AMG: Barok

0.0(0)
studied byStudied by 0 people
0.0(0)
call with kaiCall with Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/78

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 1:24 PM on 1/27/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

79 Terms

1
New cards

Barok: cultuurhistorisch een algemene context

  • nog altijd veel religieuze muziek

  • toenemend belang profane muziek (o.a. bloeiende hofculturen Europa) → opbloei theatrale genres van instrumentale muziek

  • ontwikkeling verschillende nationale stijlen 

  • 3 fases 

    • overgangsfase tot ca. 1640 

    • consolidatiefase tot ca. 1690

    • volledige ontplooiing v/d nieuwe verworvenheden v/d barok 

2
New cards

3 fases van muziek in de barok

  1. Overgangsfase / experimenteerfase tot ca. 1640: renaissancetraditie + nieuwe compositietendensen (seconda prattica/stile moderno >< prima prattica/stile antico)

  2. Consolidatiefase (tot ca. 1690): erfenis renaissance is volledig geïntegreerd in de nieuwe muzikale taal, definitieve overgang van modale naar tonale toonsysteem

  3. Periode waarin de nieuwe verworvenheden van de barokke muziek tot volledige ontplooiing zijn gekomen: enkele van de grootste en populairste muziekcomponisten (Bach, Vivaldi, Händel

3
New cards

affecten

‘duidelijk afgelijnde, quasi gerationaliseerde gevoelens’

>< gevoelens: subjectieve connotatie 

4
New cards

esthetiek van de barok

sluit sterk aan bij die van de late renaissance

vooral de tendens om op een directe manier uitdrukking te geven aan emoties (‘affecten’)

5
New cards

vroege vs. late barok 

vroege barok: klemtoon vaak op scherp tegenover elkaar stellen van emoties, dicht bij madrigaal stijl (felle contrasten) 

late barok (eerste helft 18de eeuw): ideaal = ieder deel van een compositie aan één affect gekoppeld 

6
New cards

kwintencirkel

een voorstelling om de samenhang tussen de toonsoorten met verwante toonaarden duidelijk te maken

7
New cards

verschuiving in de loop van de 17de eeuw binnen de compositiekunst

van een modaal naar een tonaal systeem

8
New cards

modale toonsysteem 

Verschillende toonaarden worden gekenmerkt door hun verschillende interne organisatie (positie van de halve tonen, de ‘finalis’ en de ‘repercussa’)

9
New cards

tonale toonsysteem

één ‘uniforme’ toonladder (uitganspunt in de barok): de majeur toonladder

essentiële kenmerken:

  • halve tonen tussen 3e en 4e en tussen 7e en 8e toon 

  • 5e toontrap (de dominant) behoudt dezelfde rol (wordt het vaakst aangeslagen) 

  • één vaste variant gekoppeld a/d basistoonladder: de mineur toonladder

    • grondnoot = dominant MAAR positie halve tonen is anders (2-3 en 6-7)

  • 12 grote en 12 kleine tertstoonladders, waarbinnen de verhoudingen identiek zijn (systeem van correctie om dit waar te maken, belangrijke info waarmee componisten kunnen ‘moduleren’, van de ene naar de andere toonaard gaan) 

10
New cards

2 basisakkoorden

tonica-akkoord en dominant-akkoord

hiertussen ontstaat een spanningsveld

11
New cards

tonica-akkoord

op de eerste toontrap

staat voor harmonische rust en evenwicht

12
New cards

dominant-akkoord

op de vijfde toontrap

staat voor spanning en instabiliteit 

13
New cards

een van de meest karakteristieke kenmerken van de renaissancemuziek

doorgedreven gebruik van contrapuntische (complex maar samenhangend polyfoon), polyfone texturen

14
New cards

begeleide monodie

textuur waarbij één stem op de voorgrond treedt, terwijl de andere partijen een louter begeleidende functie hebben

→ tekst expressie verhogen 

15
New cards

het recitatief 

  • de stem volgt al zingend de ‘natuurlijke’ curves van de menselijke stem

  • imitatie van de spreekstem → veel nootherhalingen, kleine intervallen, korte pauzes 

