VWO 5 - Biologie - DNA

0.0(0)
studied byStudied by 2 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/99

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 5:11 AM on 5/25/23
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

100 Terms

1
New cards
ggo
(genetisch gemodificeerd organisme)
2
New cards
Gentherapie
wanneer men gezonde genen bij iemand inbrengt die lijdt aan een erfelijke aandoening, om zo te proberen de eigenschap die de aandoening veroorzaakt te vervangen. (erg experimenteel)
3
New cards
Synthetische biologie
wetenschappers die zelf DNA maken
4
New cards
biobricks
(stukjes zelfgemaakt DNA) hiermee hoopt men eigenschappen zelf te maken en niet meer naar specifieke genen te hoeven zoeken.
5
New cards
adenine
een stikstofbase
6
New cards
allel
1 van de genen van een genenpaar / variant van een gen
7
New cards
anticodon
basentriplet aan het uiteinde van een tRNA-molecuul dat het complementaire codon op een mRNA-molecuul ontdekt.
8
New cards
antisense-DNA
moleculair biologen noemen een stuk DNA dat afgelezen wordt of afleesbaar is een antisense en het tegenovergestelde, dus niet afleesbaar, sense (letterlijk vertaald staat sense voor betekenis)
9
New cards
basenparing
de stikstofbasen van de beide nucleotidenketens zijn twee aan twee met elkaar verbonden. (A met T, en C met G)
10
New cards
biotechnologie
verzamelnaam van alle technieken waarbij organismen worden gebruikt om producten te vervaardigen voor de mens
11
New cards
cDNA
complementair DNA of copyDNA
12
New cards
centromeer
deel van een chromosoom, waar de twee zusterchromatiden aan elkaar verbonden zijn. Bij de kerndeling hecht aan het centromeer de spoeldraad vast
13
New cards
chromatide
EƩn van de twee helften van een chromosoom, die bij het centromeer aan elkaar verbonden zijn. In de vroegste stadia van de celdeling zijn de chromatiden als overlangse helften van een chromosoom te zien
14
New cards
chromosoom
structuur, die in lineaire volgorde genen bevat. Chromosomen bestaan uit DNA en eiwitten en zijn te zien tijdens mitose en meiose
15
New cards
cisgenese
het inbrengen van DNA m.b.v. recombinant DNA techniek dat afkomstig is van een organisme van dezelfde soort
16
New cards
coderende streng
de nucleotideketen die niet wordt gebruikt tijdens de transcriptie
17
New cards
codon
groep van drie nucelotidebasen (triplet), die codeert voor een bepaald aminozuur in een eiwit
18
New cards
colchicine
stof die zorgt dat bij de mitose de microtubili van het spoelfiguur worden afgebroken; hierdoor ontstaat polyploĆÆdie
19
New cards
corepressor
repressor die juist actief wordt wanneer er een bepaald molecuul aan bindt
20
New cards
crossing-over
verschijnsel tijdens de meiose waarbij twee homologe chromosomen stukken DNA uitwisselen
21
New cards
cytosine
een stikstofbase
22
New cards
deletie
het verwijderen van een nucleotidepaar in het DNA
23
New cards
desoxyribose
een suiker met 5 C-atomen per molecuul, bestanddeel van DNA
24
New cards
DNA
desoxyribonucleĆÆnezuur, een keten (molecuul) opgebouwd uit nucleotiden, die bestaan uit een suiker (desoxyribose) een stikstofbase en een fosfaatgroep
25
New cards
DNA-fingerprint
is de naam voor een methode om uit het DNA van een individu (mens, dier of plant) bepaalde stukjes te selecteren en met het analoge gebied in een ander individu van dezelfde soort te vergelijken.
26
New cards
DNA-ligase
enzym dat korte DNA-fragmenten aan elkaar koppelt
27
New cards
DNA-methylering
is een epigenetisch proces waarbij een methylgroep (CH3-groep) aan een DNA-molecule wordt toegevoegd. Hierdoor verandert de structuur van het DNA, dat dientengevolge niet langer afleesbaar is tijdens bijvoorbeeld een transcriptie
28
New cards
DNA-polymerase
enzym dat langs de enkelvoudige nucleotideketens schuift tijdens de DNA-replicatie en er voor zorgt dat er DNA dubbelstrengen ontstaan
29
New cards
DNA-replicatie
het kopieren van het DNA, waarna een chromosoom bestaat uit twee chromatiden die vastzitten met een centromeer
30
New cards
DNA-sequentie
volgorde van de vier bouwstenen waaruit DNA is opgebouwd
31
New cards
enhancers
een cis-element dat de transcriptie van het DNA bevordert. Een enhancer zit voor of achter de promotor van een gen.
