LKT Nederlands eigen begrippen

0.0(0)
studied byStudied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/134

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 12:21 PM on 10/21/25
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

135 Terms

1
New cards

Aanvankelijk lezen

De fase in het leesonderwijs waarin de kinderen de letters aanleren en eenvoudige woorden hardop kunnen lezen.

2
New cards

achtervoegsel

Een gebonden morfeem dat achteraan in een woord voorkomt, bijvoorbeeld -ig of -en.

3
New cards

Actieve woordenschat/

Productieve woordenschat

de woorden die je gebruikt om met anderen te communiceren

4
New cards

afleiden

strategie voor het begrijpend lezen waarbij de lezer impliciete informatie uit de tekst aanvult

5
New cards

afleiding

een woord waarvan niet alle delen als zelfstandig woord kunnen voorkomen.

bij een afleiding wordt een gebonden morfeem (voor- of achtervoegsel) toegevoegd aan een woord, zodat een nieuw woord ontstaat.

6
New cards

akoestische identiteit

de klank van een woord, zoals opgeslagen in het woordgeheugen

7
New cards

alfabetisch schriftsysteem

schriftsysteem waarbij taal wordt weergegeven door de afzonderlijke spraakklanken van een woord te noteren

8
New cards

amuseren

spreekdoel/tekstdoel waarbij de spreker/schrijver het doel heeft om de toehoorders te vermaken, te boeien of te ontroeren.

9
New cards

analogiestrategie

spellingstrategie waarbij een woord geschreven wordt door het te vergelijken met een ander woord

10
New cards

analyseren

taalbeschouwingsstrategie waarbij een woord, zin of tekst uit elkaar gehaald wordt in onderdelen/losse elementen

11
New cards

analyseren van een woord

woordleerstrategie waarbij je achter de betekenis van een woord komt door het te analyseren in bekende woorden of door te letten op bekende voor- en achtervoegsels

12
New cards

antoniemen

woorden met tegengestelde betekenis

13
New cards

argumentatieve tekst

tekstsoort waarin de schrijver de lezer probeert te overtuigen van zijn standpunt

14
New cards

articulatorische identiteit

de uitspraak van een woord, zoals opgeslagen in het woordgeheugen

15
New cards

auditieve analyse

vaardigheid om in een woord afzonderlijke fonemen te onderscheiden. 

ook het herkennen van afzonderlijke woorden in een zin en klankstukken in een woord rekenen we tot de auditieve analyse

16
New cards

auditieve discriminatie

vaardigheid om overeenkomsten en verschillen tussen klanken of woorden te kunnen vaststellen

17
New cards

auditieve objectivatie

vaardigheid om te reflecteren op de klankvorm van een woord en niet op de betekenis

18
New cards

auditieve synthese

vaardigheid om losse klanken samen te voegen tot een woord

19
New cards

auditieve vaardigheden

vaardigheden die betrekking hebben op het horen. Spelen een rol bij het aanvankelijk lezen en spellen:

  • auditieve objectivatie

  • auditieve discriminatie

  • auditieve analyse

  • auditieve synthese

  • temporeel ordenen

  • klankpositie bepalen

20
New cards

automatiseren/automatisering

vaardigheid van een lezer om het decoderen van woorden sneller te laten verlopen en efficiëntere leesstrategieën te gebruiken.

21
New cards

BAVI

indeling van teksten in AVI-niveaus waar de leesbeleving voorop staat. bij het indelen van teksten wordt er rekening gehouden met:

  • interesse van de kinderen

  • thema van de tekst

  • leeservaring

  • complexiteit van de verhaalopbouw

22
New cards

beginrijm

alliteratie. rijmvorm waarbij (bijna) alle woorden van een dichtregel met dezelfde klank beginnen.

23
New cards

beginnende geletterdheid

ontwikkeling van de geletterdheid in de groepen 1 t/m 3 van de basisschool

24
New cards

begrijpend lezen

domein van het taalonderwijs waarbij het gaat om het begrijpen van de tekst en het achterhalen van de bedoeling. 

