Fysische geografie - hoofdstuk 4: geomorfologie en hydrologie

0.0(0)
studied byStudied by 3 people
0.0(0)
full-widthCall with Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/126

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No study sessions yet.

127 Terms

1
New cards

geomorfologie

studie van landvormen en processen die deze landvormen doen ontstaan

2
New cards

reliëf

hoogteverschillen in een gebied

3
New cards

helling

geometrisch element aan aardoppervlak

4
New cards

hellingselement

deel van de helling met constante hellingskromme

5
New cards

convex

planconvectiviteit

divergent

<p>planconvectiviteit </p><p>divergent </p>
6
New cards

concaaf

planconcaviteit

convergent

<p>planconcaviteit </p><p>convergent </p>
7
New cards

rechtlijnig

recht

lineair

<p>recht</p><p>lineair</p>
8
New cards

hellingsprofiel

samenstelling van elementen, gescheiden door hellingsknikken

9
New cards

hoogtelijnen

contourlines

isolijnen van gelijke hoogte

10
New cards

hoogtelijneninterval

equidistantie

afstand tussen lijnen

11
New cards

endogene processen

zorgen er overwegend voor dat delen van de aardkorst omhoog komen

12
New cards

exogene processen

zorgen ervoor dat het aardoppervlak overwegend wordt verlaagd of gedenudeerd

13
New cards

verwering

chemische en fysische afbraak van gesteenten in losse componenten

14
New cards

erosie

verplaatsen van losse bestanddelen door middel van een bewegende agens naar eventueel een andere locatie

15
New cards

massabeweging

verplaatsing van materiaal naar een andere locatie zonder invloed van een bewegende agens

16
New cards

denudatie

algemene verlaging van aardoppervlak door combinatie van verwering, erosie en massabewegingen

17
New cards

initiële landschapsvormen

ontstaan rechtstreeks door endogene processen

18
New cards

sequentiële landschapsvormen

kunnen ontstaan door denudatieprocessen die de initiële landschapsvormen veranderen

19
New cards

polygenetische landschapsvormen

vormen die ontstaan onder invloed van endogene processen op sequentiële landschapsvormen

20
New cards

hydrologische processen

stuurt watererosie

21
New cards

watercyclus

knowt flashcard image
22
New cards

interceptie

opvang van neerslag door het bladerdek

23
New cards

stamvloei

afstromen van water langs de stengel of stam van vegetatie

24
New cards

doorval

deel dat doorheen het bladerdek rechtstreeks op de bodem valt

25
New cards

evaporatie

verdamping van neerslag van het bodemoppervlak

26
New cards

transpiratie

verdamping van plantenvocht

27
New cards

infiltratie

indringen van water in de bodemtoplaag, gekenmerkt door de infiltratiecapaciteit

28
New cards

infiltratiecapaciteit (IC)

afhankelijk van de bodemtextuur en -structuur en vochtigheidsgraad van de bodem.

29
New cards

percolatie

neerwaarts transport van water naar de grondwatertafel

30
New cards

tijdelijke stockage

depression storage

plasvorming, meren

31
New cards

bovengrondse afvoer

surface runoff overland flow

veel voorkomend in regio’s met zeer intense neerslag zonder vegetatie en een bodem met een lage infiltratiecapaciteit

32
New cards

ondergrondse afvoer

subsurface and groundwater runoff / flow

throughflow

lateraal onder grond

33
New cards

wetting point

punt waarop de bodem verzadigd is en geen water meer kan opnemen

34
New cards

verzadigingsafvoer

saturation excess flow

wanneer neerslaf nietmeer opgenomen kan worden en afgevoerd wordt

35
New cards

waterbalans

afvoer van water uit een stroomgebied door een rivier is veel lager dan de neerslag die val in het stroomgebied

