1/126
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No study sessions yet.
geomorfologie
studie van landvormen en processen die deze landvormen doen ontstaan
reliëf
hoogteverschillen in een gebied
helling
geometrisch element aan aardoppervlak
hellingselement
deel van de helling met constante hellingskromme
convex
planconvectiviteit
divergent

concaaf
planconcaviteit
convergent

rechtlijnig
recht
lineair

hellingsprofiel
samenstelling van elementen, gescheiden door hellingsknikken
hoogtelijnen
contourlines
isolijnen van gelijke hoogte
hoogtelijneninterval
equidistantie
afstand tussen lijnen
endogene processen
zorgen er overwegend voor dat delen van de aardkorst omhoog komen
exogene processen
zorgen ervoor dat het aardoppervlak overwegend wordt verlaagd of gedenudeerd
verwering
chemische en fysische afbraak van gesteenten in losse componenten
erosie
verplaatsen van losse bestanddelen door middel van een bewegende agens naar eventueel een andere locatie
massabeweging
verplaatsing van materiaal naar een andere locatie zonder invloed van een bewegende agens
denudatie
algemene verlaging van aardoppervlak door combinatie van verwering, erosie en massabewegingen
initiële landschapsvormen
ontstaan rechtstreeks door endogene processen
sequentiële landschapsvormen
kunnen ontstaan door denudatieprocessen die de initiële landschapsvormen veranderen
polygenetische landschapsvormen
vormen die ontstaan onder invloed van endogene processen op sequentiële landschapsvormen
hydrologische processen
stuurt watererosie
watercyclus

interceptie
opvang van neerslag door het bladerdek
stamvloei
afstromen van water langs de stengel of stam van vegetatie
doorval
deel dat doorheen het bladerdek rechtstreeks op de bodem valt
evaporatie
verdamping van neerslag van het bodemoppervlak
transpiratie
verdamping van plantenvocht
infiltratie
indringen van water in de bodemtoplaag, gekenmerkt door de infiltratiecapaciteit
infiltratiecapaciteit (IC)
afhankelijk van de bodemtextuur en -structuur en vochtigheidsgraad van de bodem.
percolatie
neerwaarts transport van water naar de grondwatertafel
tijdelijke stockage
depression storage
plasvorming, meren
bovengrondse afvoer
surface runoff overland flow
veel voorkomend in regio’s met zeer intense neerslag zonder vegetatie en een bodem met een lage infiltratiecapaciteit
ondergrondse afvoer
subsurface and groundwater runoff / flow
throughflow
lateraal onder grond
wetting point
punt waarop de bodem verzadigd is en geen water meer kan opnemen
verzadigingsafvoer
saturation excess flow
wanneer neerslaf nietmeer opgenomen kan worden en afgevoerd wordt
waterbalans
afvoer van water uit een stroomgebied door een rivier is veel lager dan de neerslag die val in het stroomgebied

P= precipitation / neerslag
Q= river discharge
E= evapotranspiratie
I= interception
M= soil water storage
G= groundwater storage
S= channel and surface storage
evapotranspiratie
combinatie van evaporatie en transpiratie
afhankelijk van klimaat en vegetatie
zorgt voor een lager debiet dan de geaccumuleerde neerslag
runoff coëfficient
deel van neerslag dat surface runoff wordt
dynamic contributing area of variable source area concept
zone waar de waterverzadiging kan uitbreiden
bron
plaats waar het grondwater geconcentreerd aan het oppervlakte treedt
kwel
zijp
wanneer het grondwater via diffusie aan het oppervlakte treedt
aquifer
grondwatertafel of poreus gesteente waarin het grondwater zich bevindt
aquiclude
ondergrondse waterlaag die geen water doorlaat en waarop een aquifer ligt
grondwaterspiegel
bovenzijde van het grondwater
spanningswater
afgesloten aquifer
freatisch water
vrije watervoerende laag
zwevend of hangend water
watervoerende laag die omsloten is door een aquiclude
artesisch grondwater
water dat onder hoge hydrostatische druk staat door een afsluitende laag of aquiclude
warmwaterbron
water dat op grote diepte heeft gestroomd vooraleer het naar boven kwam en daardoor een hogere temperatuur heeft dan grondwater
geyser
indien een warmwaterbron zijn water naar buiten spuit
debiet
afvoer van een rivier
hoeveelheid water dat per seconde doorheen een bepaalde doorsnede van een rivier stroomt