32
New cards
epigenetica
de studie van wijzigingen in de genexpressie zonder dat er wijzigingen in de dna-sequentie plaats vinden
33
New cards
epigenetische factoren
invloeden die de werking van genen beinvloeden, zoals stress, voeding en drugs
34
New cards
exons
de coderende stukken DNA in een gen
35
New cards
gelelektroforese
een scheidingstechniek die moleculen onder invloed van een elektrisch veld laat bewegen in een gel.
36
New cards
genetische modificatie
veranderen van het DNA van een bepaald organisme, bijv. het overbrengen van DNA van het ene organisme naar het andere.
37
New cards
genexpressie
het tot uiting komen van een gen
38
New cards
genoom
de volledige set genen vane en organisme inclusief niet-coderend DNA
39
New cards
genoommutatie (ploĆÆdiemutatie)
mutaties waarbij het aantal chromosomen in een cel veranderd is
40
New cards
genregulatie
het aan of uitzetten van een gen
41
New cards
gentherapie
het inbrengen van genetisch materiaal in (menselijke) cellen in het kader van een geneeskundige behandeling.
42
New cards
guanine
een stikstofbase
43
New cards
haplotype
de unieke combinatie van allelen op een chromosoom
44
New cards
helicase
enzym dat zorgt dat het dubbelstrengs-DNA uit elkaar 'ritst'
45
New cards
helixstructuur
de molecuulstructuur van het DNA, dat uit een dubbelspiraal bestaat en RNA dat uit een enkelspiraal bestaat. Een helix is een spiraalvorm waarbij elk punt dezelfde afstand heeft tot de centrale as
46
New cards
histonen
eiwitten waaromheen DNA ligt gerold in een chromosoom
47
New cards
homologe chromosomen
de twee chromosomen van een chromosomenpaar
48
New cards
inductor
stof die de genexpressie op gang brengt
49
New cards
insertie
het toevoegen van een nucleotidepaar in het DNA
50
New cards
introns
niet coderende stukken DNA in een gen
51
New cards
junk-DNA
niet-coderend DNA. De naam voor stukken DNA in het genoom die geen bekende functie hebben. Ongeveer 95 % van het menselijk genoom wordt beschouwd als "junk-DNA"
52
New cards
klonen
een kunstmatige wijze van reproductie, waarbij een identieke genetische kopie van een organisme wordt geproduceerd.
53
New cards
matrijsstreng
zie template-streng
54
New cards
micro-RNA (miRNA)
een kort RNA dat de expressie van genen remt door het afbreken of blokkeren van mRNA-moleculen zodat geen translatie meer kan plaats vinden
55
New cards
multipotent
multipotente stamcellen differentiƫren tot een beperkt aantal celtypen
56
New cards
niet-coderend DNA
het junk-DNA. De naam voor stukken DNA in het genoom die geen bekende functie hebben. Ongeveer 95 % van het menselijk genoom wordt beschouwd als "junk-DNA"
57
New cards
non-disjuntie
tijdens de meiose I gaat een paar homologe chromosomen naar dezelfde pool en komen samen terecht in een van de dochtercellen
58
New cards
nucleĆÆnezuur
een stof, waarvan elk molecuul bestaat uit één of twee strengen nucelotiden, die samen één of twee polynucleotideketens vormen. Nucleïnezuur komt voor in DNA (twee ketens) en RNA (één keten)
59
New cards
nucleosoom
een aantal histonen met eromheen gewikkeld DNA
60
New cards
nucleotide
bestanddeel van nucleĆÆnezuren. Een nucleotidemolecuul bestaat uit een monosacharide, een organische base en een fosfaatgroep
61
New cards
omnipotent
omnipotente stamcellen differentiƫren tot elk celtype
62
New cards
oncogen
een oncogen ontstaat na mutaties uit een proto-oncogen. Een oncogen zet een cel aan tot abnormaal snel groeien en delen
63
New cards
operator
deel van het operon dat dicht bij of op de promotor ligt, waaraan een regulatoreiwit (repressor of activator) zich kan binden en daardoor de affiniteitvan de promotor voor de RNA-polymerase vermindert of verhoogt.
64
New cards
PCR
PCR (vertaald Polymerase Ketting Reactie) is een methode om kleine hoeveelheden van een specifiek stuk DNA een groot aantal keren te vermeerderen
65
New cards
plasmide
korte stukjes circulair DNA in sommige prokayoten
66
New cards
pluripotent
pluripotente stamcellen differentiƫren tot nog veel celtypes van het organisme
67
New cards
polyploĆÆdie
organisme met een veelvoud van chromosomen, bijvoorbeel 4n
68
New cards
primer
klein stukje DNA of RNA dat gebruikt wordt als startpunt van de polymerasekettingreactie (PCR, polymerase chain reaction). Er zijn steeds twee primers nodig, ƩƩn voor de 5'-streng en ƩƩn voor de 3'-streng. Deze worden de forward en de reverse primer genoemd.
