1/78
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Barok: cultuurhistorisch een algemene context
nog altijd veel religieuze muziek
toenemend belang profane muziek (o.a. bloeiende hofculturen Europa) → opbloei theatrale genres van instrumentale muziek
ontwikkeling verschillende nationale stijlen
3 fases
overgangsfase tot ca. 1640
consolidatiefase tot ca. 1690
volledige ontplooiing v/d nieuwe verworvenheden v/d barok
3 fases van muziek in de barok
Overgangsfase / experimenteerfase tot ca. 1640: renaissancetraditie + nieuwe compositietendensen (seconda prattica/stile moderno >< prima prattica/stile antico)
Consolidatiefase (tot ca. 1690): erfenis renaissance is volledig geïntegreerd in de nieuwe muzikale taal, definitieve overgang van modale naar tonale toonsysteem
Periode waarin de nieuwe verworvenheden van de barokke muziek tot volledige ontplooiing zijn gekomen: enkele van de grootste en populairste muziekcomponisten (Bach, Vivaldi, Händel)
affecten
‘duidelijk afgelijnde, quasi gerationaliseerde gevoelens’
>< gevoelens: subjectieve connotatie
esthetiek van de barok
sluit sterk aan bij die van de late renaissance
vooral de tendens om op een directe manier uitdrukking te geven aan emoties (‘affecten’)
vroege vs. late barok
vroege barok: klemtoon vaak op scherp tegenover elkaar stellen van emoties, dicht bij madrigaal stijl (felle contrasten)
late barok (eerste helft 18de eeuw): ideaal = ieder deel van een compositie aan één affect gekoppeld
kwintencirkel
een voorstelling om de samenhang tussen de toonsoorten met verwante toonaarden duidelijk te maken
verschuiving in de loop van de 17de eeuw binnen de compositiekunst
van een modaal naar een tonaal systeem
modale toonsysteem
Verschillende toonaarden worden gekenmerkt door hun verschillende interne organisatie (positie van de halve tonen, de ‘finalis’ en de ‘repercussa’)
tonale toonsysteem
één ‘uniforme’ toonladder (uitganspunt in de barok): de majeur toonladder
essentiële kenmerken:
halve tonen tussen 3e en 4e en tussen 7e en 8e toon
5e toontrap (de dominant) behoudt dezelfde rol (wordt het vaakst aangeslagen)
één vaste variant gekoppeld a/d basistoonladder: de mineur toonladder
grondnoot = dominant MAAR positie halve tonen is anders (2-3 en 6-7)
12 grote en 12 kleine tertstoonladders, waarbinnen de verhoudingen identiek zijn (systeem van correctie om dit waar te maken, belangrijke info waarmee componisten kunnen ‘moduleren’, van de ene naar de andere toonaard gaan)
2 basisakkoorden
tonica-akkoord en dominant-akkoord
hiertussen ontstaat een spanningsveld
tonica-akkoord
op de eerste toontrap
staat voor harmonische rust en evenwicht
dominant-akkoord
op de vijfde toontrap
staat voor spanning en instabiliteit
een van de meest karakteristieke kenmerken van de renaissancemuziek
doorgedreven gebruik van contrapuntische (complex maar samenhangend polyfoon), polyfone texturen
begeleide monodie
textuur waarbij één stem op de voorgrond treedt, terwijl de andere partijen een louter begeleidende functie hebben
→ tekst expressie verhogen
het recitatief
de stem volgt al zingend de ‘natuurlijke’ curves van de menselijke stem
imitatie van de spreekstem → veel nootherhalingen, kleine intervallen, korte pauzes
bijna voortdurend declamatorisch, tekst centraal
recitativo secco of droog recitatief
stem wordt eenvoudig begeleid, vaak enkel klavierinstrument, ev. 1/+ basinstrumenten
recitativo accompagnato of begeleid recitatief
aan stem worden extra klankkleuren en soms virtuozere partijen toegevoegd
wordt vooral gebruikt op dramatische/belangrijke momenten
de aria
uitgesproken lyrisch, ontwikkeling van de melodie primeert
andere partijen (louter) begeleidende rol
in de vroege barok: overwegend syllabisch uitgewerkt >< 2e en 3e fase: sterke tendens naar virtuositeit, waardoor de partijen vaak melismatisch worden
basso continuo
= continu doorlopende baspartij, vormt harmonisch fundament doorheen de compositie
significante verschuiving t.o.v. de gangbare componeertraditie in de renaissance
2 essentiële partijen in de barokstijl
bovenste: vertolkt de melodie
onderste: biedt harmonisch fundament
partijen ertussen ‘vullen de harmonie op’