hortonian overland flow
snelle afvoer
verantwoordelijk voor piekdebieten
saturation excess overland flow and return flow
vertraagde afstroming
afvoercoëfficiënt
hoeveelheid debiet over gevallen neerslag
rivierregimes
debietverloop over een jaar
episodische rivieren
kortstondig functioneren
periodieke rivieren
regelmatig terugkerend
grotere rivieren
samengestelde regimes
stromen door verschillende klimaatzones of hebben verschillende types bronnen van water
stroomgebied
deel van aardoppervlak dat door rivier gedraineerd wordt
bestaat uit aaneenschakeling van rivierkanalen en hellingen
waterscheiding
divide
interfluvium
onderscheiden verschillende stroombekken
riviernetwerk
al het water dat oppervlakkig afstroomt zal in een rivier terechtkomen, dat op haar beurt in een andere rivier zal stromen
riviertopologie
verbinding van riviersegmenten (lijnen) en samenvloeiingen van meerdere segmenten (punten of knopen)
horton
onderverdeling van verschillende riviertjes volgens een orde
kleinste rivieren krijgen de kleinste orde
Strahler
meest stroomopwaartse riviersegmenten zijn de eerste orde
schreve
houdt rekening met de magnitude van het stroomgebied
bifurcatieratio
getal dat vermenigvuldigt wordt met het aantal dalsegmenten om tot het aantal daaropvolgende lagere ordes te komen
drainagedichtheid
geeft info over aantal rivieren dat er zijn in bepaald stroombekken
dendritisch patroon
normaal patroon dat gevormd wordt op ongeveer gelijke oppervlakken met homogene ondergrond
radiaal patroon
landvormen waar het water in alle richtingen kan afstromen
centripetaal patroon
rivieren lopen vanuit alle richtingen naar een centraal punt
tralievormig patroon
bij gebieden waar afwisselend harde en zachte lagen dagzomen
rivier maakt haakbuigingen van 90° door structurele verschillen in de ondergrond
cirkelvormig patroon
zoals tralievormig patroon maar dan wanneer ze een cirkelvorm aannemen
parallel patroon
in recente gebieden die gevormd zijn door gletsjer zullen rivieren vaak de bewegingsrichting van de gletsjer volgen
spaterosie
regendruppels die op onbedekt oppervlak vallen en daarbij kracht uitoefenen waardoor bij het spatten bodemdeeltjes meespatten
sheet wash
interrill-erosion
laagsgewijze afvoering van sediment door diffuse afstroming
geulerosie
rill erosion
wanneer water zich concentreert zullen niet enkel losgemaakte bodemdeeltjes worden opgenomen, maar zal het water voldoende kracht hebben om zelf bodemdeeltjes te eroderen
ravijnerosie
gully erosion
bij nog meer water neemt lineaire erosie toe en worden er ravijnen gevormd
colluvium
deel van het geërodeerde bodemmateraal dat wordt afgezet wanneer de helling minder steil is
bronerosie
water dat uit het oppervlak stroomt voert los puin mee
bronnis
steile wand achter een bron zal na verloop van tijd achteruitschrijden
piping
ondergronds wordt los puin meegespoeld door grondwater en er ontstaan langgerekte holtes
headcut retreat
gelijkaardige processen als bij een bron treden op bij rivier- / rabijnhoofden waar geen bron aanwezig is
terugschrijdende erosie
regressive erosion
terugschrijden van een wand
riviererosie
sterk geconcentreerde afvoer in een rivier kan ook eroderen, zowel verticaal als horizontaal
oevererosie
bank erosion
laterale erosie
erosie van bodemdeeltjes aan de oever
laterale verplaatsing
point bars
kronkelwaardruggen
afzetting van sediment in de binnenbocht van een rivier waardoor er parallelle ruggen ontstaan
kolgat
pothole
gaten in de bedding door wervelende bewegingen in het water met hoge kracht van zand en stenen
kloofdalen
aaneenschakeling van kolkgaten
laminaire stroming
geen uitwisseling tussen verschillende waterlagen
stroomsnelheid neemt parabolisch toe met hoogte boven de bodem
beperkte wrijvingskrachten
geringe stroomsnelheid
op gladde vlakke bodem

turbulente stroming
ruwe bodem met wrijvingskrachten tussen boven elkaar liggende waterlagen
continue veranderende stroomsnelheid
neemt toe met logaritmische schaal ten opzichte van de bodem

reynoldsgetal
geeft het onderscheid weer tussen laminaire en turbulente stroming

Froudegetal
verhouding tussen inertiekrachten en zwaartekracht

subkritische stroming
vloeiende stroming
lage stroomsnelheid waarbij geen staande golven gevormd worden
typisch voor alluviale rivieren
Froudegetal < 1
superkritische stroming
schietende stroming
torrentiële stroming
staande golven worden gevormd
typisch voor bergrivieren of beken
Froudegetal > 1
sedimentdebiet Qs
hoeveelheid sediment die per tijdseenheid door een riviersectie wordt afgevoerd
dominant debiet
dominant discharge
debiet waarbij de rivier het meeste sediment vervoert
transportcapaciteit
hoeveelheid sediment die een rivier kan vervoeren
afhankelijk van debiet en beschikbare energie
aggradation
sedimentaanvoer is hoger dan de transportcappacitiet waardoor de bedding zal ophogen
degradation
sedimentaanvoer is kleiner dan de transportcapaciteit waardoor er insnijding zal optreden
suspensiemateriaal
suspended sediment load
fijne deeltjes in stromend water zullen nooit de bodem bereiken