1/164
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
stamcel
cel die zichzelf kan delen en nog in staat om te differentiëren tot 1 of meer gespecialiseerde celtypes
stasis
fibrinogeen
eiwit in oplossing
fibrine
eiwit in onopgeloste vorm
(fibrinevorming bij bloedtrekken voorkomen door bepaalde stoffen al toe tevoegen aan buisje)
bloed
= vloeibare vorm van bindweefsel met unieke samenstelling
bestaat uit:
cellen en celfragmenten in een matrix of grondsubstantie
grondsubstantie = (bloed)plasma
serum = vloeistof die bovenop komt wnr niets wordt toegevoegd om stolling tegen te gaan = vloeistof/plasma zonder fibrinogeen (= omgezet in koek)
eiwitten in plasma = oplossing == niet als onoplosbare vezels (zoals bij andere soorten vezels)

hematocriet
volumepercentage bloedcellen tovh plasmavolume is onder normale omstandigheden constant
— alle bloedcellen komen in aanmerking bij bepaling vh hematocriet, maar hangt bijna uitsluitend af v aantal rode bloedcellen
verhouding witte bloedcellen / rode bloedcellen = 1/1000
normale hematocriet
mannen (volw) = 46%
vrouwen (volw) = 42%
vaste bestanddelen in bloed
eythrocyten
leukocyten
thrombocyten
== ontwikkelen in multipotente stamcel — bevindt vooral in bloedvormend rode beenmerg


schema hemopoëse

rijping vd bloedcellen
= beenmerg
behalve:
T-lymfocyten ontstaan in het beenmerg, maar rijpen niet daar.
migreren naar de thymus (zwezerik) = klein orgaan achter borstbeen.
In de thymus leren ze:
Zelf-tolerantie (ze mogen eigen lichaamscellen niet aanvallen)
Herkenning van antigenen via hun T-celreceptor
De thymus is vooral actief op jonge leeftijd en speelt een cruciale rol in immuniteit.
levensloop vd bloedcellen
RBC en trombocyten = in bloedbaan
lymfocyten: circuleren tussen compartimenten v bloedbaan, lymfevaten, lymfeklieren, milt en weefsels
kunnen bloedbaan verlaten door dunne wand van capilair. gaan naar plaats van infectie/ontsteking
fagocyterende cellen: naar weefsels
erytrocyten
= kleine biconcave schijfjes
dun centraal gebied + dikke rand
vorm voordelen:
cel krijgt groter opp celmembraan ivgl volume vd cel == transporprocessen over membraan versnellen
grotere flexibiliteit = cellen kunnen gemakkelijk verplaatsen doorheen nauwe lumina vd capillairen
eigenschappen rijpe rode bloedcel
geen kern
geen organellen
== kunnen niet delen + geen eiwitten of enzymen vormen
energievoorziening: glycolyse
verbruiken geen zuurstof = alle zuurstof kan aangeboden worden aan weefsels
bevat hemoglobine = eiwit dat zuurstof en beperkte mate CO2 kan binden
levensduur: 120dagen
hemoglobine
opgebouwd uit 4 subeenheden met telkens haemmolecule die elk ijzerion bevatten = reageert met zuurstofmoleculen
rode bloedcellen met hemoglobine gebonden aan zuurstof = bloed helrode kleur
rode bloedcellen zonder zuurstof gebonden = bloed donkerrode / blauwachige kleur

levenscyclus rode bloedcellen
120dagen ‘leven’
RBC in milt in grote stukken afgebroken
verdere afbreking in reticulo-endotheliaal systeem: lever, milt, beenmerg
vrijgekomen Hb wordt ijzer terug afgesplitst + opgeslagen voor hergebruik
bij afbraak Hb komt bilirubine vrij = stof die naar lever wordt vervoerd — later uitgescheiden

bloedgroep bepaling
aan- of afwezigheid v specifieke oppervlakte-antigenen op PM van de erythrocyten
— gevormd door specifieke suikerketens in de glycocalix vd rode bloedcellen
erythrocyten bevatten ten minste 50 verschillende typen oppervlakte-antigenen, maar maar 3 v belang: A, B, Rh (of D)
ABO systeem
bloedgroep A: enkel antigen A
bloedgroep B: enkel antigen B
bloedgroep AB: antigeen A en B
bloedgroep O: geen antigen A of B
(bestaan nog variaties van)
rhesuspositief (Rh+) = rhesusantigeen op opp vd erythrocyten aanwezig
rhesusnegatief = geen rehsusantigeen

aanmaak erytrocyten
aanmaak voldoende normale erytrocyten tijdens erytropoëse = afhv:
normale multipotente stamcellen
normaal beenmergstroma
normale DNA synthese
normale HB synthese
voldoende hemopoëtische groeifactoren = erytropoëtine
membraan en intracellulaire enzymapparaat vd erytrocyten moeten normaal zijn
== wnr niet = stoornis: aanleiding geven tot verminderde aanmaak en/of verhoogde afbraak v erytrocyten = bloedarmoede / anemie
anemie
toestand waarbij het aantal erytrocyten en/of HB concentratie in het perifere bloed lager is dan nrml voor de leeftijd en het geslacht


sikkelcelanemie
= bloedarmoede: hemoglobine niet mooi in oplossing = vormt lange stugge vezels = geen flexibele rode bloedcellen — stropt op
genetische oorsprong

leukocyten
= witte bloedcellen
granulocyten
agranulocyten
— alle witte bloedcellen spelen een rol in de afweer vh lichaam tegen micro-organismen en lichaamsvreemde eiwitten
granulocyten
maken 70% vd witte bloedcellen uit
neutrofielen = 90%
eosinofielen granulocyten
basofiele granulocyten
granulocyten ongeveer 2x zo groot als erytrocyten — aangetrokken door chemische stoffen: chemotaxis + kunnen doorheen capillaire wand verplaatsen = diapedese
kunnen actief bewegen doorheen het weefsel adhv amoeboïde bewegingen
neutrofielen granulocyten
lichtroze, korrelig cytoplasma
aantal vaak verhoogd bij begin v infectie
in staat om bacteriën te fagocyteren
wnr neutrofiele granulocyt dit overleefd keer die terug nr de bloedbaan
als cel dood gaat: ettervorming/pus = chemische stoffen komen vrij die andere neutrofielen aantrekken
eosinofiele granulocyten
rood korrelig cytoplasma en gelobde kern
vernietigen de antigeen-antistofcomplexen die in het bloed circuleren.
basofiele granulocyten
grote blauwe korrels in het cytoplasma en een gelobde kern
produceren heparine en histamine + zorgen voor lokale reacties die optreden bij ontstekingen: roodheid en zwelling
versterken de werking vd mestcellen die in het bindweefsel aanwezig zijn
kunnen stoffen afscheiden waardoor andere granulocyten aangetrokken worden