>< renaissance: alle partijen stelden het polyfone weefsel op een gelijkwaardige - vaak ‘imiterende’ - manier samen
becijferde bas
bij de baspartij worden enkele cijfers geplaatst die indicaties geven over de bijhorende akkoorden
instrumenten waarop de bas het meest gespeeld wordt
klavecimbel en basinstrument
ritornello-principe
kort instrumentaal stuk dat later (in de proloog en de rest van de opera) herhaaldelijk zal terugkeren, letterlijk “kleine terugkeer”
stile concertato
Verschillende partijen gaan met elkaar de strijd aan in een dialogerend samenspel
traditie renaissance: 2/+ groepen tegenover elkaar geplaatst, zowel koren als instrumentengroepen
traditie barok: steeds vaker monodische elementen
tempi in de barok
tegenstelling tussen trage en snelle delen wordt een belangrijk structurerend principe
vergelijk metrum tussen renaissance en barok
muziek in de barok is veel nadrukkelijker in een bepaalde maatsoort geconcipieerd
= maatsoort zelf komt prominenter op de voorgrond omdat het begin van iedere maat gekoppeld wordt aan een kleine klemtoon → uitgesproken maatgevoel
ritme in de barok
karakteriserend is een voorliefde voor een sterke motoriek (in de snelle delen)
veel barokmuziek < relatief kleine ritmische formuletjes die vaak hernomen worden (= voortspinningstechniek) = tendens die sterker wordt naarmate de barok vordert
dynamiek in de barok
dramatische contrasten (>< geleidelijke overgangen)
terrassendynamiek
de muziek is of neutraal, of luid of zacht
klankkleur in de barok vs. renaissance
renaissance: sterke homogeniteit
barok : klankkleur gebruiken om contrasten te genereren
toenemende participatie van instrumenten
experimenteren met gemengde ensembles
aanleiding tot het ontstaan van het orkest
tendens tot experimenten met gemengde ensembles (in het verlengde van het toenemend gebruik van instrumenten)
nieuwe genres in de vocale muziek in de barok
opera (profaan)
cantate (profaan/religieus)
oratorium (religieus)
nieuwe genres in de instrumentale muziek in de barok
klaviermuziek
kamermuziek
concerto
Italiaanse opera
Ontstaan
Elementen
Inhoud
Inspiratiebron
Bekendste voorbeeld
Ontstaan: begin 17de eeuw < Florentijnse intellectuelen, heropleving/herwaardering Griekse tragedie
Elementen die naar Griekse tragedie verwijzen:
monodische zang
structuur van 5 bedrijven
boodschapper figuur
reflecterend koor
Inhoud (geen aansluiting Griekse tragedie): pastorale thema’s
Inspiratiebron: Ovidius’ Metamorfosen
Bekendste voorbeeld: Claudio Monteverdi’s L’Orfeo
Monteverdi, La favola d’Orfeo
toont goed hoe elementen uit de renaissancekunst zich geleidelijk aan in een nieuwe stijl beginnen vast te zetten
belangrijkste muzikale elementen
instrumentale inleiding / sinfonia
instrumentale tussenspelen met terugkerend motief (ritornelli)
dansen met instrumentale begeleiding
recitativische passages
aria’s of liederen
koren
verschuivingen in de Italiaanse opera
Vanaf jaren ‘30-’40 van de 17de eeuw: genre verspreidt zich, richten tot groter publiek
thematiek: mythologisch → historisch (of historiserend)
toename spektakelelement (meer komische intriges, afname belang koor, ontwikkeling scenische representatie met machinerieën)
solist centraler (toename aria’s, verschillende types)
castraten (t.e.m. 18de eeuw)
capo-aria
= ABA’
in de 18de eeuw dominant
structuur met inherent contrast + kan hang naar virtuositeit perfect dienen: A’ = virtuozere versie A
recitatieven in de barok
aanvankelijk gevarieerd qua stijl
grotere uniformiteit naarmate barok vordert
castraatstem
de hoge stem van een man die voor de puberteit werd gecastreerd, waardoor zijn stembanden klein bleven maar zijn longen en lichaam wel groeiden
tot en met 18de eeuw
populair omdat ze een enorme kracht kon combineren met een uitzonderlijke virtuositeit
Belangrijkste operacomponisten uit de tweede helft van de 17de eeuw
Francesco Cavalli
Antonio Cesti
Belangrijkste operacomponisten uit de eerste helft van de 18de eeuw
Alessandro Scaralatti
Georg Friedrich Händel
exit-aria
traditioneel oogst de zanger na zijn/haar aria applaus, en verlaat hij/zij vervolgens de scène
verschil somber recitativo accompagnato en recitativo secco
recitativo accompagnato: prominent gebruik van strijkers
recitativo secco: vaak klavecimbel!