25
New cards

begrijpend luisteren

globaal luisteren. luisterstrategie waarbij je globaal de spreker probeert te volgen. je volgt de lijn van een betoog en let minder op details

26
New cards

beoordelingscriteria jeugdliteratuur

criteria op grond waarvan boeken voor kinderen worden beoordeeld:

  • literaire criteria

  • pedagogische criteria

  • ideologische criteria

27
New cards

bepalen doel, publiek en tekstsoort

stelvaardigheid waarbij een schrijver van tevoren nagaat:

  • wat hij met zijn tekst wil bereiken

  • voor wie de tekst bestemd is 

  • welke tekstsoort hierbij passend is

28
New cards

beschouwende tekst

tekstsoort die gaat over wat iemand vindt van iets uit de werkelijkheid. de mening van de schrijver is van belang.

29
New cards

betoogstructuur

tekststructuur waarin een mening of standpunt wordt ondersteund met argumenten

30
New cards

bottom-up-model

theorie over het verloop van het leesproces die ervan uitgaat dat een lezer begint met het waarnemen op het meest elementaire niveau (letters) en vervolgens hogere niveaus waarneemt (woorden, zinnen)

31
New cards

brabbelen

fase in de prelinguale periode waarin de baby klankgroepen produceert (dadada, bababa, mamama) en waarbij de klanken worden aangepast aan de moedertaal

32
New cards

categoriseren

principe voor woordenschatverwerving dat kinderen gebruiken voor het leren van woorden. je combineert betekenissen met elkaar en brengt woorden onder bij overkoepelende begrippen

33
New cards

classificeren

taalbeschouwingsstrategie waarbij taalverschijnselen worden ingedeeld in een bepaalde (grammaticale) klasse

34
New cards

coderen

aspect van de stelvaardigheid formuleren, gaat om het correct toepassen van de taalregels

35
New cards

cognitie

principe van informatieverwerking waarbij het gaat om het verwerken van nieuwe informatie door het denken en koppelen aan bestaande kennis. belangrijk is ook het creëren van nieuwe kennis en het gebruiken van die kennis. speelt een rol bij begrijpend lezen.

36
New cards

cognitieve functie/conceptualiserende functie

de functie van taal waarbij het gaat om het gebruik van de taal als hulpmiddel om gedachten te ordenen en greep te krijgen op de werkelijkheid:

  • rapporteren

  • redeneren

  • projecteren

37
New cards

communicatieve functie / sociale functie

functie van taal waarbij het gat om het gebruik van de taal als communicatiemiddel. Vier functies:

  • zelfhandhaving

  • zelfsturing

  • sturing van anderen 

  • structurering van het gesprek

38
New cards

communicatieve competentie

de vaardigheid van een taalgebruiker om in alle communicatieve situaties adequaat te communiceren. Vier deelcompetenties:

  • grammaticale competentie

  • tekstuele competentie

  • strategische competentie

  • functionele competentie

39
New cards

concept

betekenis van een woord. de relaties tussen de klankvorm van een woord en de betekenis zijn willekeurig.

40
New cards

copla

Spaanse dichtvorm van vier regels met acht lettergrepen

41
New cards

creatieve constructie theorie / mentalisme

theorie over het ontstaan van taal, waarbij men ervan uitgaat dat kinderen taal niet simpelweg imiteren, maar zelf over een aangeboren taalvermogen beschikken waarmee ze op creatieve manier zinnen kunnen bouwen

42
New cards

denkend schrijven

schrijfstrategie waarbij de schrijver de opdracht analyseert en vertaalt in één of meer problemen. Hij denkt na over de doelstelling en het publiek en gaat na wat hij al weet van het onderwerp. Tijdens het schrijven brengt hij steeds veranderingen, wijzigingen, aanvullingen en verbeteringen aan in de tekst. De verbeteringen hebben betrekking op alle aspecten van een tekst: 

