Economie vandaag 2022

0.0(0)
studied byStudied by 3 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/113

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Last updated 7:58 PM on 1/20/23
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

114 Terms

1
New cards
Behoefte
Het aanvoelen van een tekort en het streven om dit tekort te bevredigen (subjectief karakter)
2
New cards
Primaire behoefte
Levensnoodzakelijke behoeften vb voeding, kleding en huisvesting
3
New cards
Immateriële behoefte
Behoefte van niet-materiële aard vb liefde of vriendschap
4
New cards
Collectieve behoefte
Behoefte voor een groot aantal personen en worden normaal door de gemeenschap als geheel bevredigd vb onderwijs, wegen, bejaardenzorg
5
New cards
Individuele behoefte
Behoeften die subjectiever zijn en worden bevredigd dankzij de inspanning van personen vb voeding, kleding, huisvesting, ontspanning
6
New cards
Schaars middel
Een middel waarvan de verlangde hoeveelheid de beschikbare hoeveelheid zou overtreffen indien het gratis ter beschikking stond.
7
New cards
Nut
Een goed of dienst komt slechts in aanmerking voor de bevrediging van een bepaalde behoefte in de mate dat het voor de mens nuttig is.
8
New cards
Economische principe
Een mens die rationeel handelt, moet derhalve volgens de graad van bevrediging of nuttigheid een voorkeursschema opstellen afhankelijk van zijn subjectief nut.
9
New cards
Economie
De studie van het menselijk streven naar bevrediging van behoeften met behulp van schaarse middelen.
10
New cards
Welvaart
De mate waarin mensen met de beschikbare schaarse middelen in hun behoeften kunnen voorzien
11
New cards
Welzijn
De bevrediging van verlangens die geen beslag leggen op schaarse middelen (vriendschap, liefde, gezondheid)
12
New cards
Vrije goederen
"Niet- schaarse goederen", ze zijn in de natuur zo overvloedig aanwezig dat de volledige behoefte aan dergelijke goederen kan worden bevredigd.
13
New cards
Economische goederen
"Schaarse goederen", kan ingedeeld worden in Zuiver individuele goederen, zuiver collectieve goederen en quasiocollectieve goederen
14
New cards
Zuiver individuele goederen
De meeste goederen waarmee we in aanraking komen vb fiets, pintje
15
New cards
Zuiver collectieve goederen
"Niet- rivaliserend" en "niet-uitsluitbaar" vb diensten van brandweer of politie
16
New cards
quasiocollectieve goederen
Goederen voor verkoop op de markt in aanmerking (individuele goederen), maar ook sociale (vb het onderwijs) of praktische (vb wegennet)
17
New cards
Consumptiegoederen
Bevredigd onmiddelijk de behoeften van gezinshoudingen. vb smartphone
18
New cards
Verbruiksgoederen
"niet- duurzame consumptiegoederen"
19
New cards
Gebruiksgoederen
"duurzame consumptiegoederen"
20
New cards
Investeringsgoederen
Goederen die dienen om andere goederen te produceren
21
New cards
Kapitaalgoederen
"productiegoederen" vb gebouwen, machines, vervoermaterieel
22
New cards
Vlottende investeringsgoederen
Goederen die tijdens het productieproces verwerkt of vernietigd worden.
23
New cards
Consumptie
De aanwending van economische goederen voor niet- productieve doeleinden
24
New cards
Productie
Het scheppen of toevoegen van waarden (nuttigheid) aan de economische goederen
25
New cards
productiefactoren
Productie ontstaat door de samenwerking van de natuur, de arbeid en de kapitaal
26
New cards
Omwegproductie
Kapitaalgoederen dat slechts indirect bijdragen tot de uiteindelijke behoeftebevrediging
27
New cards
Afgeleide productiefactor
