1/13
geen afpf
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
CGO De student kan vaststellen welke patiëntproblemen kunnen optreden bij mensen met een psychose en welke (preventieve) interventies relevant zijn voor de verpleegkundige zorgverlening op het gebied van zelfmanagement.
- Patiëntproblemen bij mensen met een psychose:
▪ Wanen → vals geloof of overtuigingen die niet op de werkelijkheid zijn gebaseerd, zoals achtervolgingswanen of grootheidswanen;
▪ Hallucinaties → het waarnemen van dingen die er niet zijn, zoals stemmen horen of visuele beelden zien;
▪ Verstoord denken → problemen met concentratie, coherente spraak of logica, wat kan leiden tot verwarring en incoherentie in gesprekken;
▪ Emotionele ontregeling → fluctuaties ion emoties, van extreme euforie tot diepe somberheid, en een gebrek aan emotionele respons (afvlakking);
▪ Sociaal isolement → vermijden van sociale interactie door wanen, hallucinaties of een gebrek aan interesse in contact met anderen;
▪ Functionele achteruitgang → verminderde capaciteit om dagelijkse takenuit te voeren, zoals werk, school of persoonlijke verzorging;
▪ Angst en stress → toenemende angstgevoelens als gevolg van de psychotische ervaringen en de gevolgen daarvan op het leven van de patiënt.
cgo bio-psychosociaal model
- Biologische, psychologische en sociale factoren beïnvloeden de gezondheid en het welzijn van een persoon.
CGO Hoe uit schizofrenie/psychose zich in het dagelijks leven? Welke impact heeft dit op de naaste omgeving?
Cognitieve problemen → concentratie en geheugenproblemen, en desorganisatie vangedachten (kan leiden tot verwarrende en onsamenhangende spraak)
Psychotische problemen → hallucinaties en wanen;
Negatieve symptomen → sociale terugtrekking, gebrek aan motivatie en emotionele vervlakking;
Functionele beperkingen → werk en studie kan moeilijk zijn, en dagelijkse taken uitvoeren;
Interpersoonlijke relaties → moeite met sociale interactie en verstoorde communicaties;
Emotionele en psychologische impact → angst en depressie, en stigma en isolatie;
Zelfzorg en gezondheid → verwaarlozing van persoonlijke verzorging en problemen met het gebruik van medicatie;
Impulsief of ongepast gedrag.
cgo Wat zijn de epidemiologische maten bij schizofrenie/psychose?
Prevalentie (= het totale aantal gevallen van een ziekte op een bepaald tijdstip in een populatie) → Er wordt geschat dat zowel de puntprevalentie als de periodeprevalentie van schizofrenie wereldwijd ongeveer 0,3% tot 0,7% bedraagt.
Incidentie (= beschrijft het aantal nieuwe gevallen dat zich in een bepaalde periode voordoet in een populatie) → schattingen wijzen op een incidentiecijfer van ongeveer 15 tot 30 nieuwe gevallen per 100.000 personen per jaar
Letaliteit (= meet het percentage mensen dat overlijdt aan de ziekte/aandoening) → 5% tot 10% die suïcide begaat.
CGO De student kan uitleggen wat het biopsychosociale model inhoudt.
Het biopsychosociale model is een holistische benadering om gezondheid en ziekte te begrijpen. Het stelt dat fysieke gezondheid wordt beïnvloed door een combinatie van drie factoren:
▪ Biologisch → genetica, lichamelijke processen, ziekten;
▪ Psychologisch → gedachten, emoties, gedrag;
▪ Sociaal → omgeving, cultuur, r
CGO De student kent de wet- en regelgeving over de wet Wvggz en kan deze toepassing is op de verpleegkundige beroepsuitoefening.
Wet verplichte ggz → biedt de mogelijkheid tot het opleggen van verplichte zorg, zoals toedienen van medicatie, insluiten of het uitoefenen van toezicht.
De wet verplichte ggz bepaald hoe je kunt ingrijpen als een patiënt gedrag vertoont dat leidt tot ernstig nadeel als gevolg van zijn psychische stoornis. De rechten van de patiënt staan altijd op 1.
Kan overal waar de patiënt zich bevindt, thuis of poliklinisch, maar ook tijdens een opnamen.
Hoe krijgt iemand verplichte zorg:
Iedereen mag een melding doen bij de gemeente;
De gemeente bepaald dan of het een aanvraag betreft bij de officier van justitie voor een aanvraag van zorgmachtiging.
Twee procedures:
▪ Zorgmachtiging → een onafhankelijke psychiater beoordeelt en schrijft een medische verklaring → officier van justitie beslist of een aanvraag van de machtiging wordt gedaan → rechter bepaald vooraf welke vormen van verplichte zorg gegeven mogen worden.
