hoog frequente VOR functie na prikkeling van de HCK
door snelle hoofdbewegingen (horizontaal EN verticaal)
̶ INTERPRETATIE
Normaal: beweging naar rechts => VOR links => neus gefixeerd
Perifeer vestibulair letsel: beweging naar rechts => ogen mee naar rechts => correctie saccade links om neus te fixeren (door visueel systeem bijsturing ‘ow wacht ik moest naar de neus kijken’))
Centraal probleem: geen correctie saccade (opgelet kan ook als de persoon de ttest verkeerd verstaard of gwn staart)
vraag patient kijk nr men neus → abrupt hoofd van links en Rechts draaien

HIT: PUSH – PULL PRINCIPE + 2DE WET EWALD
Trage stimulatie
→ Rotatietest = bilaterale stimulatie HCK
Snelle stimulatie
→ HIT (Head Impulse Test) = unilaterale stimulatie HCK
Relevantie:
2de wet van Ewald = horizontaal
3de wet van Ewald = verticaal
Waarom snel bij HIT?
Om 1 kant te testen → depolarisatie sneller dan hyperpolarisatie
Om visuele input uit te schakelen → enkel vestibulair
Unilaterale uitval + rotatie naar aangetaste zijde:
Oogbeweging gebaseerd op beperkte hyperpolarisatie van gezonde kant → onvoldoende → correctieve saccade
Basisprincipe HIT:
Bij trage beweging → andere kant vangt op
Bij snelle beweging → input van andere kant uitschakelen → test één zijde

HINTS
Head Impulse Test
Geen correctieve saccades → centraal letsel
Wel correctieve saccades → perifeer letsel
Nystagmus
Bidirectionele gaze-evoked nystagmus → centraal
richting verandert afhankelijk van blikrichting
Test of Skew
Afwijkende covertest (oog correctie na afdekken) → centraal letsel
Dek één oog, laat los → als het vrijgekomen oog corrigeert verticaal = centrale oorzaak (skew deviation)
Belangrijk:
Altijd alle drie uitvoeren!
Let op: Deze testen beoordelen niet het posterieure kanaal → acute ontsteking van inferieure tak vestibulaire zenuw (HAUSSPI) kan nog steeds aanwezig zijn!
VIDEO HOOFD IMPULS TEST (vHIT)
Onderzoek van de VOR (hoge frequenties) na UNILATERALE stimulatie van horizontale en verticale HCK
VOR gain → snelheid oog v snelheid hoofd

Halmagyi Head Thrust test

vHIT INTERPRETATIE
(C)OVERTE saccades
▪ VOR gain:
0,8 – 1,1 (horizontaal)
0,7 – 1,1 (verticaal)
Symmetrie (%)
-20 – 10% (horizontaal)
-30 – 20% (verticaal)
normaal= hoofd 1 richting, ogen exact tegengesteld
Overte = hoofd draait, ogen bewegen mee (vlake lijn)+ daarna correctie saccade waneer hoofdbeweging stopt (dip) → kan je zien zonder apparatuur
Coverte = hoofd draait, ogen bewegen effkes mee en dan tijdens hoofdbewging saccade (niet zictbaar met blote oog)

vHIT GAIN BEREKENING
EyeSeeCam: piek oogsnelheid/hoofdsnelheid op 60ms
Max oogsnelheid
Max hoofdsnelheid
Synapsis + ICS Impulse: oppervlakte onder de curve of “area under thetime-velocity curve” (AUC)
AUC oog
AUC hoofd

vHIT SYNAPSYS- ULMER/invetis
Veel bij kindjes
LARP = links ateriuer
RALP= recht anterieur en links posterieru (naar links gedraaid dus)
n = antal keer dat de test gedaan is
dichter bij cirkel = betere gain = meer naar buiten is ‘slechter’
saccades te zien int grijs = vaak hogere gain daarbij
standaarddeviatie → moet zo laag mogelijk zijn
(2de kolommeke ‘early saccades’ minder belangrijk)

