1/23
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
psychoactieve stoffen
Middelen die:
verandering veroorzaken in stemming, cognitie of gedrag
worden gebruikt bij de behandeling van neuropsychiatrische aandoeningen
reacreatief worden gebruikt en soms leiden tot misbruik/verslaving
enterale toedieningswegen van geneesmiddelen
oraal = via de mond ā dit is de veiligste en meest gebruikte toedieningsweg
rectaal = via het rectum
buccaal / sublabiaal = tussen de lippen en het tandvlees
sublinguaal = onder de tong
Geneesmiddelen die entraal worden toegediend, bereiken het CNS doorgaans langzamer, omdat zij meer barriĆØres moeten passeren (opname in het bloed, metabolisme in de lever, bloed-hersen barriĆØre). Daarom moet er voor entrale toediening ook een hogere dosis worden toegediend voor het gewenste effect.
parentrale toedieningswegen van geneesmiddelen
subcutaan = injectie net onder de huid
intramusculair = injectie in de spier
trandsdermaal = via de huid toedienen (bijv. pleisters)
inhalatie = opname via de longen
intraveneus = injectie in de aderen
spinaal of intracranieel = direct in het CNS
Wanneer een geneesmiddel direct in het CNS wordt toegediend, zijn er nauwelijks barriĆØres, waardoor een lage dosis al voldoende is om een sterk effect te hebben. Dit is daarom de snelste en meest directe toedieningsweg, maar is ook de meest invasieve.
bloed-hersen barriĆØre
Dit is een systeem dat vrije diffusie van stoffen tussen bloed en hersenweefsel tegenhoudt.
De haarvaten in de hersenen hebben tight junctions (verbindingen) tussen endotheelcellen ā deze haarvaten zijn omgeven door de eindvoetjes van astrocyten. Hierdoor kunnen alleen zeer kleine, ongeladen en lipofiele moleculen (zoals zuurstof en koolstofdioxide) passief door de bloed-hersen barriĆØre diffunderen.
Er zijn actieve trasnportsystemen (membraantransporters) voor essentiƫle stoffen zoals glucose, aminozuren en vetzuren.
er zijn 3 gebieden zonder bloed-hersen barriĆØre:
hypofyse = geeft hormonen af aan de bloedbaan en ontvangt hormonale signalen vanuit het bloed
area postrema (in de medulla) = detecteert toxische stoffen in het bloed en kan braken opwekken ter bescherming van het lichaam
epifyse (pijnappelklier) = reguleert het dag-nachtritme, mede op basis van hormonale signalen uit de bloedbaan
2 manieren waarop psychofarmaca uit het lichaam worden verwijderd
metabolisme (catabolisatie) = stoffen worden chemisch omgezet in beter uitscheidbare verbindingen ā dit gebeurt vooral in de lever, maar ook in de nieren en darmen (galblaas)
excretie = via urine, feces, zweet, uitgeademde lucht en moedermelk
agonist vs antagonist
agonist = stof die de werking van een neurotransmitter nabootst of versterkt
antagonist = stof die de werking van een neurotransmitter blokkeert of vermindert
acetylcholine (Ach) agonisten en antagonisten
Bij de acetylcholine-synaps tussen motorneuronen en skeletspieren heeft Ach meestal een exciterend effect ā dit leidt tot spierconcentratie
Ach-agonisten versterken het effect ā verhoogde spieractiviteit en contractie
Ach-antagonisten verzwakken het effect ā ontspanning of verlamming van de spiervezels
voorbeelden van Ach-agonisten en Ach-antagonisten zijn:
gif van de zwarte weduwe (Ach-agonist) ā bevordert de afgifte van Ach in de synaptische spleet
botunline toxine (Ach-antagonist) ā remt de afgifte van Ach in de synaptische spleet af
nicotine (Ach-agonist) ā activeert nicotinerge acetylcholinereceptoren op het postysnaptische membraan
curare (Ach-antagonist) ā blokkeert nicotinerge acetylcholinereceptoren op het postysnaptische membraan