  • bijna voortdurend declamatorisch, tekst centraal

16
New cards

recitativo secco of droog recitatief

stem wordt eenvoudig begeleid, vaak enkel klavierinstrument, ev. 1/+ basinstrumenten

17
New cards

recitativo accompagnato of begeleid recitatief

aan stem worden extra klankkleuren en soms virtuozere partijen toegevoegd

wordt vooral gebruikt op dramatische/belangrijke momenten

18
New cards

de aria

uitgesproken lyrisch, ontwikkeling van de melodie primeert

andere partijen (louter) begeleidende rol

in de vroege barok: overwegend syllabisch uitgewerkt >< 2e en 3e fase: sterke tendens naar virtuositeit, waardoor de partijen vaak melismatisch worden 

19
New cards

basso continuo

= continu doorlopende baspartij, vormt harmonisch fundament doorheen de compositie

20
New cards

significante verschuiving t.o.v. de gangbare componeertraditie in de renaissance

2 essentiële partijen in de barokstijl

  1. bovenste: vertolkt de melodie

  2. onderste: biedt harmonisch fundament

partijen ertussen ‘vullen de harmonie op’

>< renaissance: alle partijen stelden het polyfone weefsel op een gelijkwaardige - vaak ‘imiterende’ - manier samen

21
New cards

becijferde bas

bij de baspartij worden enkele cijfers geplaatst die indicaties geven over de bijhorende akkoorden

22
New cards

instrumenten waarop de bas het meest gespeeld wordt

klavecimbel en basinstrument

23
New cards

ritornello-principe

kort instrumentaal stuk dat later (in de proloog en de rest van de opera) herhaaldelijk zal terugkeren, letterlijk “kleine terugkeer”

24
New cards

stile concertato

Verschillende partijen gaan met elkaar de strijd aan in een dialogerend samenspel

  • traditie renaissance: 2/+ groepen tegenover elkaar geplaatst, zowel koren als instrumentengroepen

  • traditie barok: steeds vaker monodische elementen

25
New cards

tempi in de barok

tegenstelling tussen trage en snelle delen wordt een belangrijk structurerend principe

26
New cards

vergelijk metrum tussen renaissance en barok

muziek in de barok is veel nadrukkelijker in een bepaalde maatsoort geconcipieerd

= maatsoort zelf komt prominenter op de voorgrond omdat het begin van iedere maat gekoppeld wordt aan een kleine klemtoon → uitgesproken maatgevoel

27
New cards

ritme in de barok

karakteriserend is een voorliefde voor een sterke motoriek (in de snelle delen)

veel barokmuziek < relatief kleine ritmische formuletjes die vaak hernomen worden (= voortspinningstechniek) = tendens die sterker wordt naarmate de barok vordert

28
New cards

 dynamiek in de barok

dramatische contrasten (>< geleidelijke overgangen)

29
New cards

terrassendynamiek 

de muziek is of neutraal, of luid of zacht 

30
New cards

klankkleur in de barok vs. renaissance

renaissance: sterke homogeniteit

barok : klankkleur gebruiken om contrasten te genereren

  • toenemende participatie van instrumenten

  • experimenteren met gemengde ensembles

31
New cards

aanleiding tot het ontstaan van het orkest

tendens tot experimenten met gemengde ensembles (in het verlengde van het toenemend gebruik van instrumenten) 

32
New cards

nieuwe genres in de vocale muziek in de barok

  • opera (profaan)

  • cantate (profaan/religieus)

  • oratorium (religieus)

33
New cards

nieuwe genres in de instrumentale muziek in de barok 

  • klaviermuziek 

  • kamermuziek 

  • concerto 

34
New cards

Italiaanse opera

  • Ontstaan 

  • Elementen 

  • Inhoud 

  • Inspiratiebron 

  • Bekendste voorbeeld 

  • Ontstaan: begin 17de eeuw < Florentijnse intellectuelen, heropleving/herwaardering Griekse tragedie 

  • Elementen die naar Griekse tragedie verwijzen:

    • monodische zang

    • structuur van 5 bedrijven

    • boodschapper figuur

    • reflecterend koor

  • Inhoud (geen aansluiting Griekse tragedie): pastorale thema’s 

  • Inspiratiebron: Ovidius’ Metamorfosen 

  • Bekendste voorbeeld: Claudio Monteverdi’s L’Orfeo 

35
New cards

Monteverdi, La favola d’Orfeo

toont goed hoe elementen uit de renaissancekunst zich geleidelijk aan in een nieuwe stijl beginnen vast te zetten 

belangrijkste muzikale elementen 

  • instrumentale inleiding / sinfonia 

  • instrumentale tussenspelen met terugkerend motief (ritornelli) 

  • dansen met instrumentale begeleiding 

  • recitativische passages 

  • aria’s of liederen 

  • koren 

36
New cards

verschuivingen in de Italiaanse opera 

Vanaf jaren ‘30-’40 van de 17de eeuw: genre verspreidt zich, richten tot groter publiek

  • thematiek: mythologisch → historisch (of historiserend)

  • toename spektakelelement (meer komische intriges, afname belang koor, ontwikkeling scenische representatie met machinerieën)

  • solist centraler (toename aria’s, verschillende types)

  • castraten (t.e.m. 18de eeuw)

37
New cards

capo-aria

  • = ABA’

  • in de 18de eeuw dominant 

  • structuur met inherent contrast + kan hang naar virtuositeit perfect dienen: A’ = virtuozere versie A

38
New cards

recitatieven in de barok

aanvankelijk gevarieerd qua stijl

grotere uniformiteit naarmate barok vordert

39
New cards

castraatstem

  • de hoge stem van een man die voor de puberteit werd gecastreerd, waardoor zijn stembanden klein bleven maar zijn longen en lichaam wel groeiden

  • tot en met 18de eeuw 

  • populair omdat ze een enorme kracht kon combineren met een uitzonderlijke virtuositeit 

40
New cards

Belangrijkste operacomponisten uit de tweede helft van de 17de eeuw

  • Francesco Cavalli 

  • Antonio Cesti 

41
New cards

Belangrijkste operacomponisten uit de eerste helft van de 18de eeuw

  • Alessandro Scaralatti 

  • Georg Friedrich Händel 

42
New cards

exit-aria

traditioneel oogst de zanger na zijn/haar aria applaus, en verlaat hij/zij vervolgens de scène

43
New cards

verschil somber recitativo accompagnato en recitativo secco

recitativo accompagnato: prominent gebruik van strijkers

recitativo secco: vaak klavecimbel!

44
New cards
45
New cards

‘Da Capo’

“vanaf het begin” 

In een capo-aria (ABA’) eindigt de partituur hier, omdat de uitvoerders weten dat ze het A deel moeten hernemen met variaties

46
New cards

Opera in Frankrijk (datering, sleutelfiguur, eigenschappen) 

  • Pas jaren 70 van de 17de eeuw, want Franse taal ‘niet geschikt voor recitativische zetting’ 

  • Sleutelfiguur: Jean-Baptiste Lully 

  • Eigenheden

    • prioriteit van de tekst: ‘tragédie en musique’, tekst op geen enkel moment ondergeschikt aan de muziek

    • onderscheid tussen recitatief en aria niet zo scherp 

    • orkest vaker als volwaardige partner

    • natuurtaferelen 

    • groter aandeel koor

    • dansen

47
New cards

Jean-Baptiste Lully

  • Italiaan van geboorte, werkzaam aan hof LXIV

  • Sleutelfiguur Franse opera

  • 11 opera’s laatste decennia 17de eeuw met vaste librettist 

  • Verderzetting werk door Jean-Philippe Rameau

  • Illustratie (niet beluisterd in de les): Cadmus et Hermione 

48
New cards

Een van de discussies over stijl en nationale identiteit tijdens de barok

Lullisten vs. Ramisten 

traditioneel vs. progressief 

49
New cards

oratorium

  • vocaal genre waarin een verhaal wordt geëvoceerd (// opera) 

  • gebaseerd op Bijbels onderwerp

  • concertant gebracht (>< scenisch zoals opera) 