vHIT EYESEECAM - INTERACOUSTICS

vHIT ICSIMPULSE - OTOMETRICS
opgelet trace van oogbeweging 180° gedraait
rechthoekjes = gain

vHIT: UITVOERING

ROTATIETEST toepassingen
Onderzoek van de VOR (middenfrequenties) door het aanbieden van herhaalbare en controleerbare fysiologische stimuli (BILATERALE stimulatie horizontale HCK)
Status van centrale compensatie bij unilaterale perifere vestibulaire uitval weergeven (follow-up)
Status van de VOR bij bilaterale vestibulaire uitval
Mate van centrale disinhibitie (cerebellair)
Mate van centrale inhibitie (vestibulo-suppressieve agentia)
Kan de labyrinthen niet afzonderlijk onderzoeken, want iedere stimulus prikkelt beide zijden tegelijk (hyperpolarisatie en depolarisatie → push-pull)
EXXX
FYSIOLOGISCHE PRIKKELING (ROTATIETEST)
Als we niet rond draaien 100 spikes links en rechts
Draaien we naar rechts dan krijgen we rechts depolarisatie en links hyperolarisatie
Als we bewegen naar Links depolarisatie en rechts hyperolarisatie

TESTOPZET (ROTATIETEST)
Fixatie hoofd + angulaire rate sensor
Berekening responsparameters: vergelijking oogsnelheid met hoofd/stoelsnelheid
altijd berekenen op trage fase nystagmus
stimulus=snelheid van de stoel
Nausea tgv stimulatie andere delen vestibulair systeem
Hoofd rechtop; NIET 30° naar beneden
Upright position: Hogere gain waarden en betrouwbaarheid
TESTOPZET — Drie mogelijke testcondities (ROTATIETEST)
sowieso visueel systeem uitschakelen
Ogen geopend in een volledig verduisterde kamer
Tape plakken over lichtjes en randen van deuren en ramen
Lichtgevende of in donker gloeiende objecten (armbanden, afvoerbuizen) verwijderen of afplakken
Ogen laten aanpassen aan duisternis (5 min) voor testing
Hercalibratie (voor elke rotatie)
Ogen geopend + Frenzel-/videobril in halfverduisterde kamer (meestal deze)
Ogen gesloten in een half verduisterde kamer
Bell’s fenomeen (bij gesloten ogen): oculaire opwaartse torsie + adductie, waardoor respons volledig onderdrukt kan worden (‘naar boven draaiende beweging van de oogbol wanneer men probeert het oog te sluiten’)
PATIËNTGERELATEERDE VARIABELEN (ROTATIETEST)
Toestand van mentale alertheid verzekeren door rekenkundige oefeningen te laten uitvoeren
Gedaalde aandacht => lagere vestibulaire reacties
Angst, nervositeit => hogere vestibulaire reacties
Patiënt en onderzoeker verschillende kamer → ideaal
Intercom boven de stoel en infrarood videocamera (boven, zodat er geen oriëntatie mogelijk is door waar het geluid vandaan komt).
Patiënt en onderzoeker, zelfde kamer
Geen interactie tijdens ronddraaien
geen misselijkheid doordat je niks ziet (geen clash tss vestibulair en visueel)
opgelet te moeilijke oefeningen → patient kijkt naar boven → niet de bedoeling
ROTATIETEST: STIMULUS
Angulaire acceleratie ≠ 0 °/s² => constante verandering in snelheid
Hoe ziet de stimulus er uit?
Evorgaan mag enkel door veranderingen/versnellingen tov zwaartekracht geprikkeld worden
Rechts= boven, links=beneden
functie=beweging stoel

ROTATIETEST: STIMULUS (stoeldraaing)
Cave: fysiologische range VOR: 0,1-5 Hz
2 bovenste figuren: stoel die draaie met frequentie van 0.05 Hz, stoel doet er 20s over om 1 keer naar links en
1 keer naar rechts te gaan, het verschil is de uitwijking => rechts boven is dus sneller dan links boven
Uit onderzoek is gebleken dat links boven het meest efficiënt is.