5 stappen van neurotransmissie die beĆÆnvloed kunnen worden door drugs
synthese van neurotransmitters ā dit vindt plaats in het cellichaam (met name neuropeptiden) of in de axonterminal (met name kleine molecuul transmitters)
opslag ā na synthese worden neurotransmitters opgeslagen in vestikels of in granules (grotere opslagkorrels, bij neuropeptiden)
exocytose ā wanneer een actiepotentiaal de presynaptische terminal bereikt, openen spanningsafhankelijke Ca2+ kanalen, waardoor de neurotransmitters worden vrijgegeven in de synaptische spleet
receptorinteractie ā vrijgekomen neurotransmitters binden zich aan receptoren op het postsynaptische membraan (ionotroop of metabotroop), waardoor een postsynaptisch effect ontstaat
inactivatie ā de neurotransmitter wordt uit de synaptische spleet verwijderd door heropname in de presynaptische terminal of in gliacellen (via transporteiwitten) of degradatie (enzymatische afbraak)
psycholeptica
Psychoactieve drugs die de activiteit van psychische functies inhiberen (remmen)
hieronder vallen:
sedativa en hypnotica (barbituraten, alcohol, GHB)
anxiolytica (benzodiazepines, diazepam/valium)
antipsychotica (chloorprozamine, haloperidol)
stemmingsregulators (lithium)
sedativa, hypnotica & anxiolytica
Dit zijn psycholeptica (inhiberende stoffen) die vooral werken via de GABA-a receptor = een ionotrope receptor die een centrale rol speelt in inhibitie binnen het CNS
Deze middelen versterken GABA-a receptoren (agonisten), en deze receptoren zorgen voor inhibitie ā daarom verminderen ze (indirect) de prikkelbaarheid van neuronen, wat leidt tot sedatie, spierontspanning en axiolyse. Ze worden klinisch toegepast bij angststoornissen, epilepsie en als anesthetica (verdoving).
Sedativa, hypnotica an anxiolytica kunnen elkaar synergetisch versterken: de totale inhibitie wordt sterker, omdat verschillende middelen verschillende acties op dezelfde receptor teweeg kunnen brengen. Sedativa & hypnotica bootsen de functie van GABA na, en anxiolytica verhogen de binding van GABA.
antipsychotica
Dit zijn psycholeptica (inhiberende stoffen) die werken als dopamine-antagonisten ā antipsychotica werken de stimulerende activiteit van dopamine (DA) tegen doordat zij dopaminereceptoren blokkeren.
Deze middelen worden vooral ingezet bij de behandeling van schizofrenie, om met name de symptomen die samenhangen met een overactiviteit van dopaminerge transmissie (hallucinaties, wanen) te bestrijden.
psychoanaleptica
Psychoactieve drugs die de activiteit van psychische functies stimuleren.
Hieronder vallen:
antidepressiva (MAO-remmers, TCAās, SSRIās)
stimulantia (stimulerende middelen: cocaĆÆne, amfetamine)
antidepressiva
Dit zijn psychoanaleptica (stimulerende stoffen) die de werking van serotonine verogen (sorotinine-agonisten).
Dit kan via 3 mechanismen:
Monaomine-oxidase remmers (MAO-remmers) = MAO is een enzym in de presynaptische axonterminal dat serotonine en andere monoaminen afbreekt. MAO-remmers blokkeren dit enzym, waardoor de afbraak van serotonine wordt geremd ā hierdoor blijft meer serotonine beschikbaar voor exocytose in de synaptische spleet.
MAO breekt ook andere neurotransmitters af (noradrenaline, dopamine), waardoor MAO-remmers deze afbraak ook tegenhouden ā daarom zijn er bijwerkingen
Tricyclische antidepressiva (TCAās) = deze remmen de heropname van serotoninen en noradrenaline in de presynaptische neuron ā hierdoor blijft een grotere hoeveelheid van deze neurotransmitter aanwezig in de synaptische spleet. TCAās behoren tot de āeerste generatieā antidepressiva.
