Send a link to your students to track their progress
125 Terms
1
New cards
Bedrijf
Een organisatie die goederen en/of diensten voortbrengt met het doel deze op een afzetmarkt te verkopen;
we onderscheiden hier een bedrijf zonder winstoogmerk en een bedrijf met winstoogmerk.
2
New cards
Onderneming
Een bedrijf dat altijd gericht is op het maken van winst
3
New cards
Organisatie
Een menselijke samenwerking die doelgericht en als blijvend bedoeld is
4
New cards
Vennootschap
Een bedrijf met een juridisch statuut;
volgens het Wetboek van vennootschappen, art1,
eerste lid, wordt een vennootschap opgericht door een contract op grond waarvan twee of meer personen overeenkomen iets in gemeenschap te brengen met als doel één of meer nauwkeurig omschreven activiteiten uit te oefenen en met het oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen (Colaert, Keirsblick, Terryn en Vananroye (eds.), 2016).
5
New cards
De economische wetenschap
De studie van het menselijk streven naar bevrediging van behoeften met behulp van schaarse middelen.
6
New cards
Micro-economie
Is de economie in het klein, de kleinschalige economie.
Binnen de micro-economie staat de vraag en het aanbod centraal en bekijken we het economisch handelen van de consumenten (gezinnen) en de producenten (ondernemingen).
7
New cards
Behoefte
Het aanvoelen van een tekort en het streven om dit tekort te bevredigen
8
New cards
Economisch principe
De mens tracht met zijn beschikbare middelen zo te kiezen, dat hij volgens zijn schatting een maximale behoeftebevrediging bereikt.
* Kiezen uit alternatieve mogelijkheden = NOODZAKELIJK * Gebruikt men de beperkte middelen voor een bepaald goed, dan kan men ze niet meer inzetten bij de productie v/e ander goed
9
New cards
Welvaart
De mate waarin mensen met beschikbare schaarse middelen in hun behoefte kunnen voorzien.
10
New cards
Welzijn
Het gevoel van “welbevinden” en betekent ook bevrediging van verlangens (vriendschap en liefde) die geen beslag leggen op schaarse middelen.
11
New cards
Vrije goederen
Niet-schaarse goederen. Ze zijn in de natuur zo overvloedig aanwezig dat de volledige behoefte kan worden bevredigd.
12
New cards
Economische goederen
Schaarse goederen
13
New cards
Consumptie goederen
Bevredigen onmiddellijk de behoeften van gezinshuishoudingen
14
New cards
Verbruiksgoederen
Die je verschillende malen aanwendt voor de bevrediging van dezelfde behoefte
15
New cards
Gebruiksgoederen
Zijn goederen die je verschillende malen aanwendt voor de bevrediging van dezelfde behoefte
16
New cards
Investeringsgoederen
Dienen om andere goederen (consumptie-of investeringsgoederen) te produceren
17
New cards
Kapitaalgoederen
Duurzaam (levensduur ten minste 1 jaar)
18
New cards
Vlottende investeringsgoederen
Niet-duurzaam (worden tijdens het productieproces vernietigd of verbruikt)
19
New cards
Consumptie
De aanwending van economische goederen voor niet-productieve doeleinden
20
New cards
Productie
Het scheppen of toevoegen van waarde (=nuttigheden) aan de economische goederen.
Het produceren gaat gepaard met het verwerven van een inkomen.
21
New cards
Productiefactoren
De productie ontstaat door de samenwerking van drie categorieën nl.
De drie vormen de input die het bedrijf, via allerlei bedrijfsprocessen, kan transformeren tot producten en/of diensten. (kapitaal=omwegproductie, via een omweg of indirect de behoeften bevredigen) De bedrijfskundige Peter Drucker voegde ook kennis toe. In een snel evoluerende omgeving moeten organisaties verouderde kennis afstoten en nieuwe kennis ontwikkelen. Zo spreken we ook van “kennisorganisaties”. 2
22
New cards
De natuur
De natuurlijke rijkdommen die aangewend worden als grondstof en als energie
23
New cards
De Arbeid
Alle mogelijke arbeidsprestaties zowel van fysieke als van intellectuele aard.