ROTATIETEST: RESPONS
Slow component eye velocity (SCV)
→ stoel gaat naar rechts → je wil voor je blijven kijken → ogen nr links (nystagmus nr rechts)
→ snelle draaiing, dus verandert van richting!

ROTATIE: STIMULUS - RESPONS
Stimulus
Acceleratie van het lichaam rond verticale as
input = versnelling
Respons
Verandering in oogpositie, gegenereerd door snelheidpositie commando
output = verschil in oogpositie
Dubbele integratie langs VOR baan
Acceleratie naar snelheid integratie: SCC → semi circulaire canalen
Snelheid naar positie integratie: centraal vestibulair systee
“De semicirculaire kanalen (SCC) registreren hoofdversnelling en integreren die tot een snelheidscommando, dat via het centrale vestibulaire systeem verder wordt geïntegreerd tot een positiecommando om de oogbeweging te sturen.” → aan dezelfde snelheid?
nystagmus in zelfde richting als stoel draaing
ROTATIETEST: RESPONSPARAMETERS
Vergelijking van de OUTPUT (oogbeweging) vs INPUT (hoofd of stoelbeweging)
Snelle fase: saccade
Trage fase: VOR
Berekening gebaseerd op snelheid vd trage fase
Snelle fases worden verwijderd
Overblijvende trage fases worden verbonden tot een sinus golf
Deze golf wordt dan vergeleken met de input sinus golf van hoofd of stoel
Gain — Fase — (A)symmetrie
ROTATIETEST: GAIN
Adequaatheid van de oogbewegingen tov hoofdbewegingen
Maximale oogsnelheid (RESPONS)
Maximale hoofdsnelheid (STIMULUS)
Respons / stimulus = …%
Ideale verhouding = 1 of 100% (stabiele blik) => in licht
Stoel draait aan lagere frequenties (frequenties waarbij ons vestibulair systeem niet optimaal werkt > hier heb je in het dagelijks leven geen last van, want dan komt je visuele systeem helpen (dus norm ligt lager dan 100 => 60))
In donker is gain veel lager
Indicatie voor de algemene responsiviteit van het vestibulaire systeem
links = ideaal → rechts = realistischer

ROTATIETEST: GAIN en frequentie
Frequentie vs Gain
Hogere frequentie → hogere gain
0.1 – 5.0 Hz → dichtst bij gain = 1
Normwaarden: bv. 0.05 Hz gain = 10% – 88% (witte band = norm)
Belangrijk:
Gain beïnvloedbaar door angst, slaap, medicatie → brede norm
Interessant voor bilaterale vestibulaire aandoeningen → lage score
Te lage gain
Perifeer?
Bilateraal vestibulair probleem
Ernstig unilateraal probleem
Central inhibitie (medicatie, lage alertheid)
< 15% → parameters (fase, symmetrie) niet betrouwbaar → zeer ernstige disfunctie
! Nooit alleen op gain baseren!
Te hoge gain
Centrale disinhibitie (bv. cerebellaire atrofie, angst)
Hyperventilatie
Hoofdbeweging tijdens rotatie
Tijdens aanval van Ménière
Kijk niet enkel naar normtabel → ook vorm van grafiek
Combineer altijd met andere testen

ROTATIETEST: FASE
Tijdsrelatie tussen maximale oogsnelheid (respons) en maximale hoofdsnelheid (stimulus) → uitgedrukt in graden (°).
→ Voorbeeld: stoel naar rechts → hoe lang tot ogen naar links?
Perfecte relatie:
Ogen bewegen 180° uit fase t.o.v. hoofd
Gelijkgesteld aan 0° faseverschil
Frequentie-effect:
Hogere frequentie → fasevoorsprong lager
0,1 – 5,0 Hz → fase = 0°
Te grote fasevoorsprong
Perifeer vestibulair probleem (vertraagde VOR)
Centraal probleem (velocity storage-mechanisme)
Te kleine fasevoorsprong
Technisch probleem?
Centraal probleem (cerebellum, vestibulaire migraine, motion sickness)
Belangrijk:
Lage frequentie → afwijkingen vallen meer op (systeem kwetsbaarder)