Door de samenwerking van natuur en arbeid wordt gevormd
28
New cards
Inductieve methode
een groot aantal feitelijke gegevens
29
New cards
Deductieve methode
een algemeen beginsel (bepaalde axioma's)
30
New cards
Ceteris-parabusclausule
"Als het overige gelijk is, onder overgens gelijke omstandigheden" =dwz: men ziet een welbepaald economisch verschijnsel afhankelijk van een veriabele, terwijl men alle andere factoren waarvan het economisch verschijnsel afhankelijk is
31
New cards
micro- economie
Het gedrag van individuele huishouding bestuderen of beschrijven.
32
New cards
meso- economie
Het bestuderen van bepaalde huishoudingen vb bepaalde bedrijfstak, sector of regio
33
New cards
Macro- economie
Het bestuderen van alle bedrijven, alle gezinnen en alle overheidshuishoudingen. hier worden de economische grootheden voor een heel land bij elkaar opgeteld
34
New cards
Niet-economische factoren
De voorkeuren of preferenties van de consument
35
New cards
Economische factoren
De prijzen van de goederen en het beschikbaar inkomen (budget)
36
New cards
Preferentie
Een consument zijn volkomen subjectief en afhankelijk van de eigen individuele voorkeur.
37
New cards
Bandwagoneffect
Mensen doen elkaar na bv Dior-freaks
38
New cards
Snobeffect
Mensen willen zich heel exclusief gedragen bv Ferrari-freaks
39
New cards
Eerste wet van Gossen (of de wet van het dalend grensnut)
Naarmate men meer beschikt over een aantal eenheden van een bepaald goed, daalt voor de consument het nut dat de laatste eenheid aan het totale nut toevoegt.
40
New cards
Marginale nut (of grensnut)
Een consument dat het totale nut van drie ijsjes hoger is dan van twee ijsjes.
41
New cards
Budgetlijn
De lijn van alle mogelijkheden= de rechte die de combinaties van twee goederen weergeeft die de consument met een bepaald budget kan aanschaffen, rekening houden met de prijzen van de goederen.
De lijn van alle mogelijkheden= de rechte die de combinaties van twee goederen weergeeft die de consument met een bepaald budget kan aanschaffen, rekening houden met de prijzen van de goederen.
42
New cards
Nominaal inkomen
Het inkomen in geldeenheden
43
New cards
Reële inkomen
Als het nominaal inkomen gecorrigeerd wordt voor de prijzen van goederen en diensten.
44
New cards
Individuele vraagcurve
Geeft weer welke hoeveelheden van een bepaalde goed de consument bereid is te kopen tegen een reeks van prijzen.
Geeft weer welke hoeveelheden van een bepaalde goed de consument bereid is te kopen tegen een reeks van prijzen.
45
New cards
Complementaire goederen
Goederen die elkaar aanvullen. Het gebruik is positief gerelateerd aan het gebruik van een bepaald product. bv naarmate meer dvd’s worden verkocht, zullen de dvd-spelers ook meer verkocht worden
Goederen die elkaar aanvullen. Het gebruik is positief gerelateerd aan het gebruik van een bepaald product. bv naarmate meer dvd’s worden verkocht, zullen de dvd-spelers ook meer verkocht worden
46
New cards
Substitueerbare goederen
Een goed dat vanuit het oogpunt van de afnemer gedeeltelijk of volledig als vervanger voor een ander product kan dienen. (micro-eco)
Een goed dat vanuit het oogpunt van de afnemer gedeeltelijk of volledig als vervanger voor een ander product kan dienen. (micro-eco)
47
New cards
de collectieve vraag of marktvraag
De totale hoeveelheid die alle consumenten in de markt vragen tegen een reeks van prijzen, (want we willen niet zozeer de vraagcurve kennen van één consument, maar de totale vraag)
