kunstwerken als een spelletje, toch?

0.0(0)
studied byStudied by 4 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/307

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Last updated 1:40 PM on 5/21/24
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

308 Terms

1
New cards
un ami
een vriend
2
New cards
une amie
een vriendin
3
New cards
un copain
een vriend
4
New cards
une copine
een vriendin
5
New cards
un garçon
een jongen
6
New cards
une fille
een meisje
7
New cards
C'est une famille nombreuse.
Het is een een [groot gezin / grote familie].
8
New cards
Ma famille est très bruyante.
Mijn familie is zeer luidruchtig.
9
New cards
Mon frère est bavard.
Mijn broer [is een kletskous / praat graag / is spraakzaam].
10
New cards
Je n'ai pas de sœur.
Ik heb geen zus.
11
New cards
J'ai de jeunes parents.
Ik heb jonge ouders.
12
New cards
Son père n'a pas de barbe.
Zijn vader heeft geen baard.
13
New cards
Mon papa travaille dans le jardin.
Mijn vader werkt in de tuin.
14
New cards
Ma mère est assez sévère.
Mijn moeder is tamelijk streng.
15
New cards
Sa maman a peur des chats.
Zijn moeder is bang voor katten.
16
New cards
J'aime rendre visite à mes grands
Ik hou ervan mijn grootouders bezoek te brengen.
17
New cards
Mon grand
Mijn grootvader kookt goed.
18
New cards
Sa grand
\[Zijn / Haar] grootmoeder is 100 jaar!
19
New cards
Ils ont eu un enfant.
Ze hebben een kind gehad.
20
New cards
Ce bébé rit beaucoup.
Die baby lacht veel.
21
New cards
Ce couple a 5 fils et 6 filles.
Dat koppel heeft 5 zonen en 6 dochters.
22
New cards
Ma tante chante faux.
Mijn tante zingt vals.
23
New cards
Mon oncle déteste jouer aux cartes.
Mijn oom haat kaarten.
24
New cards
J'ai invité mes meilleurs amis et mes meilleures amies !
Ik heb mijn beste vrienden en vriendinnen uitgenodigd!
25
New cards
C'est un ami à moi !
Het is een vriend van mij.
26
New cards
Elle a plusieurs amies.
Ze heeft meerdere vriendinnen.
27
New cards
Mon oncle a 3 enfants : un garçon et deux filles.
Mijn oom heeft 3 kinderen: een [jongen / zoon] en twee [meisjes / dochters].
28
New cards
des vêtements (m.)
kleren
29
New cards
une chemise
een hemd
30
New cards
un pull
een trui
31
New cards
un pantalon
een broek
32
New cards
un jean
een jeans
33
New cards
un short
een short
34
New cards
une robe
een jurk
35
New cards
une jupe
een rok
36
New cards
shirt
een T
37
New cards
une veste
een vest
38
New cards
un pyjama
een pyjama
39
New cards
des chaussettes (f.)
sokken
40
New cards
des chaussures (f.)
schoenen
41
New cards
des chaussures (f.) de sport
sportschoenen
42
New cards
des bottes (f.)
laarzen
43
New cards
porter
dragen
44
New cards
mettre
aantrekken
45
New cards
Ma cousine a mis beaucoup trop de vêtements dans sa valise : 7 chemises, 8 robes, 9 jupes, 20 chaussettes, 5 pyjamas et un pantalon.
Mijn nicht heeft veel te veel kleren in haar valies gestoken: 7 hemden, 8 jurken, 9 rokken, 20 sokken, 5 pyjama’s en 1 broek.
46
New cards
Mes chaussures sont sales.
Mijn schoenen zijn vuil.
47
New cards
J’ai de nouvelles baskets !
Ik heb nieuwe sportschoenen.
48
New cards
Vous aurez besoin de (bonnes) bottes pour faire cette promenade !
\[U / Jullie] zullen (goede) laarzen nodig hebben voor die wandeling!
49
New cards
Elle ne porte jamais de pantalons.
Ze draagt nooit broeken.
50
New cards
Je mets un pull car il fait froid.
Ik doe een trui aan want het is koud.
51
New cards
Je m’habille chaudement en hiver.
Ik kleed me warm in de winter.
52
New cards
Elle porte un manteau bien chaud.
Ze draagt een goede, [dikke / warme] mantel.
53
New cards
Je mets mes baskets et j’arrive!
Ik doe mijn baskets aan en ik kom eraan!
54
New cards
un docteur
een dokter
55
New cards
un médicament
een geneesmiddel
56
New cards
un hôpital
een ziekenhuis
57
New cards
un malade
een zieke
58
New cards
Le docteur me prescrit des médicaments.
De dokter schrijft mij geneesmiddelen voor.
59
New cards
L’ambulance m’a [emmené / transporté] à l’hôpital.
De ambulance heeft me naar het ziekenhuis (over)gebracht.
60
New cards
Un malade doit être soigné.
Een zieke moet verzorgd worden.
61
New cards
des cheveux (m.)
haren
62
New cards
une tête
een hoofd
63
New cards
une bouche
een mond
64
New cards
un nez
een neus
65
New cards
un œil
een oog
66
New cards
des yeux
ogen
67
New cards
une oreille
een oor
68
New cards
une dent
een tand
69
New cards
un ventre
een buik
70
New cards
un dos
een rug
71
New cards
une jambe
een been
72
New cards
un pied
een voet
73
New cards
un genou
een knie
74
New cards
un bras
een arm
75
New cards
une main
een hand
76
New cards
un doigt
een vinger
77
New cards
grand(e)
groot
78
New cards
petit(e)
klein
79
New cards
blond
blond
80
New cards
roux / rousse
roodharig
81
New cards
long / longue
lang
82
New cards
court(e)
kort
83
New cards
beau / belle
mooi, knap
84
New cards
des lunettes (f.)
een bril
85
New cards
Il a de longs cheveux noirs.
Hij heeft lang zwart haar.
86
New cards
J'ai mal à la tête.
Ik heb pijn aan mijn hoofd.
87
New cards
J'ai mal à la bouche.
Ik heb pijn aan mijn mond.
88
New cards
J'ai mal au nez.
Ik heb pijn aan mijn neus.
89
New cards
J'ai mal à l'œil droit / à l'œil gauche.
Ik heb pijn aan mijn rechteroog / aan mijn linkeroog.
90
New cards
J'ai mal aux yeux.
Ik heb pijn aan mijn ogen.
91
New cards
J'ai mal aux oreilles.
Ik heb pijn aan mijn oren.
92
New cards
J'ai mal aux dents.
Ik heb pijn aan mijn tanden.
93
New cards
J'ai mal au ventre.
Ik heb pijn aan mijn buik.
94
New cards
J'ai mal au dos.
Ik heb pijn aan mijn rug.
95
New cards
J'ai mal à la jambe.
Ik heb pijn aan mijn been.
96
New cards
J'ai mal au pied.
Ik heb pijn aan mijn voet.
97
New cards
J'ai mal au genou.
Ik heb pijn aan mijn knie.
98
New cards
J'ai mal au bras.
Ik heb pijn aan mijn arm.
99
New cards
J'ai mal à la main.
Ik heb pijn aan mijn hand.
100
New cards
J'ai mal au doigt.
Ik heb pijn aan mijn vinger.

Explore top flashcards