ROTATIETEST: GAIN VS FASE
Normaal:
Groene zone = gain & fase normaal → niets aan de hand
Bij uitval (1 of 2 systemen):
Gain & fase abnormaal → links boven in grafiek
Centrale compensatie:
Symmetrieparameter verbetert
Fase verandert nooit
Middenste vak boven groen
Symmetrie:
Geeft aan of centrale compensatie aanwezig is
Gain kan licht verbeteren
Fase blijft buiten norm

ROTATIETEST: ASYMMETRIE (NYSTAGMUS PREPONDERANTIE)
Symmetrisch:
Adequate bilaterale vestibulaire functie
Unilaterale dysfunctie met centrale compensatie
Rotatietest detecteert geen compensatie → extra testen nodig (want probleem is opgelost, dus niet herkenbaar meer)
Bilateraal symmetrisch probleem
Asymmetrisch:
Acuut: unilateraal of asymmetrisch bilateraal (hypo/hyperfunctie)
Ménière → één kant reageert plots meer
Chronisch: centraal of perifeer probleem
Belangrijk:
Niet compenseerbaar → meestal centraal
Uitzondering: sommige perifere problemen blijven asymmetrisch

ROTATIETEST SV
Kijk naar algemene morfologie van de curve
Eerst gain beoordelen → interpreteer andere parameters in functie van gain
Te lage gain → overige parameters niet betrouwbaar
Nystagmus Preponderantie (NP):
Richting altijd benoemen volgens snelle fase
Voorbeeld:
SCV naar rechts 3% sneller (< 0%) → nystagmus naar links
Opmerkingen:
Gain extreem hoog (bv. 595%) → niet mogelijk → waarschijnlijk hoofd niet goed gefixeerd
NP extreem hoog (bv. 100% links) → onbetrouwbaar → check fixatie

RESPONSPARAMETERS ROTATIETEST: SAMENVATTING

CALORISCH ONDERZOEK
Onderzoek van de VOR (lage frequenties) door het aanbieden van herhaalbare maar afysiologische stimuli (UNILATERALE stimulatie van horizontaal HCK)
Mate van centrale suppressie van de nystagmus
Mate van perifeer herstel na unilateraal perifeer vestibulaire pathologie
Kan beide labyrinthen afzonderlijk onderzoeken
Status van elke horizontaal HCK (hyper of hypo)
Vergelijking tussen linker en rechter HHCK
CALORISCH ONDERZOEK - AFYSIOLOGISCHE PRIKKELING
Principe:
Afysiologische prikkeling van één horizontaal kanaal (unilateraal).
Normaal: beide labyrinthen werken samen (push-pull: één depolarisatie, andere hyperpolarisatie).
Bij calorisch: stimulus (water/lucht) → één kanaal reageert, andere blijft normaal.
Effect:
Warm water/lucht: excitatie → ↑ ontladingsfrequentie → nystagmus naar gestimuleerde zijde.
Koud water/lucht: inhibitie → ↓ ontladingsfrequentie → nystagmus naar contralaterale zijde.
(Ezelsbrug: COWS = Cold Opposite, Warm Same)
Belangrijk:
Rotatietest & calorisch onderzoek: nystagmus wordt uitgelokt (spontaan = abnormaal).
Lucht minder betrouwbaar dan water (meest gebruikt: water).

CALORISCHE STIMULI: WATER OF LUCHT
Afysiologisch: push-pull principe: 1 kanaal depol, andere hyper => calorisch: 1 kant stimulus met water (warm=depol.) = reageert, andere niet (lucht/koud water
linksonder meest gebruik → lucht minder betrouwbaar
