Send a link to your students to track their progress
106 Terms
1
New cards
Afschrijving
De jaarlijkse waardevermindering van kapitaalgoederen
2
New cards
investeren
Bedrijven besteden geld aan productiemiddelen, zoals kapitaalgoederen.
3
New cards
kostprijs per product
Alle kosten die je hebt voor het maken van één product.
4
New cards
maatschappelijk verantwoord ondernemen
Bedrijven houden rekening met de gevolgen van hun productie voor mens en milieu.
5
New cards
productiefactoren
Alle middelen die je nodig hebt om te kunnen produceren: natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap
6
New cards
Toegevoegde waarde
De extra waarde die ontstaat doordat een bedrijf een product bewerkt.
7
New cards
variabele kosten
Kosten die veranderen als je meer of minder gaat produceren. Bijvoorbeeld de kosten van grondstoffen.
8
New cards
vaste kosten
Kosten die niet meteen veranderen als je meer of minder gaat produceren. Bijvoorbeeld de huur van je gebouw.
9
New cards
arbeidsproductiviteit
de productie per werknemer in een bepaalde tijd
10
New cards
arbeidsverdeling
Verdeling van taken waarbij iedere medewerker het werk doet waar hij goed in is. Je hebt elk je eigen specialisatie.
11
New cards
Brutowinst
Omzet - inkoopwaarde
12
New cards
Nettoresultaat
De brutowinst min de bedrijfskosten. Dit kan nettowinst of nettoverlies zijn.
13
New cards
omzet
het totaalbedrag dat een bedrijf ontvangt door de verkoop van producten
14
New cards
productiecapaciteit
de maximale hoeveelheid producten die een bedrijf kan maken
wordt bepaald door -het aantal mensenuren dat er in het bedrijf gewerkt wordt - de kapitaal goederen (zoals machines) die worden gebruikt
15
New cards
abstracte markt
het geheel van vraag naar en aanbod van een product
16
New cards
afzet
Het aantal verkochte producten
17
New cards
BTW
Belasting toegevoegde waarde. Belasting op de verkoop van goederen en diensten die de winkelier moet optellen bij de verkoopprijs. Btw wordt ook wel omzetbelasting genoemd.
18
New cards
concrete markt
Een plaats waar op afgesproken tijden goederen worden verhandeld
19
New cards
concurrenten
Bedrijven die goederen of diensten aanbieden die in dezelfde behoeften van consumenten voorzien.
20
New cards
Consumentenprijs
De prijs die je als klant uiteindelijk in de winkel betaalt, dus de prijs inclusief btw.
21
New cards
Formele sector
Werk en productie die geregistreerd wordt door het CBS. Dit is alle productie door bedrijven en overheid.
22
New cards
informele sector
Werk en productie die niet geregistreerd wordt door het CBS. Bijvoorbeeld zelfvoorziening, zwart werk.
23
New cards
produceren
Het maken van goederen of het leveren van diensten
24
New cards
winst (of verlies)
Het bedrag dat het bedrijf overhoudt (of tekortkomt) nadat alle kosten van de omzet zijn afgehaald.
25
New cards
evenwichtshoeveelheid
het aantal producten dat gevraagd en aangeboden wordt bij de evenwichtsprijs
26
New cards
evenwichtsprijs
de prijs waarbij vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn
27
New cards
transparante markt
een markt waarin je de aangeboden producten en de prijzen goed met elkaar kunt vergelijken
28
New cards
fusie
Twee bedrijven vormen samen één nieuw bedrijf.
29
New cards
heterogeen goed
Goed waarbij het voor de klant verschil maakt wie het levert of van welk merk het is.
30
New cards
homogeen goed
een goed waarbij het voor de vragers niet uitmaakt wie dat goed levert
31
New cards
kartel
Afspraken tussen bedrijven om hun onderlinge concurrentie te beperken (is bij wet verboden).
32
New cards
marktaandeel
de afzet van een bedrijf in procenten van de totale afzet op de markt
33
New cards
monopolie
Marktvorm met slechts één aanbieder.