24
New cards
Het Kapitaal
Het geheel van door mensen geproduceerde productiemiddelen (machines, fabrieksgebouwen, infrastructuur van een land)
25
New cards
Nominaal inkomen
Het inkomen, uitgedrukt in geldeenheden
26
New cards
Reëel inkomen
Het inkomen uitgedrukt in de hoeveelheid goederen en diensten die je ermee kan kopen.
27
New cards
Koopkracht
Geeft aan hoeveel goederen en diensten een huishouden gemiddeld kan kopen.
28
New cards
Individuele vraagcurve
Geeft weer welke hoeveelheid van een bepaald goed de consument bereid is te kopen tegen een reeks van prijzen.
29
New cards
Bandwagoneffect
Bij levensstijl/ bij psychologische factoren: mensen willen elkaar nadoen
30
New cards
Snobeffect
Bij levensstijl/ bij psychologische factoren: mensen willen zich exclusief gedragen
31
New cards
Eerste wet van Gossen
Naarmate men meer beschikt over een aantal eenheden van een bepaald goed, daalt voor de consument het nut dat de laatste eenheid aan het totale nut toevoegt
32
New cards
Complementaire goederen
De goederen vullen elkaar aan bij het voldoen van eenzelfde behoefte. De prijsstijging van goed Y zal leiden tot een daling van de vraag naar goed X (of omgekeerd).
33
New cards
Substitueerbare goederen
De goederen kunnen elkaar vervangen om aan eenzelfde behoefte te voldoen. De prijsstijging van goed Y zal leiden tot een stijging van de vraag naar goed X (of omgekeerd).
34
New cards
Collectieve vraag
De totale hoeveelheid die alle consumenten in de markt vragen tegen een reeks van prijzen.
35
New cards
Prijselasticiteit van de vraag
Is de verhouding tussen de procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid van een goed en de procentuele verandering van de prijs van dat goed (bij gegeven preferenties en inkomen).
36
New cards
Kruiselingse prijselasticiteit van de vraag
Is de verhouding tussen de procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid van een bepaald goed X en de procentuele verandering van de prijs van een goed Y (bij gegeven prijs van het goed X, inkomen en preferenties)
37
New cards
Inkomenselasticiteit van de vraag
Is de verhouding tussen de procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid van een goed en de procentuele verandering van het inkomen van de consumenten (bij gegeven prijs en preferenties).
38
New cards
Spaarquote
Het aandeel van het beschikbaar inkomen dat de particulieren sparen.
39
New cards
Wet van de toe- en afnemende meeropbrengst
Leert dat, als men eenheden van een variabele productiefactor toevoegt, de TP (=Q) eerst meer dan evenredig en vervolgens minder dan evenredig toeneemt. Na het verzadigingspunt begint de Q zelfs te dalen.
40
New cards
Productiekosten
De kosten van de productiemiddelen die ingezet worden om een eindproduct te bekomen.
41
New cards
Totale constante kosten
Blijven per tijdsperiode onveranderlijk binnen de gegeven productiecapaciteit (= korte termijn) en veranderen niet met de omvang van de productie
42
New cards
Totale variabele kosten
Zijn kosten die veranderen in functie van de omvang van de productie
43
New cards
Breakevenpunt
Het geeft de afzet aan waarbij totale opbrengst en totale kosten gelijk zijn aan elkaar.
44
New cards
Breakevenafzet
Dit is de productie of de afzet waarbij de totale opbrengsten gelijk zijn aan de totale kosten.
45
New cards
Breakevenomzet
Breakevenafzet \* VP
46
New cards
Individuele aanbodcurve
De relatie tussen de aangeboden hoeveelheid van een goed en zijn prijs wanneer alle andere invloeden op de geplande verkoop door producenten gelijk blijven.
47
New cards
Collectieve aanbodcurve
De totale hoeveelheid die alle producenten in de markt aanbieden tegen een reeks van prijzen.