36
New cards
term image

P= precipitation / neerslag

Q= river discharge

E= evapotranspiratie

I= interception

M= soil water storage

G= groundwater storage

S= channel and surface storage

37
New cards

evapotranspiratie

combinatie van evaporatie en transpiratie

afhankelijk van klimaat en vegetatie

zorgt voor een lager debiet dan de geaccumuleerde neerslag

38
New cards

runoff coëfficient

deel van neerslag dat surface runoff wordt

39
New cards

dynamic contributing area of variable source area concept

zone waar de waterverzadiging kan uitbreiden

40
New cards

bron

plaats waar het grondwater geconcentreerd aan het oppervlakte treedt

41
New cards

kwel

zijp

wanneer het grondwater via diffusie aan het oppervlakte treedt

42
New cards

aquifer

grondwatertafel of poreus gesteente waarin het grondwater zich bevindt

43
New cards

aquiclude

ondergrondse waterlaag die geen water doorlaat en waarop een aquifer ligt

44
New cards

grondwaterspiegel

bovenzijde van het grondwater

45
New cards

spanningswater

afgesloten aquifer

46
New cards

freatisch water

vrije watervoerende laag

47
New cards

zwevend of hangend water

watervoerende laag die omsloten is door een aquiclude

48
New cards

artesisch grondwater

water dat onder hoge hydrostatische druk staat door een afsluitende laag of aquiclude

49
New cards

warmwaterbron

water dat op grote diepte heeft gestroomd vooraleer het naar boven kwam en daardoor een hogere temperatuur heeft dan grondwater

50
New cards

geyser

indien een warmwaterbron zijn water naar buiten spuit

51
New cards

debiet

afvoer van een rivier

hoeveelheid water dat per seconde doorheen een bepaalde doorsnede van een rivier stroomt

<p>afvoer van een rivier </p><p>hoeveelheid water dat per seconde doorheen een bepaalde doorsnede van een rivier stroomt </p>
52
New cards

hortonian overland flow

snelle afvoer

verantwoordelijk voor piekdebieten

53
New cards

saturation excess overland flow and return flow

vertraagde afstroming

54
New cards

afvoercoëfficiënt

hoeveelheid debiet over gevallen neerslag

55
New cards

rivierregimes

debietverloop over een jaar

56
New cards

episodische rivieren

kortstondig functioneren

57
New cards

periodieke rivieren

regelmatig terugkerend

58
New cards

grotere rivieren

samengestelde regimes

stromen door verschillende klimaatzones of hebben verschillende types bronnen van water

59
New cards

stroomgebied

deel van aardoppervlak dat door rivier gedraineerd wordt

bestaat uit aaneenschakeling van rivierkanalen en hellingen

60
New cards

waterscheiding

divide

interfluvium

onderscheiden verschillende stroombekken

61
New cards

riviernetwerk

al het water dat oppervlakkig afstroomt zal in een rivier terechtkomen, dat op haar beurt in een andere rivier zal stromen

62
New cards

riviertopologie

verbinding van riviersegmenten (lijnen) en samenvloeiingen van meerdere segmenten (punten of knopen)

63
New cards

horton

onderverdeling van verschillende riviertjes volgens een orde

kleinste rivieren krijgen de kleinste orde

64
New cards

Strahler

meest stroomopwaartse riviersegmenten zijn de eerste orde

65
New cards

schreve

houdt rekening met de magnitude van het stroomgebied

66
New cards

bifurcatieratio

getal dat vermenigvuldigt wordt met het aantal dalsegmenten om tot het aantal daaropvolgende lagere ordes te komen

67
New cards

drainagedichtheid

geeft info over aantal rivieren dat er zijn in bepaald stroombekken

68
New cards

dendritisch patroon

normaal patroon dat gevormd wordt op ongeveer gelijke oppervlakken met homogene ondergrond

69
New cards

radiaal patroon

landvormen waar het water in alle richtingen kan afstromen

70
New cards

centripetaal patroon

rivieren lopen vanuit alle richtingen naar een centraal punt

71
New cards

tralievormig patroon

bij gebieden waar afwisselend harde en zachte lagen dagzomen

rivier maakt haakbuigingen van 90° door structurele verschillen in de ondergrond

72
New cards

cirkelvormig patroon

zoals tralievormig patroon maar dan wanneer ze een cirkelvorm aannemen

73
New cards

parallel patroon

in recente gebieden die gevormd zijn door gletsjer zullen rivieren vaak de bewegingsrichting van de gletsjer volgen

74
New cards

spaterosie

regendruppels die op onbedekt oppervlak vallen en daarbij kracht uitoefenen waardoor bij het spatten bodemdeeltjes meespatten