34
New cards
monopolitische concurrentie
marktvorm met veel aanbieders van heterogene goederen
35
New cards
oligopolie
marktvorm met een klein aantal aanbieders. dat kan een homogeen oligopolie zijn of een heterogeen oligopolie
36
New cards
volkomen concurrentie
marktvorm met veel aanbieders en veel vragers van homogene goederen
37
New cards
arbeidsovereenkomst
Afspraak dat een werknemer in loondienst komt werken bij een werkgever
38
New cards
brutoloon
het loon waarop nog niets is ingehouden
39
New cards
deeltijdbaan
een baan voor minder dan het volledige aantal uren per week
40
New cards
flexibele baan
Je werkt alleen wanneer de werkgever je nodig heeft bijvoorbeeld met uitzendwerk of als oproepkracht
41
New cards
nettoloon
Het loon dat je ontvangt na inhouding van loonbelasting en sociale premies.
42
New cards
tijdelijke baan
baan voor een bepaalde tijd tot een afgesproken einddatum
43
New cards
vacature
Een baan waar iemand voor wordt gezocht.
44
New cards
vaste baan
Baan waarbij geen einddatum is afgesproken
45
New cards
voltijdbaan
een volledige baan (36 a 40 uur per week )
46
New cards
wettelijk minimumloon
Het bedrag dat een werknemer van 23 jaar en ouder minstens moet verdienen met een voltijdbaan. als je jonger bent dan 23 geldt het minimumjeugdloon
47
New cards
zelfstandige
iemand die met een eigen onderneming zijn inkomen verdient
48
New cards
zzp'er
zelfstandige zonder personeel
49
New cards
BV
Onderneming met één of enkele eigenaren als aandeelhouder. De aandelen zijn niet voor iedereen te koop.
50
New cards
eenmanszaak
Onderneming met één persoon die eigenaar is en de leiding heeft.
51
New cards
inkomstenbelasting
Belasting die iedereen over zijn privé-inkomen moet betalen.
52
New cards
stichting
Instelling die opgericht is om een bepaald doel te verwezenlijken en die niet op winst gericht is.
53
New cards
vennootschapsbelasting
belasting die nv's en bv's over hun winst betalen
54
New cards
VOF
Een onderneming met meer eigenaren die samen de leiding hebben
55
New cards
NV
Onderneming met meerdere eigenaren die aandeelhouder zijn. De aandelen worden vrij verhandeld op de effectenbeurs.
56
New cards
algemene wet gelijke behandeling
Wet die verbiedt dat er onderscheid gemaakt wordt op basis van geslacht, ras, leeftijd of afkomst.
57
New cards
arbeidsparticipatie
Arbeidsdeelname. Het percentage van de bevolking dat tot de beroepsbevolking behoort.
58
New cards
arbeidstijdenwet
Wet met regels voor werk- en rusttijden
59
New cards
Arbowet
Wet met regels voor veilige en gezonde arbeidsomstandigheden.
60
New cards
loon
de prijs voor arbeid
61
New cards
werknemersverzekeringen
Sociale verzekeringen voor mensen die in loondienst werken of gewerkt hebben. Bijvoorbeeld de WW en de WIA.
62
New cards
arbeidsmarkt
Het geheel van vraag naar arbeid en aanbod van arbeid.
63
New cards
beroepsbevolking
Iedereen van vijftien jaar tot de pensioenleeftijd die werkt of werkloos is. (samen vormen ze het aanbod van arbeid)
64
New cards
concurrentiepositie
De mate waarin een bedrijf in staat is te concurreren met andere bedrijven.
65
New cards
krappe arbeidsmarkt
Arbeidsmarkt waarin de vraag naar personeel groter is dan het aanbod ervan. het tegenovergestelde is een ruime arbeidsmarkt
66
New cards
UWV
Overheidsinstelling die je helpt een nieuwe baan te vinden en die beoordeelt of je recht op een Werkloosheids uitkering hebt.
67
New cards
werkgelegenheid
alle arbeidsplaatsen bij bedrijven en de overheid
68
New cards
werkloos
je bent werkloos als je geen werk hebt, maar wel actief op zoek bent naar een baan waarvoor je meteen beschikbaar bent
69
New cards
werkloosheid
Het aanbod van arbeid is groter dan de vraag ernaar.
70
New cards
conjunctruele werkloosheid
Werkloosheid die het gevolg is van een daling van de vraag naar goederen en diensten door dalende bestedingen
71
New cards
frictiewerkloosheid
Kortdurende werkloosheid omdat je even tijd nodig hebt om een nieuwe baan te vinden.