‘Da Capo’
“vanaf het begin”
In een capo-aria (ABA’) eindigt de partituur hier, omdat de uitvoerders weten dat ze het A deel moeten hernemen met variaties
Opera in Frankrijk (datering, sleutelfiguur, eigenschappen)
Pas jaren 70 van de 17de eeuw, want Franse taal ‘niet geschikt voor recitativische zetting’
Sleutelfiguur: Jean-Baptiste Lully
Eigenheden
prioriteit van de tekst: ‘tragédie en musique’, tekst op geen enkel moment ondergeschikt aan de muziek
onderscheid tussen recitatief en aria niet zo scherp
orkest vaker als volwaardige partner
natuurtaferelen
groter aandeel koor
dansen
Jean-Baptiste Lully
Italiaan van geboorte, werkzaam aan hof LXIV
Sleutelfiguur Franse opera
11 opera’s laatste decennia 17de eeuw met vaste librettist
Verderzetting werk door Jean-Philippe Rameau
Illustratie (niet beluisterd in de les): Cadmus et Hermione
Een van de discussies over stijl en nationale identiteit tijdens de barok
Lullisten vs. Ramisten
traditioneel vs. progressief
oratorium
vocaal genre waarin een verhaal wordt geëvoceerd (// opera)
gebaseerd op Bijbels onderwerp
concertant gebracht (>< scenisch zoals opera)
veel recitatieven, aria en koren
traditioneel onderscheid: oratirio latino en volgare
traditioneel onderscheid oratorium
oratorio latino: Latijn, aristocratisch publiek
oratorio vulgare: volkstaal, ruimer publiek
Belangrijkste vertegenwoordiger(s) van het 17de-eeuwse oratorium
Giacomo Carissimi (Italië)
Heinrich Schütz (Duitsland)
Belangrijkste vertegenwoordiger(s) van het oratorium in de eerste helft van de 18de eeuw
Händel - The Messiah 1741
The Messiah
oratorium van Händel, 1741
niet zo representatief voor het oratorium:
gaat normaal over één figuur en één stuk tekst >< dit is een verzameling van citaten uit verschillende delen van OT en NT
in de volkstaal
beschouwend (contemplatief)
passie
het lijdensverhaal van Christus wordt weergegeven op de wijze van het oratorium
2 bekende passies van Johann-Sebastian Bach: Johannes-Passion en Matthäus-Passion
karakteristiek is de voortdurende afwisseling van stijlen
koralen
teksten van kerkliederen die vast deel uitmaken van de protestante liturgie
liturgische gemeenschap kende die en kon ze meezingen
meestal bezinnend
instrumentale genres tijdens de barok
solomuziek
kamermuziek (ensemble van instrumenten)
orkest muziek (grotere bezetting)
klaviermuziek
tegelijkertijd verschillende partijen (‘middenstemmen’) spelen
instrumenten: orgel (kerk) en klavecimbel (huiselijk, profaan)
types: fantasia, prelude, fuga, toccata
fantasia
improvisatorisch karakter
uitvoerder creëert de indruk dat hij zijn eigen muzikale fantasie de vrije loop laat gaan
kan afwisselen tussen verschillende stijlpatronen
prelude
improvisatorisch karakter
voorspel naar meer geconstrueerde compositie, meestal vrij eenvoudige compositie
fuga
geleerde vorm
één melodisch uitgangspunt (een thema) wordt door andere partijen geïmiteerd zodat een complex polyfoon en imitatief kluwen ontstaat
toccata
wervelende compositie die sterk op de virtuositeit gericht is
style luthé
alsof het op een luit of gitaar gespeeld zou kunnen worden, in ‘gebroken akkoorden’: iedere maat // één akkoord, maar de verschillende noten worden snel na elkaar gespeeld i.p.v. tegelijkertijd