75
New cards

sheet wash

interrill-erosion

laagsgewijze afvoering van sediment door diffuse afstroming

76
New cards

geulerosie

rill erosion

wanneer water zich concentreert zullen niet enkel losgemaakte bodemdeeltjes worden opgenomen, maar zal het water voldoende kracht hebben om zelf bodemdeeltjes te eroderen

77
New cards

ravijnerosie

gully erosion

bij nog meer water neemt lineaire erosie toe en worden er ravijnen gevormd

78
New cards

colluvium

deel van het geërodeerde bodemmateraal dat wordt afgezet wanneer de helling minder steil is

79
New cards

bronerosie

water dat uit het oppervlak stroomt voert los puin mee

80
New cards

bronnis

steile wand achter een bron zal na verloop van tijd achteruitschrijden

81
New cards

piping

ondergronds wordt los puin meegespoeld door grondwater en er ontstaan langgerekte holtes

82
New cards

headcut retreat

gelijkaardige processen als bij een bron treden op bij rivier- / rabijnhoofden waar geen bron aanwezig is

83
New cards

terugschrijdende erosie

regressive erosion

terugschrijden van een wand

84
New cards

riviererosie

sterk geconcentreerde afvoer in een rivier kan ook eroderen, zowel verticaal als horizontaal

85
New cards

oevererosie

bank erosion

laterale erosie

erosie van bodemdeeltjes aan de oever

laterale verplaatsing

86
New cards

point bars

kronkelwaardruggen

afzetting van sediment in de binnenbocht van een rivier waardoor er parallelle ruggen ontstaan

87
New cards

kolgat

pothole

gaten in de bedding door wervelende bewegingen in het water met hoge kracht van zand en stenen

88
New cards

kloofdalen

aaneenschakeling van kolkgaten

89
New cards

laminaire stroming

geen uitwisseling tussen verschillende waterlagen

stroomsnelheid neemt parabolisch toe met hoogte boven de bodem

beperkte wrijvingskrachten

geringe stroomsnelheid

op gladde vlakke bodem

<p>geen uitwisseling tussen verschillende waterlagen</p><p>stroomsnelheid neemt parabolisch toe met hoogte boven de bodem </p><p>beperkte wrijvingskrachten </p><p>geringe stroomsnelheid </p><p>op gladde vlakke bodem </p>
90
New cards

turbulente stroming

ruwe bodem met wrijvingskrachten tussen boven elkaar liggende waterlagen

continue veranderende stroomsnelheid

neemt toe met logaritmische schaal ten opzichte van de bodem

<p>ruwe bodem met wrijvingskrachten tussen boven elkaar liggende waterlagen</p><p>continue veranderende stroomsnelheid </p><p>neemt toe met logaritmische schaal ten opzichte van de bodem  </p>
91
New cards

reynoldsgetal

geeft het onderscheid weer tussen laminaire en turbulente stroming

<p>geeft het onderscheid weer tussen laminaire en turbulente stroming </p>
92
New cards

Froudegetal

verhouding tussen inertiekrachten en zwaartekracht

<p>verhouding tussen inertiekrachten en zwaartekracht </p>
93
New cards

subkritische stroming

vloeiende stroming

lage stroomsnelheid waarbij geen staande golven gevormd worden

typisch voor alluviale rivieren

Froudegetal < 1

94
New cards

superkritische stroming

schietende stroming

torrentiële stroming

staande golven worden gevormd

typisch voor bergrivieren of beken

Froudegetal > 1

95
New cards

sedimentdebiet Qs

hoeveelheid sediment die per tijdseenheid door een riviersectie wordt afgevoerd

96
New cards

dominant debiet

dominant discharge

debiet waarbij de rivier het meeste sediment vervoert

97
New cards

transportcapaciteit

hoeveelheid sediment die een rivier kan vervoeren

afhankelijk van debiet en beschikbare energie

98
New cards

aggradation

sedimentaanvoer is hoger dan de transportcappacitiet waardoor de bedding zal ophogen

99
New cards

degradation

sedimentaanvoer is kleiner dan de transportcapaciteit waardoor er insnijding zal optreden

100
New cards

suspensiemateriaal

suspended sediment load

fijne deeltjes in stromend water zullen nooit de bodem bereiken