De totale hoeveelheid die alle consumenten in de markt vragen tegen een reeks van prijzen, (want we willen niet zozeer de vraagcurve kennen van één consument, maar de totale vraag)
48
New cards
Pigou-effect
Zodra er veel werkloze zijn, zullen de prijzen dalen, wat er voor zorgt dat mensen extra geld hebben om te winkelen. Dit geeft als gevolg dat bedrijven niet genoeg personeel hebben, wat er voor zorgt dat er beschikbare jobs zijn.
Zodra er veel werkloze zijn, zullen de prijzen dalen, wat er voor zorgt dat mensen extra geld hebben om te winkelen. Dit geeft als gevolg dat bedrijven niet genoeg personeel hebben, wat er voor zorgt dat er beschikbare jobs zijn.
49
New cards
Prijselasticiteit van de vraag
de gevoeligheid van een prijsverandering van een goed op de gevraagde hoeveelheid van dat goed. De prijsverandering en de verandering van de gevraagde hoeveelheid worden beide uitgedrukt als percentages
de gevoeligheid van een prijsverandering van een goed op de gevraagde hoeveelheid van dat goed. De prijsverandering en de verandering van de gevraagde hoeveelheid worden beide uitgedrukt als percentages
50
New cards
Unitair prijselastische vraag
Een bepaalde prijsverandering (bv +10%) leidt tot een evenredige verandering van de gevraagde hoeveelheid (bv -10%). → Ev= -1 of |Ev|= 1
Een bepaalde prijsverandering (bv +10%) leidt tot een evenredige verandering van de gevraagde hoeveelheid (bv -10%).  → Ev= -1 of |Ev|= 1
51
New cards
Prijselastische vraag
Een bepaalde prijsverandering (bv +10%) leidt tot een minder dan evenredige verandering van de gevraagde hoeveelheid (bv -20%) → Ev < -1 *(bv vakantie naar het buitenland, boeken en tijdschriften)*
Een bepaalde prijsverandering (bv  +10%) leidt tot een minder dan evenredige verandering van de gevraagde hoeveelheid (bv -20%) → Ev < -1 *(bv vakantie naar het buitenland, boeken en tijdschriften)*
52
New cards
Prijsinelastische vraag
Een bepaalde prijsverandering ( bv+10%) leidt tot een mindern dan evenredige verandering van de gevraagde hoeveelheid (bv-5%) → -1
Een bepaalde prijsverandering ( bv+10%) leidt tot een mindern dan evenredige verandering van de gevraagde hoeveelheid (bv-5%) →  -1<Ev< O *(bv veel voedingsmiddelen, schoeisel en kleding)*
53
New cards
Volkomen prijsinelastische vraag
Een verandering in de prijs heeft geen verandering in de gevraagde hoeveelheid. → Ev=0 *(bv Eerste levensbehoefte op voorwaarde goederen een klein deel van budget zijn)*
Een verandering in de prijs heeft geen verandering in de gevraagde hoeveelheid. → Ev=0 *(bv Eerste levensbehoefte op voorwaarde goederen een klein deel van budget zijn)*
54
New cards
Volkomen prijselastische vraag
De consument is uiterst gevoelig voor prijsveranderingen en onmiddelijk zijn vraag aanpast → Ev=∞ *(bv bij luxegoederen waarvoor de consument slechts een bepaalde prijs wensen te betalen)*
De consument is uiterst gevoelig voor prijsveranderingen en onmiddelijk zijn vraag aanpast → Ev=∞ *(bv bij luxegoederen waarvoor de consument slechts een bepaalde prijs wensen te betalen)*
55
New cards
Wet van engel
de uitgaven aan voeding procentueel dalen naarmate het besteedbaar inkomen toeneemt.
de uitgaven aan voeding procentueel dalen naarmate het besteedbaar inkomen toeneemt.
56
New cards
Engelkromme
(of inkomensvraagcurve) als het verband tussen de gevraagde hoeveelheid van een goed (bij gegeven prijzen en preferenties) en het inkomen van de consument grafisch wordt voorgesteld.