69
New cards
prion
infectieus eiwit
70
New cards
promotor
specifieke plaats in het DNA waar RNA-polymerase zich kan binden aan het DNA molecuul.
71
New cards
proto-oncogen
coderen voor eiwitten die de celgroei en celdigfferentiatie stimuleren. Door een mutatie kan een proto-oncogen veranderen in een oncogen
72
New cards
puff
zichtbare verdikkingen in een chromosoom tijdens de vele DNA-replicaties
73
New cards
puntmutatie
een verandering in 1 nucleotidepaar
74
New cards
recombinant-DNA-techniek
techniek waarbij delen van het DNA van verschillende organismen bij elkaar gebracht worden
75
New cards
recombinatie
het ontstaan van nieuwe combinaties van allelen. Recombinatie kan het gevolg zijn van de toevalsverdeling van beide homologe chromosomen bij de meiose over de haploĆÆde cellen. Recombinatie kan ook het gevolg zijn van crossing-over.
76
New cards
regulatorgen
genen die regelen dat de juiste genen op de juiste momenten tot expressie komen
77
New cards
release-factor
speciaal eiwitmolecuul dat bindt aan het stopcodon in het mRNA, waardoor de polypeptideketen loslaat en het kleine en grote ribosoomdeel uit elkaar gaan
78
New cards
repressor
is een DNA- of RNA-bindend eiwit dat de expressie van een of meerdere genen verhindert door te binden op de operator. Een DNA-bindende repressor blokkeert het aanhechten van RNA-polymerase aan de promotor, waardoor het aanmaken van mRNA (de transcriptie van het gen) verhinderd wordt
79
New cards
restrictie-enzym
enzym dat DNAmoleculen op specifieke plaatsen in stukken kan verdelen.
80
New cards
ribose
een suiker dat in RNA zit i.p.v. de desoxyribose in DNA
81
New cards
RNA
ribonucleĆÆnezuur, nucleĆÆnezuur dat ribose als sacharide en de basen uracil, adenine, guanine en cytosine bevat. RNA bestaat uit een enkele streng nucleotiden
82
New cards
RNA-interferentie (RNAi)
proces waarbij een kort RNA de expressie van genen remt door het afbreken of blokkeren van mRNA-moleculen zodat geen translatie meer kan plaats vinden
83
New cards
RNA-polymerase
enzym dat er voor zorgt dat er een RNA-keten langs een deel van een DNA-keten wordt gevormd.
84
New cards
RNA-processing
het bewerken van het pre-mRNA molecuul
85
New cards
sequentie
volgorde van nucletiden
86
New cards
spliceosoom
knipt de introns uit het pre-mRNA en plakt de exons vervolgens aan elkaar
87
New cards
splicing
proces dat wordt uitgevoerd door het spliceosoom
88
New cards
startcodon
codon (AUG) waarmee het af te lezen deel van het mRNA-molecuul begint
89
New cards
stopcodon
codon of triplet in mRNA dat niet codeert voor een aminozuur, maar het einde aangeeft van de eiwitsynthese.
90
New cards
structuurgenen
genen die de info bevatten voor de eiwitsynthese in ribosomen
91
New cards
template-streng
de nucleotideketen waarlangs het mRNA ontstaat tijdens de transcriptie
92
New cards
thymine
een stikstofbase
93
New cards
transcriptie
vorming van mRNA door een afschrift van een deel van het DNA te maken. De RNA-streng is complementair aan het deel van het DNA dat de informatie bevat voor de vorming van het RNA-molecuul
94
New cards
transcriptiefactor
eiwit dat zich bindt aan specifieke DNA-sequenties, waardoor de hoeveelheid oftranscriptie van genetische informatie van DNA naar mRNA gecontroleerd wordt
95
New cards
transgeen
een transgeen organisme is een organisme dat een vreemd gen (een transgen) in zijn erfelijk materiaal draagt
96
New cards
transgenese
het inbrengen van DNA m.b.v. recombinant DNA techniek dat afkomstig is van een organisme van een ander soort
97
New cards
translatie
de vertaling van de reeks mRNA-codons in een reeks aminozuren met een specifiek volgorde, tijdens de vorming van het polypeptide (eiwit) door een ribosoom.
98
New cards
tRNA
transfer-RNA dat helpt aminozuren naar een ribosoom te verplaatsen
99
New cards
tumorsuppressorgen
gen dat info bevat voor een eiwit, die er voor zorgt dat een cel met te veel of onherstelbare DNA-schade overgaat tot celdood
100
New cards
uracil
in plaats van thymine bevat een RNA-nucleotide de stikstofbase uracil (U)