48
New cards
Evenwichtsprijs en evenwichtshoeveelheid
De prijs en de hoeveelheid waarbij de aangeboden en gevraagde hoeveelheid met elkaar overeenstemmen
49
New cards
Maximumprijs
Dit is een prijs waarboven producenten niet mogen verkopen. Het ligt onder de evenwichtsprijs. Het is ter bescherming van de koopkracht van de consument.
50
New cards
Minimumprijs
Dit is een prijs waaronder de producenten niet mogen verkopen. Het ligt boven de evenwichtsprijs. Het is ter bescherming van de producent.
51
New cards
Aanbodoverschot
De aangeboden hoeveelheid is groter dan de gevraagde hoeveelheid.
52
New cards
Vraagoverschot
De gevraagde hoeveelheid is groter dan de aangeboden hoeveelheid.
53
New cards
Overheidsmonopolie
Hierbij neemt de overheid met uitsluiting van de private sector de productie van zekere goederen of diensten in handen.
54
New cards
Feitelijke monopolie
Ontstaat door het feit dat een ondernemer erin slaagt alle concurrenten uit de markt te dringen. (octrooi of technische suprematie)
55
New cards
Natuurlijk monopolie
Een bedrijf beschikt als enige over de natuurlijke omstandigheden die nodig zijn voor productie bv. zoutmijnen, diamantmijnen (ZuidAfrika),
56
New cards
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
“Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) is de verantwoordelijkheid van een organisatie voor de effecten van haar besluiten en activiteiten op de maatschappij en het milieu door transparant en ethisch gedrag (Bron: ISO 26000).”
57
New cards
Directe omgevingsfactoren
Klanten, leveranciers, werknemers, concurrenten, andere stakeholders
58
New cards
indirecte omgevingsfactoren
DESTEP
59
New cards
Economische kringloop
Het kringloopschema geeft de samenwerking weer tussen de gezinnen en de bedrijven (basisversie) of gezinnen, bedrijven, de overheid, sparen en investeringen (uitgebreide versie)
60
New cards
Bruto toegevoegde waarde
Verschil tussen de marktprijs van de geproduceerde goederen/diensten en de waarde van de in het productieproces verbruikte goederen en diensten.
61
New cards
Economische activiteit vanuit productieoptiek
De totale waarde van de goederen en diensten die gedurende één jaar zijn geproduceerd.
62
New cards
Directe belastingen
Geheven op het inkomen van de gezinnen en op de winsten van de ondernemingen.
63
New cards
Indirecte belastingen
Geheven op goederen en diensten (BTW, accijnzen); ondernemingen storten door
64
New cards
Parafiscale ontvangsten
De RSZ-bijdragen
65
New cards
Subsidie
Bepaalde financiële steun van de overheid aan een activiteit (kan aan consumenten of aan producenten gegeven worden)
66
New cards
BBP tegen marktprijzen
De som van de bruto toegevoegde waarde of het finaal product tegen marktprijzen van alle goederen en diensten die op één jaar tijd worden geproduceerd`3` op het grondgebied van een land, zowel door niet- als ingezetenen.
67
New cards
BNP tegen marktprijzen
De som van de bruto toegevoegde waarde of het finaal product tegen marktprijzen van alle goederen en diensten die er op één jaar tijd worden geproduceerd, door de mensen4 die in een land wonen, ongeacht of ze in dat land of het buitenland werken, gedurende één jaar.
68
New cards
Het nationaal inkomen (Y) (van een land)
Het is de beloning voor de productiefactoren namelijk de som van loon, interest, winst en pacht. Het wordt gemeten over één jaar?
69
New cards
Het nationaal product (W) (van een land)
Wat de bedrijven produceren via de productiefactoren.
Het wordt gemeten over één jaar
70
New cards
Reële BBP
Het BBP wordt gemeten via constante prijzen dus via de prijzen van vroegere jaren, – dwz gecorrigeerd op inflatie. Zo kan je beter meten of het volume van de producten en diensten gestegen is
71
New cards
Nominale BBP
Het BBP wordt gemeten via de werkelijke prijzen dus via de prijzen van dat jaar. Men spreekt ook van prijzen in nominale termen of van lopende prijzen.