72
New cards
regionale werkloosheid
Werkloosheid die in bepaalde gebieden hoger is dan gemiddeld in het land.
73
New cards
seizoenswerkloosheid
Werkloosheid die ontstaat doordat bepaald werk alleen maar in een deel van het jaar verricht kan worden.
74
New cards
structurele werkloosheid
Werkloosheid die het gevolg is van blijvende veranderingen in het productieproces door de aanbieders van producten. Ook als het aanbod van arbeid niet aansluit op de vraag ernaar.
75
New cards
accijns
Een extra verbruiksbelasting op tabak, alcohol en brandstoffen.
76
New cards
belasting
Een verplichte bijdrage die burgers en bedrijven aan de overheid betalen.
77
New cards
collectieve sector
de overheid en de instellingen voor de sociale zekerheid
78
New cards
lagere overheden
provincies, gemeenten en waterschappen
79
New cards
miljoenennota
een toelichting op de rijksbegroting waarin de regering uitlegt welke keuzes zij gemaakt heeft
80
New cards
particuliere sector
Burgers en bedrijven. Bedrijven in de particuliere sector verkopen goederen of diensten om daarmee winst te behalen.
81
New cards
rijksbegroting
Overzicht van de inkomsten en de uitgaven die het Rijk het komende jaar verwachten
82
New cards
rijksoverheid
Het rijk, onze centrale overheid die vanuit Den Haag zaken regelt die voor het hele land van belang zijn.
83
New cards
sociale zekerheid
Alle regelingen waardoor iedereen in zijn noodzakelijke levensbehoeften kan voorzien. Bijvoorbeeld een uitkering als je daar recht op hebt.
84
New cards
subsidie
een financiële bijdrage van de overheid om mensen en bedrijven te steunen
85
New cards
CBS
centrale bureau voor statistiek. Het CBS verzamelt allerlei informatie, onder andere over economische veranderingen.
86
New cards
collectieve goederen
Voorzieningen waar alle burgers gebruik van kunnen maken en die worden geleverd en betaald door de overheid
87
New cards
CPB (Centraal Planbureau)
adviesinstelling van de overheid die onderzoekt wat de gevolgen van economische maatregelen kunnen zijn
88
New cards
marktwerking
aanbieders van producten concurreren met elkaar om de gunst van de consumenten
89
New cards
planeconomie
landen waar de overheid bepaalt wat er geproduceerd wordt, hoeveel, door wie en tegen welke prijs
90
New cards
privatiseren
de overheid besteedt taken uit of draagt die over aan particuliere bedrijven
91
New cards
SER (Sociaal Economische Raad)
Deze instelling adviseert de regering over sociaal-economische onderwerpen, zoals werkgelegenheid, lonen, uitkeringen en pensioenen.
92
New cards
sociale markteconomie
Economie waarin vraag en aanbod de prijzen bepalen, maar waar de overheid ingrijpt als dat nodig is om basisbehoeften betaalbaar te houden en iedereen een redelijk bestaan te garanderen.
93
New cards
vrijemarkteconomie
Economie waarin vraag en aanbod de prijzen bepalen en waarbij de overheid niet ingrijpt met regels of wetgeving.
94
New cards
begrotingsoverschot
de inkomsten op de rijksbegroting zijn hoger dan de uitgaven
95
New cards
begrotingstekort
de inkomsten op de rijksbegroting zijn lager dan de uitgaven
96
New cards
directe belastingen
Belasting die je rechtstreeks aan de overheid betaalt, zoals inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting
97
New cards
indirecte belastingen
Belastingen die verwerkt zijn in de prijs van een product, zoals btw en accijns. Je noemt ze ook wel kostprijsverhogende belastingen.
98
New cards
staatsschuld
Overheidsschuld. Het totaal aan leningen van de overheid op een bepaald moment.
99
New cards
sociaal minimum
Het minimumbedrag dat je nodig hebt om van te kunnen leven en dat door de overheid wordt vastgesteld.
100
New cards
sociale voorziening
uitkeringen die de overheid betaalt met geld uit de belastingopbrengsten. bijvoorbeeld de bijstand