(of inkomensvraagcurve) als het verband tussen de gevraagde hoeveelheid van een goed (bij gegeven prijzen en preferenties) en het inkomen van de consument grafisch wordt voorgesteld.
57
New cards
Inferieur goed
een goed waarvan de consument minder gaat kopen als zijn inkomen stijgt en waarvan hij meer gaat kopen als zijn inkomen daalt (*ceteris paribus*, dus als alle andere prijzen gelijk blijven).
een goed waarvan de consument minder gaat kopen als zijn inkomen stijgt en waarvan hij meer gaat kopen als zijn inkomen daalt (*ceteris paribus*, dus als alle andere prijzen gelijk blijven).
58
New cards
Reële rente
De nominale rente gecorrigeerd voor inflatie. __Ligt de inflatie hoger dan de nominale rente dan is er sprake van een negatieve reële rente.__ bv Nominale rente: 0,11%/ jaar en de jaarlijkse inflatie is 5,71% => (100,11/ 105,71) .100= 94,69 DUS reële rente is -5,31
59
New cards
Het bestedingspatroon van de Belgische particulieren
Consumptieve bestedingen van de huishoudens en de instellingen zonder winstoogmerk.
60
New cards
Sparen
Het gedeelte van de beschikbaar inkomen dat overblijft nadat de consumptieve uitgaven voldaan werden.
61
New cards
Beschikbaar inkomen
Het inkomen van de particulieren waarvan de directe belastingen werden afgetrokken.
62
New cards
Vermogensmarkt
De markt waar vraag en aanbod van vermogen tot uiting komen.
63
New cards
Beleggen
Een investering waarbij geld wordt ingelegd met als doel om in de toekomst financieel voordeel te behalen.
64
New cards
Spaarquote
Het meetinstrument om de spaarneiging van de particulieren weer te geven.
65
New cards
Levenscyclusmodel van Modigliani
Dit model geeft de relatie weer tussen het sparen van een persoon, het verloop van zijn toekomstig beschikbaar inkomen en zijn leeftijd.
66
New cards
Erfenissparen
Vermogen dat wordt overgedragen aan de volgende generatie.
67
New cards
Indexkorf
Een zogeheten (virtueel) boodschappenmandje, waarin allerlei producten en diensten zijn opgenomen waaraan een bepaald gewicht wordt toegekend.
68
New cards
Big data
Het verzamelen, verwerken en verbinden van de grote hoeveelheid gestructureerde, ongestructureerde of semi gestructureerde gegevens.
69
New cards
Webscraping
Hierbij wordt software gebruikt om automatische prijzen van producten uit webshops te plukken.
70
New cards
Kettingindex
De wegingsreferentieperiode regelmatig wordt opgeschoven en de prijzen en hoeveelheden niet meer vergeleken worden tussen de huidige periode en een vaste referentieperiode, maar de huidige periode vergeleken wordt met een tussenliggende periode.
71
New cards
Gezondheidsindexcijfer
Afgeleid van de consumptieprijsindex, waaruit een aantal producten zoals alcoholische dranken (in de winkel gekocht of in een café geconsumeerd), tabakswaren en motorbrandstoffen (met uitzondering van LPG) gehaald zijn.
72
New cards
Afgevlakte gezondheidsindex
De gemiddelde waarde van de gezondheidsindexen van de 4 laatste maanden), is de basis voor de indexering van pensioenen, sociale uitkeringen en sommige lonen en wedden.
73
New cards
Productieproces
Het proces waarbij een organisatie input \n (productiefactoren) omzet in output (productie)
74
New cards
Productiefunctie
Een functie die de maximale output van een bedrijf, een bedrijfstak of een gehele economie specificeert voor alle combinaties van productiefactoren (inputs).
Een functie die de maximale output van een bedrijf, een bedrijfstak of een gehele economie specificeert voor alle combinaties van productiefactoren (inputs).
75
New cards
TW= TO- TK
TO= Hoeveelheid producten X Prijs