TCAās beĆÆnvloeden ook andere receptoren (bijv. die van histamine, acetylcholine en dopamine), waardoor er veel bijwerkingen zijn
Selectieve serotonineheropnameremmers (SSRIās) = deze blokkeren de heropname van specifiek serotonine ā hierdoor blijft een grotere hoeveelheid van deze neurotransmitter aanwezig in de synaptische spleet. SSRIās behoren tot de ātweede generatieā antidepressiva.
Doordat SSRIās heel selectief zijn, zijn er minder bijwerkingen dan bij TCAās.
stimulantia
Dit zijn psychoanaleptica (stimulerende middelen) die de werking van dopamine (DA) en soms ook noradrenaline stimuleren (agonisten)
De volgende stoffen zijn stimulantia:
cocaĆÆne = werkt als dopamine-agonist doordat de heropname van dopamine geblokkeerd wordt via de dopamine-transporter ā hierdoor blijft dopamine langer aanwezig in de synaptische spleet, wat het effect versterkt.
amfetamine = werkt als dopamine- en noradrenaline-agonist. De afgifte van deze neurotransmitters uit de presynaptische neuron wordt gestimuleerd, en de heropname wordt geremd ā alertheid, energie en concentratie nemen toe (daarom wordt het toegepast bij ADHD).
Methylfenidaat (Ritalin & Concerta) is een verwante stimulant die vooral de heropname van dopamine/noradrenaline remt
Andere amfetamine-achtige stoffen zijn methamfetamine (ICE, crystal meth) en methylene-dioxy-meth-amfetamine
Langdurig/intensief recreatief gebruik van dopaminerge stimulantia kan leiden tot dopamine-overactiviteit ā dit gaat gepaard met psychotische symptomen zoals wanen, hallucinaties en paranoĆÆde gedachten.
psychodisleptica
Dit zijn stoffen die de psychologische functies desorganiseren (verstoren).
Hieronder vallen:
narcotische analgetica (opioĆÆden: opium, codeĆÆne, morfine, heroĆÆne)
hallucinogenen (psychedelica: serotonerge hallucinogenen (LSD, mecaline), cannabinoĆÆden)
narcotische analgetica
Dit zijn psychodysleptica (desorganisatie) die pijnstillende (analgetische) en sederende (narcotische) effecten hebben, en die verschillende neurotransmittersystemen beĆÆnvloeden ā het effect is vooral het remmen van pijnsignalen en het verhogen van gevoelens van welzijn/ontstpanning
Voorbeelden hiervan zijn:
opium
codeĆÆne en morfine
heroĆÆne (afgeleide van morfine die vetoplosbaarder is en daardoor de bloed-hersen barriĆØre beter passeert)
endorfine (lichaamseigen opioĆÆden)
hallucinogenen
Dit zijn psychodisleptica (desorganisatie) die zintuigelijke waarnemingen, bewustzijn en cognitieve processen veranderen en soms hallucinaties veroorzaken
Hallucinogenen zijn niet-specifieke versterkers: de effecten worden sterk beĆÆnvloed door de psychologische toestand en de omgeving van de gebruiker
Voorbeelden van hallucinogenen zijn:
serotonerge hallucinogenen = dit zijn vooral agonisten van serotonind-receptoren (LSD, Mescaline, paddoās)
cannabinoĆÆden = werken als neuromodulatoren via CB1-receptoren op het presynaptische membraan ā ze remmen de afgifte van glutamaat en GABA, waardoor zowel excitatie als inhibitie worden gedempt ā dit leidt tot een veranderde staat van bewustzijn, ontspanning en euforie.