registerschuiven
houten balken met vooraan een gekleurde knop
klankkleuren veranderen
Franse suite
opeenvolging van verschillende dansen (allemande, gigue, sarabande en courante) → contrasterende muziek, afwisseling muzikale stijlen
Gebonden compositie
Compositie gebaseerd op bestaande melodieën
Belangrijke componisten van Duitse klaviermuziek (in de 2de helft van de 17de eeuw en in de eerste helft van de 18de eeuw)
in de 2de helft van de 17de eeuw
Dietrich Buxtehude
Johann Pachelbel
in de eerste helft van de 18de eeuw
Johann Sebastian Bach
Vooraanstaand componist van Franse klavecimbelmuziek (+ waarin hij uitblonk)
François Couperin
Genrestukken (‘beeldende muziek’, vb. Les tricoteuses’)
Vooraanstaande Italiaanse klaviercomponist
Girolamo Frescobaldi
Kamermuziek
Muziek die geschreven is voor een kleine, maar niet solistische bezetting
Meest karakteristieke kamermuziekbezetting uit de latere barokperiode (1ste helft 18de)
trisonate < 2 solerende instrumenten (melodische partij) + ondersteunende basso continuo
‘trio’ verwijst naar aantal uitgeschreven partijen → er nemen strikt genomen 4 instrumenten deel: basso continuo wordt traditioneel gespeeld door klavierinstrument + bijkomend basinstrument
Sonata da chiesa
Letterlijk ‘kerksonate’
Bestaat meestal uit 4 delen, met vaste volgorde langzaam-snel-langzaam-snel.
Stijl vaak contrapuntisch (meerstemmig, waarbij twee of meer melodische lijnen onafhankelijk van elkaar bewegen, maar harmonisch samenwerken)
Verwijzend naar de traditie van religieuze muziek
Orgel (ipv klavecimbel)
Sonata da camera
Bestaat vaak uit opeenvolging van dansen → meer profaan georiënteerd
Passacaglia
Bas die bestaat uit een regelmatig basmotief van acht noten, dat tot aan het einde van het stuk telkens weer herhaald wordt
Een van de bekendste kamermuziekstukken uit de Barok
Pachelbel, Canon (in D)
Orkestmuziek (definitie + doorbraak)
Een grote groep instrumenten als uitgangspunt voor de compositie van louter instrumentale werken
Doorbraak vooral 1ste helft 18de eeuw
Suite (definitie en 2 soorten)
Bundeling van verschillende dansen
Bedoeld om te dansen (veel instrumentale muziek was dansmuziek)
OF abstractere aanwending van dansen: traditionele dansen als vertrekpunt, op een vrijere manier uitgewerkt (vb. cellosuites Bach)
Concerto (grosso)
Concerto: Eén solist gaat als het ware een muzikale strijd aan met een grotere groep muzikanten
Concerto grosso: Meerdere solisten, die samen het concertino vormen, gaan in dialoog met de rest van het orkest (ripieno)
Het concertato-principe in het gewone concerto/solo-concerto (realisering + kenmerk + bijdrage)
Gerealiseerd door de tegenstelling tussen het orkest (tutti) en één enkele solist (solo)
Typisch = drieledige vorm: snel-langzaam-snel
snelle delen met krachtige motoriek (ritornello-principe)
langzame deel met lyrische expressie
Enorme bijdrage door Antonio Vivaldi: schreef honderden solo-concerto’s, o.a. Le Quattro Stagioni
Ritornello-principe
Het hernemen van een instrumentaal refreintje (signaal voor de luisteraar)
In gewone concerto herhaalt het tutti op geregelde tijdstippen een bepaald thematisch gegeven