TK= Ingezette productiefactoren X vergoeding (=prijs)
TO= Hoeveelheid producten X Prijs

TK= Ingezette productiefactoren X vergoeding (=prijs)
76
New cards
Productiviteit
Een productiefunctie geeft het verband weer tussen enerzijds de omvang van de productie en anderzijds de hoeveelheid ingezette productiefactoren.

In formule vorm:

Output producten/ input productiefactoren
77
New cards
Korte termijn
De hypothese dat het aantal eenheden dat men in een gegeven periode kan voortbrengen met de beschikbare hoeveelheid kapitaalgoederen (=productiecapaciteit) constant blijft.

Hier gaat men na hoe de productie toeneemt, maar dan bij hoeveelheidsstijging van 1 enkele productiefactor (bv arbeid), alle andere factoren blijven constant (=ceteris paribus).
78
New cards
Lange termijn
Alle kosten worden variabel omdat alle __productiefactoren ook variabel__ worden. Om de productie te verhogen, koopt men nieuwe machines en breidt men de fabrieken uit.
79
New cards
TP
Totale productie: Opbrengst van de ingezette productiefactoren gedurende een bepaalde tijd
80
New cards
MP
Marginale productie; meeropbrengst wanneer de hoeveelheid van de variabele productiefactor (bv arbeid) met 1 eenheid toeneemt. (men spreekt ook wel over de marginale arbeidsproductiviteit)
81
New cards
Marginale arbeidsproductiviteit
Is de verhouding tussen de extra productie en de extra benodigde arbeid. MP= TP/A
Is de verhouding tussen de extra productie en de extra benodigde arbeid. MP= TP/A
82
New cards
GP
Gemiddelde productie: De gemiddelde opbrengst van 1 eenheid van de (variabel) productiefactor. (ander term is gemiddelde arbeidsproductiviteit)
Gemiddelde productie: De gemiddelde opbrengst van 1 eenheid van de (variabel) productiefactor. (ander term is gemiddelde arbeidsproductiviteit)
83
New cards
De wet van de toe- en afnemende meeropbrengst
Een ervaringsregels die leert dat, als men aan een constant gehouden productiefactor (bv grond) achtereenvolgens eenheden van de variabele productiefactor (bv arbeid) toevoegt, dat de TP (bv graan) eerst meer dan evenredig en vervolgens minder dan evenredig toeneemt met de variabele productiefactor. Na de verzadigingspunt begint de TP zelfs te ==dalen== en wordt ten slotte negatief.
Een ervaringsregels die leert dat, als men aan een constant gehouden productiefactor (bv grond) achtereenvolgens eenheden van de variabele productiefactor (bv arbeid) toevoegt, dat de TP (bv graan) eerst meer dan evenredig en vervolgens minder dan evenredig toeneemt met de variabele productiefactor. Na de verzadigingspunt begint de TP zelfs te ==dalen== en wordt ten $$slotte negatief$$.
84
New cards
Productiekosten
De kosten, samenhangend met de vervaardiging van een eindproduct. bv elke werknemer, elke machine, elke kg grondstof
85
New cards
TCK
Totale constante kosten: Een deel van de productiekosten blijft constant op korte termijn. bv afschrijving machines, brandverzekering van gebouwen, rente op leningen, huur van bedrijfspand, …
Totale constante kosten: Een deel van de productiekosten blijft constant op korte termijn. bv afschrijving machines, brandverzekering van gebouwen, rente op leningen, huur van bedrijfspand, …
86
New cards
TVK
Totale variabele kosten: de kosten die afhankelijk zijn van de afzet (q). Als de afzet toeneemt, nemen de totale variabele kosten toe. bv vergoeding leidinggevende
Totale variabele kosten: de kosten die afhankelijk zijn van de afzet (q). Als de afzet toeneemt, nemen de totale variabele kosten toe. bv vergoeding leidinggevende
87
New cards
Totale kosten
Alle kosten van een onderneming in een bepaalde periode. Gelijk aan de som van de totale variabele kosten (TVK) en de totale constante kosten (TCK).
Alle kosten van een onderneming in een bepaalde periode. Gelijk aan de som van de totale variabele kosten (TVK) en de totale constante kosten (TCK).
88
New cards
FACTOREN DIE HOOGTE ELASTICITEIT BEPALEN?
• **Aard van het goed** : producten met langere \n productietijd minder elastisch \n • **Beschouwde tijdsperiode:** hoe langer de periode, hoe \n elastischer
89
New cards
Contributiemarge
Het is de marge die overblijft per product voor het dekken van de constante kosten en eventueel voor het maken van winst.
90
New cards
Volkomen concurrentie
Een marktvorm die gekenmerkt wordt door een groot aantal vragers en aanbieders, homogene goederen, een transparante markt en vrije toe- en uittreding.
91
New cards
Prijszetter
Het bedrijf met de invloed, marktmacht en differentiatie om de prijs voor de hele markt te kunnen bepalen
92
New cards
Evenwichtsprijs
De prijs die door vrije werking van vraag en aanbod ontstaat.
93
New cards
Transparantie van de markt
Markt is doorzichtig als alle partijen op de hoogte zijn van alle marktelementen.