CannabinoĆÆden worden ook therapeutisch gebruikt, o.a. bij misselijkheid/braken, chronische pijn en eetlustverlies
3 factoren die individuele reacties op medicatie beĆÆnvloeden
disinhibitie theorie = deze theorie stelt dat middelen zoals alcohol de activiteit van de prefrontale cortex verminderen, terwijl subcorticale systemen relatief actief blijven ā hierdoor neemt geremd gedrag af en komen impulsen gemakkelijker tot uiting
aangeleerd gedrag = deze benadering stelt dat het effect van een drug ook afhankelijk is van sociale en culturele factoren, zoals verwachtingen, omgevingen en groepsnormen (set en setting) ā hetzelfde middel kan in verschillende contexten tot verschillend gedrag leiden.
gedragsmyopie = letterlijk āgedragsbijziendheid": het idee dat aandacht vernauwt onder de invloed van middelen ā hierdoor richten mensen zich vooral op directe, opvallende prikkels en minder op langetermijngevolgen
kenmerken van een verslaving
fysieke afhankelijkheid (let op: dit is niet vereist voor een verslaving ā iemand kan verslaafd zijn zonder sterke lichamelijke ontwenningsverschijnselen, of iemand kan afhankelijk zijn van een geneesmiddel zonder verslaafd te zijn)
psychologische symptomen (moeite om het gebruik te beperken)
ontwenningsverschijnselen (lichamelijke en/of psychische symptomen bij het stoppen)
compulsief gedrag (sterke drang om het middel te gebruiken, ondanks hevige gevolgen)
Veel verslavende middelen veroorzaken een verhoogde activiteit in het beloningssysteem van de hersenen, met name in de dopaminerge baan van het ventrale tegmentale gebied (VTA) naar de nucleus accumbens ā door de verhoogde dopamine-afgifte wordt het gevoel van beloning en motivatie versterkt.
Verslaving gaat vaak samen met tolerantie = een steeds hogere dosis is nodig om het gewenste effect te bereiken
wanting-and-liking theorie
Deze theorie stelt dat het verlangen naar een drug (wanting) en het plezier dat de drug veroorzaakt (liking) door deels gescheiden hersensystemen worden gereguleerd:
Bij herhaaldelijk drugsgebruik neemt het wanting-systeem vaak toe (sensitisatie ā mensen krijgen steeds meer verlangen naar de drug), terwijl het liking-systeem gelijk blijft of zelfs afneemt (tolerantie) ā de gebruiker blijft sterk verlangen naar de drug, ookal neemt het plezier af
Het wanting-systeem wordt gemedieerd door het mesolimbische dopaminerge systeem, ook wel het ābeloningssysteemā van de hersenen (projectie van het ventrale tegmentale gebied naar de nucleus accumbens)
Het liking-systeem wordt gereguleerd door kleinere netwerken in het opioĆÆde en endocannabinoĆÆde systeem, vooral in hersenkernen die betrokken zijn bij hedonistisch genot
Het verlangen naar een drug (wanting) kan worden uitgelokt door conditioned cues (cues die met het durgsgebruik zijn geassocieerd)

tolerantie (3 hoofdmechanismen)
De afname van het effect van een drug bij herhaalde blootstelling (habituatie), waardoor hogere doses nodig zijn om hetzelfde effect te bereiken ā dit ontstaat doordat het lichaam en de hersenen zich aanpassen aan de aanwezigheid van de stof.
Er zijn 3 hoofdmechanismen:
metabole tolerantie ā de lever produceert meer afbraakenzymen, waardoor de drug sneller wordt afgebroken en minder lang in het bloed beschikbaar is
cellulaire (farmacodynamimsche) tolerantie ā neurale plasticiteit: neuronen passen zich aan door bijv. minder receptoren aan te maken, receptoren minder gevoelig te maken of intracellulaire signaaltransductie te veranderen
aangeleerde (gedragsmatige) tolerantie ā mensen leren om de invloed van de drug te compenseren door hun gedrag aan te passen, waardoor het lijkt alsof ze minder beĆÆnvloed zijn
sensitisatie
Dit verwijst naar het proces waarbij de respons op een psychoactieve stof toeneemt, ondanks dat de dosis gelijk blijft ā de gebruiker wordt steeds gevoeliger voor de drug.