▪ Crisismaatregel → bij acuut gevaar moet snel worden gehandeld → alle vormen van verplichte zorg kunnen door de burgemeester worden opgelegd aan de hand van een medische verklaring (door onafhankelijke psychiater).
CGO De student kan het doel van preventie uitleggen en benoemen welke vormen van preventie beschreven zijn.
Universele, primaire preventie → gericht op de gezondheid van de algemene bevolking of een deel daarvan.
▪ Doel = ziekten en aandoeningen te voorkomen en zo de incidentie en prevalentie van ziekten en aandoeningen omlaag te brengen.
▪ Voorbeelden → vaccinaties, aandacht voor mondhygiëne en roken.
- Selectieve preventie → gericht op een deel van de bevolking met een hoog risico op het ontwikkelen van een gezondheidsprobleem. ▪ Aandacht is gericht op een zogenoemde hoog risicogroep. ▪ Voorbeelden → opsporen van familiaire ziekten of aandoeningen, bevolkingsonderzoek, griepprik.
Geïndiceerde preventie → gericht op mensen die niet voldoen aan de diagnostische criteria voor een ziekte of aandoening, maar wel al beperkte symptomen hebben, waardoor er een beperkte indicatie is voor een gezondheidsprobleem. ▪ Voorbeelden → het opsporen van risicovol gedrag, zoals het gebruik van voeding die rijk is aan verzadigd vet bij mensen met een te hoog cholesterolgehalte of overgewicht, of een onjuiste geneesmiddeleninname.
Zorg gerelateerde, tertiaire preventie → gericht op mensen die voldoen aan de criteria om gediagnosticeerd te worden met een gezondheidsprobleem. ▪ Doel = bij een al bestaande ziekte of aandoening de gezondheidssituatie optimaliseren, binnen de mogelijkheden en met de beperkingen die door de ziekte of aandoening zijn ontstaan. ▪ Voorbeelden → revalidatie, optimaliseren/voorkomen van verergering.
GGZ De student kent de kenmerkende criteria van Schizofrenie volgens de DSM-5;

GGZ De student kent de mogelijke gevolgen van een psychose;
Verlies van realiteitszin → moeite om fantasie van werkelijkheid te onderscheiden;
Cognitieve en emotionele problemen → verwardheid, angst, geheugen- en concentratieproblemen;
Gedragsveranderingen → onvoorspelbaar gedrag, afzondering en verlies van motivatie;
Relationele gevolgen → verstoorde relaties en sociale isolatie;
Maatschappelijke gevolgen → werk- of studieverlies, financiële problemen, stigma;
Fysieke gezondheid → verwaarlozing van zelfzorg en risico op verslaving;
Chronische problemen → kans op terugkerende psychoses;
Zelfmoordrisico → verhoogd risico op suïcidale gedachten of gedragingen.
PsycholgieDe student kan uitleggen wat de relatie is tussen stressoren, coping en het leven van een zorgvrager met schizofrenie
Stressoren kunnen bij mensen met schizofrenie symptomen zoals hallucinaties en wanen verergeren. Stress kan ook bijdragen aan een terugval.
Coping strategieën zijn manieren waarop de zorgvrager omgaat met stress. Goede coping, zoals het zoeken van steun of het aanleren van ontspanningstechnieken, kan helpen de symptomen te beheersen. Slechte coping, zoals middelenmisbruik, kan de symptomen juist verergeren.
In het leven van een zorgvrager met schizofrenie zijn stressoren vaak intenser, en de effectiviteit van coping mechanismen speelt een cruciale rol in het omgaan met de aandoening en het behouden van een zekere levenskwaliteit.
Psychologie De student kan aangeven door welke 'moderatoren' en coping strategieën de invloed van stress op mentale/fysieke gezondheid en welzijn afneemt.
Moderatoren → beïnvloedende factoren: ▪ Persoonlijkheidstype → type A (agressieve stijl) of type B (ontspannen); ▪ Locus of control → de plek waar je de invloed op een situatie situeert. ▪ Optimisme → stressoren worden beter verdragen; ▪ Weerbaarheid → houden van uitdaging, doelgericht, en hebben controle; ▪ Veerkracht → capaciteit om je aan te passen.
Coping strategie → manier om stressvolle situaties te hanteren: ▪ Probleemgerichte en emotiegerichte coping → oorzaak van probleem aanpakken; ▪ Cognitieve herstructurering → stressor positiever bekijken; ▪ Sociale vergelijkingen → leren van positief voorbeeld van anderen; ▪ Positieve emoties → humor gebruiken/opzoeken; ▪ Betekenis vinden → het beste uit (negatieve) ervaring halen.