  • inhoud

  • structuur

  • taalgebruik

  • spelling

43
New cards

dialect

variant van de taal die in een bepaalde regio gesproken wordt

44
New cards

differentiatiefase

de periode in de taalontwikkeling die loopt van 2,5 tot 5 jaar waarbij de taalontwikkeling op alle niveaus van de taal veel gedifferentieerder wordt. Kinderen leren veel nieuwe woordsoorten en de woordenschat breidt zich sterk uit

45
New cards

directe spellingstrategie

spellingstrategie waarbij het schrijven van woorden geautomatiseerd verloopt, zonder dat er regels of vergelijkingen hoeven worden toegepast

46
New cards

directe woordherkenning / lezen met behulp van visuele woordvorm

strategie voor technisch lezen, waarbij de lezer een woord herkent aan bepaalde specifieke kenmerken, zoals de volgorde van bepaalde letters

47
New cards

directieve tekst

tekstsoort waarin een bepaalde handeling of procedure wordt weergegeven

48
New cards

dyslexie

de automatisering van de woordidentificatie (lezen) en/of schriftbeeldvorming (spelling) zich niet, dan wel zeer onvolledig of moeizaam ontwikkelt.

49
New cards

éénwoordzin

de fase in de vroeglinguale periode waarin een kind ontdekt dat woorden verwijzen naar de werkelijkheid. Een kind spreekt in zinnen van één woord

50
New cards

elementaire leeshandeling

strategie voor technisch lezen, waarbij de lezer de afzonderlijke grafemen verklankt en vervolgens samenvoegt tot een woord. De elementaire leeshandeling bestaat uit drie stappen:

  1. het van links naar rechts koppelen van fonemen aan grafemen

  2. auditieve synthese

  3. betekenis geven

51
New cards

elementaire spellinghandeling

Spellingstrategie waarbij een woord wordt opgesplitst in fonemen en voor elke foneem het juiste grafeem wordt geschreven.

 

Bestaat uit de volgende stappen:

-        Auditieve analyse

-        Onthouden van de volgorde van fonemen

Koppeling van foneem en grafeem.

52
New cards

eindrijm

klankovereenkomst aan het eind van een dichtregel

53
New cards

elfje

gedicht van 11 woorden, die als volgt zijn verdeeld over vijf versregels (1,2,3,4,1)

54
New cards

etymologisch prinicpe

principe van de Nederlandse spelling.

De herkomst is bepalend voor de schrijfwijze van een woord of spraakklank. het geldt voor veel leenwoorden en bij woorden met ei/ij en au/ou.

55
New cards

evalueren van de spreektaak

spreekstrategie waarbij de spreker zich na afloop van een presentatie afvraagt of het goed ging en wat er een volgende keer anders zou kunnen.

56
New cards

foneem

een klank die betekenisverschil tussen woorden veroorzaakt. de klank /b/ veroorzaakt in de woorden bak en dak betekenisverschil en is dus een foneem.

57
New cards

fonemisch bewustzijn

het besef dat woorden uit fonemen zijn opgebouwd. Is een gevorderde fase van het fonologisch bewustzijn.

58
New cards

fonologisch bewustzijn

het vermogen om te kunnen reflecteren op de klankvorm van de taal. Is onderdeel van het metalinguïstisch bewustzijn

59
New cards

fonologisch niveau

Het niveau van de taal dat betrekking heeft op de uitspraak van woorden, de regels voor de volgorde van spraakklanken, de intonatie en het woordaccent.

60
New cards

fonologisch principe

Basisprincipe van de Nederlandse spelling waarbij elk foneem door een apart grafeem wordt weergegeven. Ook wel het beginsel van de standaarduitspraak genoemd.

61
New cards

fonologische identiteit

De klank en de uitspraak van een woord, zoals die ligt opgeslagen in het woordgeheugen.

Overkoepelend begrip voor akoestische identiteit en articulatorische identiteit.