Sensitisatie ontstaat vooral bij intermitterend gebruik (herhaald gebruik met tussenpozen) en speelt een belangrijke rol bij het ontstaan en in stand houden van verslaving. Het ontstaat door neurale plasticiteit, en dan met name langdurige veranderingen in de synaptische transmissie (met name in het mesolimbische dopaminesysteem)
Het is ook sterk gekoppeld aan conditioned cues (omgevingssignalen die met het middelengebruik geassocieerd zijn) ā deze cues kunnen het beloningssyteem activeren en zo het verlangen naar de drug versterken
hormonen
Hormonen zijn chemische boodschappers die signalen overbrengen via de bloedbaan. Hormonen vallen onder het endocriene systeem = netwerk van klieren die hormonen produceren en de doelorganen waarop zij inwerken.
De hersenen coƶrdineren welke hormonen vrijkomen onder welke omstandigheden ā de afgifte van hormonen wordt vaak gereguleerd via hiĆ«rarchische neurohormonale ketens. Een voorbeeld is cortisol:
de hypothalamus scheidt een releasing-hormoon (CRH) af
CRH stimuleert het anterieure deel van de hypofyse om het hormoon ACTH in de bloedbaan vrij te geven
ACTH bereikt de bijnieren via het bloed, die vervolgens cortisol produceren en afgeven aan de bloedbaan
cortisol oefent vervolgens effecten uit op verschillende organen (inclusief de hersenen) en beĆÆnvloedt processen zoals stressrespons, energiehuishouding en homeostase
Er zijn 2 soorten hormonen:
steroĆÆde hormonen = deze worden gesynthetiseerd uit cholesterol in klieren ā ze zijn vetoplosbaar en kunnen zich binden aan receptoren in het celmembraan of in de cel, en kunnen direct de gentranscriptie beĆÆnvloeden door interactie met DNA in de kern. Voorbeelden zijn testosteron en cortisol.
Peptidehormonen = deze worden op dezelfde wijze als eiwitten gesynthetiseerd. Ze werken meestal met metabotrope receptoren op het celmembraan en activeren een tweede boodschapper, waardoor ze indirect gentranscriptie beĆÆnvloeden.
Deze 2 soorten kunnen ook weer ingedeeld worden in 3 groepen:
homeostatische hormonen = deze behouden de interne metabole balans (als een soort āthermostaatā) (insuline)
gonadale hormonen = deze reguleren voortplantingsfuncties en seksuele differentiatie van het lichaam ā ze beĆÆnvloeden seksueel gedrag, conceptie en reproductieve processen (testosteron, oestrogeen)
glucocorticoĆÆden = dit zijn steroĆÆde hormonen die vrijkomen in tijden van stress en het lichaam helpen zich voor te bereiden op vechten of vluchten (cortisol).
twee routes van activatie van de bijnier bij stressfactoren voor het lichaam (snelle vs langzame route)
de snelle route (sympatische activering): de hypothalamus activeert via het ruggenmerg de sympatische divisie van het autonome zenuwstelsel ā sympatische zenuwvezels stimuleren het bijniermerg ā de bijnier geeft epinefrine (adrenaline) en noradrenaline vrij in de bloedbaan. Dit verhoogt o.a. de hartslag, bloeddruk en energievoorziening, terwijl de parasympatische activiteit (rust- en verteringsfuncties) worden onderdrukt.
de langzame route (HPA-as): de hypothalamus geeft het hormoon CRH vrij, dat de anterieure hypofyse stimuleert ā deze geeft het hormoon ACTH af in de bloedbaan, dat de bijnierschors activeert ā de bijnierschors produceert cortisol (glucocorticoĆÆde). Dit leidt tot mobilisatie van energiebronnen, remming van niet-essentiĆ«le functies, modulatie van immuun- en ontstekingsreacties, en het beĆÆnvloedt hersengebieden zoals de hippocampus en amygdala om adaptieve reacties te ondersteunen
Bij chronische stress blijven cortisolniveaus verhoogd ā hierdoor kan de hippocampus beschadigen en wordt de negatieve feedback (feedback die laat weten dat er genoeg cortisol aanwezig is) verstoord ā hierdoor blijft de HPA-as langdurig actief ā vicieuze cirkel