Een markt is **onvolkomen** indien de producten en consumenten niet beschikt over volledige informatie in verband met de marktsituatie.

* Gewenste prijzen
* kwaliteit
* ….
94
New cards
Toetredingsmogelijkheid
Markt is **open**: Vragers en aanbieders kunnen vrij toetreden en uittreden.

\-→ In praktijk is dit niet zo!

* toegang moeilijk door __groot startbudget__
* vergunningen en vestigingsvoorwaarden nodig
* concurrentie die al naambekendheid hebben
95
New cards
Mate van productdifferentiatie?
* __**Homogeen**__: Als de consument de goederen/ diensten identiek waarderen
* dwz: geen verschil in kwaliteit, levertijd, service, …
* ENKEL de prijs zet de consument aan om de aankoop al dan niet te kopen!
* __**Heterogeen**__: Als de consument de producten kan onderscheiden via productdifferentiatie
96
New cards
Productieoptiek
De totale waarde van de goederen en diensten
97
New cards
Bestedingsoptiek
De totale uitgaven aan producten
98
New cards
Inkomensoptiek
Inkomen verdiend voor productieve prestaties
99
New cards
Vervangingsinvesteringen
Dienen om de bestaande kapitaalgoederen te vervangen

* Ze vergroten de bestaande productiecapaciteit **NIET**
* __*Kapitaal goederen*__ vervangen **TECHNISCHE SLIJTAGE** (door gebruik) en **ECONOMISCHE SLIJTAGE** (door veroudering)
* Bedrijven leggen __*Intern financieringsbron*__ aan om de waardedaling op te kunnen vangen (afschrijvingen)

→ Interne bron die de vervangingsinvestering financiert
100
New cards
Uitbreidingsinvesteringen
Dienen om de bestaande productieactiviteit (capaciteit) te verhogen

* Aanleggen van voorraden (ontstaan omdat gezinnen deel consumptiegoederen niet kopen)
* De deel niet verkochte consumptiegoederen= investeringsgoederen/ productiegoederen tot ze een consument hebben bereikt
* (vlottende investering)
* **DESINVESTERING**= als voorraden afnemen, zijn de investeringen in voorraden **NEGATIEF**

Explore top flashcards

Onc lec 3
Updated 435d ago
flashcards Flashcards (112)
SAT Vocab Lesson 7-8
Updated 321d ago
flashcards Flashcards (30)
Uni
Updated 450d ago
flashcards Flashcards (42)
POS lesson 15
Updated 1074d ago
flashcards Flashcards (29)
Festival Neck Pain
Updated 1099d ago
flashcards Flashcards (81)
Unit 5: Hereditary
Updated 1044d ago
flashcards Flashcards (62)
Onc lec 3
Updated 435d ago
flashcards Flashcards (112)
SAT Vocab Lesson 7-8
Updated 321d ago
flashcards Flashcards (30)
Uni
Updated 450d ago
flashcards Flashcards (42)
POS lesson 15
Updated 1074d ago
flashcards Flashcards (29)
Festival Neck Pain
Updated 1099d ago
flashcards Flashcards (81)
Unit 5: Hereditary
Updated 1044d ago
flashcards Flashcards (62)