72
New cards
BBP per capita
BBP per geregistreerde inwoner van een land
73
New cards
Groen BBP
Het BBP dat gecorrigeerd is voor de verandering van de kwaliteit van het leefmilieu. (houdt geen rekening met sociale aspecten)
74
New cards
Human development index
Index die rekening houdt met armoede, analfabetisme, onderwijs en levensverwachting in een bepaald land of gebied.
75
New cards
Donut-economie
Een planetaire economie waarin de ecologische grenzen van onze aarde worden gerespecteerd en we ervoor zorgen dat ieder mens een waardig leven kan leiden.
76
New cards
Netto-uitvoer
Export – Invoer of X-M
Indien X-M > 0, dan is er een positieve netto-uitvoer
Indien X-M
77
New cards
Economische groei (formule)
78
New cards
Arbeidsmarkt
Markt is waar vraag en aanbod samen komen. In dit geval gaat het over arbeidskrachten.
79
New cards
Aanbod van arbeid
De beroepsbevolking
80
New cards
Vraag naar arbeid
De vraag vanuit de bedrijven en de overheid
81
New cards
Beroepsbevolking
Alle personen van 15 jaar of ouder die in België wonen en die zich op 30 juni van een bepaald referentiejaar op de arbeidsmarkt aanbieden (=werkenden) of willen aanbieden
(=werklozen)
82
New cards
Bevolking op arbeidsleeftijd
Mannen en vrouwen van 15 jaar tot 64 jaar
83
New cards
Activiteitsgraad
De procentuele verhouding tussen de beroepsbevolking en de bevolking op arbeidsleeftijd
84
New cards
Werkzaamheidsgraad (= werkgelegenheidsgraad)
De procentuele verhouding tussen de werkenden en de bevolking op arbeidsleeftijd (in EU: 20 jaar tot 64 jaar)
85
New cards
Werkloosheidsgraad
De procentuele verhouding tussen de werklozen en de beroepsbevolking
86
New cards
NEET-jongeren
Not in Employment, Education or Training
87
New cards
Arbeidsmarktparadox
Ondanks de werkloosheidsgraad, kent men in België dit fenomeen, namelijk dat er veel niet-ingevulde werkaanbiedingen zijn
88
New cards
Knelpuntberoep
Beroepen waarvoor het vervullingspercentage laag is
89
New cards
Werkloosheidsval
De financiële prikkel om te gaan werken is te laag (weinig verschil tussen nettoloon en werkloosheidsuitkering)
90
New cards
Concurrentievermogen
Capaciteit van een economie om een duurzame toename van de levenstandaard te realiseren en een zo laag mogelijk niveau van onvrijwillige werkloosheid
91
New cards
Belgische automatische loonidexering
De aanpassing van de lonen en wedden van werknemers met een sterke regelmaat en volgens een bepaald systeem aangepast ingevolge de schommelingen van de consumptieprijzen
92
New cards
Afgevlakte gezondheidsindex
Het voortschrijdend gemiddelde van de laatste vier maandelijkse gezondheidsindexen
93
New cards
Loonnorm
De maximum toegelaten marge voor nominale loonstijgingen voor een tweejaarlijkse periode
94
New cards
Consumptieprijsindex
Een indexcijfer van kleinhandelsprijzen (korf van goederen en diensten) (Op 1 januari wordt telkens de indexkorf vastgelegd met als basis 2013=100).
95
New cards
Inflatie (formule)
96
New cards
Reële rentevoet (formule)
Reële rentevoet = nominale rentevoet - inflatie
97
New cards
Conjuncturele inflatie
Ontstaat wanneer de vraag naar goederen of diensten groter is dan de productiecapaciteit
98
New cards
Structurele inflatie
Ontstaat door verhoogde kosten voor het vervaardigen van goederen of diensten (kosteninflatie of aanbodinflatie)/ stijging van invoerprijzen (importinflatie)
99
New cards
Monetaire inflatie
Geldhoeveelheid verhogen (inflatoire kracht) waardoor bij gelijk gebleven goederen, diensten en transacties de prijs zal stijgen