62
New cards

fonologische spellingstrategie

Spellingstrategie waarbij je een woord opsplitst in klanken of klankgroepen en daar achtereenvolgens de bijbehorende letters voor schrijft.

Twee fonologische strategieën:

- Elementaire spellinghandeling

- Klankclusterstrategie.

63
New cards

formuleren

Stelvaardigheid waarbij het gaat om het verwoorden van de inhoud.

Een belangrijk aspect van formuleren is het toepassen van taalregels of coderen.

64
New cards

functiewoorden

woorden die een talige relatie aangeven, zoals voegwoorden en vraagwoorden

65
New cards

functioneel analfabetisme

Iemands leesniveau is zo laag dat hij zich niet kan redden in een geletterde samenleving.

66
New cards

functionele competentie

Het vermogen van een taalgebruiker om zijn taalgebruik aan te passen aan een specifieke situatie.

Maakt deel uit van de communicatieve competentie.

67
New cards

functionele geletterdheid

De vaardigheid om zich in een geletterde samenleving te kunnen redden.

68
New cards

gebroken rijm

rijmvorm waarbij er maar twee van de vier regels rijmen. Rijmschema is abcb

69
New cards

gekruist rijm

rijmvorm met schema abab

70
New cards

gepaard rijm

rijmvorm waarbij de dichtregels twee aan twee op elkaar rijmen. rijmschema is aabb

71
New cards

gebonden morfeem

Een morfeem dat niet als woord te gebruiken is, maar dat altijd gekoppeld is aan een ander woord.

Gebonden morfemen zijn onder te verdelen in:

- Voorvoegsels

- Achtervoegsels

72
New cards

Gebruikmaken van de (verbale en non-verbale) context

Woordleerstrategie waarbij je achter de betekenis van een woord komt door te letten op de context.

73
New cards

Gebruikmaken van een bron in de eerste of tweede taal

Woordleerstrategie waarbij je achter de betekenis van een woord komt door het iemand te vragen of in een woordenboek op te zoeken.

74
New cards

geletterdheid

Het vermogen om schriftelijke taal te begrijpen en te gebruiken.

In de ontwikkeling van geletterdheid worden drie stadia onderscheiden:

1. Ontluikende geletterdheid

2. Beginnende geletterdheid

3. Gevorderde geletterdheid

75
New cards

generaliseren

Taalbeschouwingsstrategie waarbij een uitspraak over taal gedaan wordt die het karakter heeft van een regel.

76
New cards

Gericht luisteren

Luisterstrategie waarbij je luistert vanuit bepaalde specifieke vragen.

77
New cards

Gesprekssoort

Verzamelnaam voor de verschillende soorten mondelinge teksten of gesprekken, zoals kringgesprek, interview of uitleg.

78
New cards

Gevorderde geletterdheid

De ontwikkeling van de geletterdheid na groep 3.

79
New cards

Globaal luisteren

Een luisterstrategie waarbij je globaal de spreker probeert te volgen. Je volgt de lijn van een betoog en let minder op de details.

80
New cards

grafeem

Een letter of lettercombinatie die naar een foneem verwijst.

In neus kennen we drie grafemen: /n/ /eu/ /s/

81
New cards

Grammaticale competentie

De kennis van de taal en de taalregels die nodig zijn om te kunnen communiceren.

Maakt deel uit van de communicatieve competentie.

82
New cards

haiku

Een gedicht van drie regels met respectievelijk 5, 7, 5 lettergrepen.

83
New cards

herordenen

Taalbeschouwingsstrategie waarbij je taalverschijnselen vanuit verschillende gezichtspunten bekijkt.

84
New cards

Het lezen van woordgroepen

Voordrachtsaspect van het technisch lezen waarbij de lezer de minieme pauzes in de zin (meestal op de grens van woordgroepen) op een correcte manier laat horen.

85
New cards

homofonen

Woorden met dezelfde uitspraak, maar een verschillende betekenis:

Hei en hij

Zei en zij

86
New cards

homografen

Woorden met de zelfde spelling , maar verschil in uitspraak:

De regent en het regent

87
New cards

huilen

Fase in de prelinguale periode waarin de baby door middel van huilen signalen geeft aan de buitenwereld.

88
New cards

hulpstrategie

Spellingstrategie waarbij gebruikgemaakt wordt van (zelfbedachte) geheugensteuntjes of hulpregels.

89
New cards

identiteiten van een woord

Een woord heeft in het woordgeheugen verschillende kenmerken of identiteiten:

- Akoestische identiteit – klank

- Articulatorische identiteit – uitspraak

- Morfologische identiteit – opbouw

- Semantische identiteit – betekenis

- Syntactische identiteit – verbindbaarheid met andere woorden

- Orthografische identiteit – spelling

90
New cards

Ideologische criteria

Beoordelingscriteria voor jeugdliteratuur waarbij er bij het beoordelen van een kinderboek vooral gelet wordt op de normen, waarden en beelden die door een boek worden overgedragen.

91
New cards

Indirecte spellingstrategie

Spellingstrategie waarbij je bij het spellen van een woord een bepaalde denkhandeling verricht, zoals het verdelen van een woord in fonemen of het toepassen van een regel.

We kennen de volgende indirecte spellingstrategieën:

- Fonologische strategie

- Woordbeeldstrategie

- Regelstrategie

- Analogiestrategie

- Hulpstrategie

92
New cards

Informatieve tekst

Tekstsoort waarin de auteur de werkelijkheid beschrijft. Hij heeft als doel de lezer informatie te geven.

93
New cards

informatieverwerking

Het efficiënt kunnen vinden en raadplegen van bronnen.

94
New cards

informeren

Spreekdoel/tekstdoel waarbij het gaat om het overbrengen van feitelijke informatie.

95
New cards

inhoudswoorden

Woorden met een duidelijk omschreven betekenis, zoals zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden.

96
New cards

instrueren

Spreekdoel/tekstdoel waarbij de spreker/schrijver iets wil uitleggen of verduidelijken.

97
New cards

Intensief luisteren

Een luisterstrategie waarbij je een zo volledig mogelijk beeld probeert te krijgen van wat de spreker te vertellen heeft.

98
New cards

Interactieve model

Theorie over het verloop van het leesproces die ervan uitgaat dat het lezen een afwisseling is tussen voorspellend lezen en woord voor woord lezen.

Bij het lezen gebruikt de lezer de visuele informatie aan de ene kant en zijn kennis van de taal aan de andere kant.

99
New cards

Interactionele benadering

Theorie over het ontstaan van taal waarbij men enerzijds het belang van het aangeboren taalleervermogen onderschrijft, maar anderzijds benadrukt dat het taalaanbod van de omgeving en de interactie tussen het kind en andere moedertaalsprekers belangrijk is bij het leren van een taal.

100
New cards

interferentiefouten

Fouten die voortkomen uit de verschillen tussen een eerste en een tweede taal.

Explore top flashcards

YCJA study guide
Updated 242d ago
flashcards Flashcards (36)
Pulmonology E1: ABGs
Updated 429d ago
flashcards Flashcards (42)
4080 Midterm
Updated 1062d ago
flashcards Flashcards (62)
Health Science
Updated 1085d ago
flashcards Flashcards (48)
Spanish 3 Unit 2-2
Updated 1070d ago
flashcards Flashcards (74)
Unit 5: Hereditary
Updated 1040d ago
flashcards Flashcards (62)
YCJA study guide
Updated 242d ago
flashcards Flashcards (36)
Pulmonology E1: ABGs
Updated 429d ago
flashcards Flashcards (42)
4080 Midterm
Updated 1062d ago
flashcards Flashcards (62)
Health Science
Updated 1085d ago
flashcards Flashcards (48)
Spanish 3 Unit 2-2
Updated 1070d ago
flashcards Flashcards (74)
Unit 5: Hereditary
Updated 1040d ago
flashcards Flashcards (62)