  • veel recitatieven, aria en koren 

  • traditioneel onderscheid: oratirio latino en volgare 

50
New cards

traditioneel onderscheid oratorium

  1. oratorio latino: Latijn, aristocratisch publiek 

  2. oratorio vulgare: volkstaal, ruimer publiek 

51
New cards

Belangrijkste vertegenwoordiger(s) van het 17de-eeuwse oratorium

Giacomo Carissimi (Italië)

Heinrich Schütz (Duitsland)

52
New cards

Belangrijkste vertegenwoordiger(s) van het oratorium in de eerste helft van de 18de eeuw

Händel - The Messiah 1741

53
New cards

The Messiah

  • oratorium van Händel, 1741

  • niet zo representatief voor het oratorium:

    • gaat normaal over één figuur en één stuk tekst >< dit is een verzameling van citaten uit verschillende delen van OT en NT

    • in de volkstaal

    • beschouwend (contemplatief) 

54
New cards

passie 

  • het lijdensverhaal van Christus wordt weergegeven op de wijze van het oratorium

  • 2 bekende passies van Johann-Sebastian Bach: Johannes-Passion en Matthäus-Passion 

  • karakteristiek is de voortdurende afwisseling van stijlen

55
New cards

koralen

teksten van kerkliederen die vast deel uitmaken van de protestante liturgie

liturgische gemeenschap kende die en kon ze meezingen

meestal bezinnend

56
New cards

instrumentale genres tijdens de barok

  • solomuziek

  • kamermuziek (ensemble van instrumenten) 

  • orkest muziek (grotere bezetting) 

57
New cards

klaviermuziek

  • tegelijkertijd verschillende partijen (‘middenstemmen’) spelen

  • instrumenten: orgel (kerk) en klavecimbel (huiselijk, profaan) 

  • types: fantasia, prelude, fuga, toccata

58
New cards

fantasia

  • improvisatorisch karakter

  • uitvoerder creëert de indruk dat hij zijn eigen muzikale fantasie de vrije loop laat gaan

  • kan afwisselen tussen verschillende stijlpatronen 

59
New cards

prelude

  • improvisatorisch karakter

  • voorspel naar meer geconstrueerde compositie, meestal vrij eenvoudige compositie

60
New cards

fuga

  • geleerde vorm 

  • één melodisch uitgangspunt (een thema) wordt door andere partijen geïmiteerd zodat een complex polyfoon en imitatief kluwen ontstaat 

61
New cards

toccata

wervelende compositie die sterk op de virtuositeit gericht is

62
New cards

style luthé

alsof het op een luit of gitaar gespeeld zou kunnen worden, in ‘gebroken akkoorden’: iedere maat // één akkoord, maar de verschillende noten worden snel na elkaar gespeeld i.p.v. tegelijkertijd

63
New cards

registerschuiven

houten balken met vooraan een gekleurde knop

klankkleuren veranderen 

64
New cards

Franse suite

opeenvolging van verschillende dansen (allemande, gigue, sarabande en courante) → contrasterende muziek, afwisseling muzikale stijlen

65
New cards

Gebonden compositie

Compositie gebaseerd op bestaande melodieën

66
New cards

Belangrijke componisten van Duitse klaviermuziek (in de 2de helft van de 17de eeuw en in de eerste helft van de 18de eeuw)

in de 2de helft van de 17de eeuw

  • Dietrich Buxtehude

  • Johann Pachelbel

in de eerste helft van de 18de eeuw

  • Johann Sebastian Bach

67
New cards

Vooraanstaand componist van Franse klavecimbelmuziek (+ waarin hij uitblonk)

François Couperin 

Genrestukken (‘beeldende muziek’, vb. Les tricoteuses’)

68
New cards

Vooraanstaande Italiaanse klaviercomponist

Girolamo Frescobaldi

69
New cards

Kamermuziek

Muziek die geschreven is voor een kleine, maar niet solistische bezetting

70
New cards

Meest karakteristieke kamermuziekbezetting uit de latere barokperiode (1ste helft 18de)

trisonate < 2 solerende instrumenten (melodische partij) + ondersteunende basso continuo

‘trio’ verwijst naar aantal uitgeschreven partijen → er nemen strikt genomen 4 instrumenten deel: basso continuo wordt traditioneel gespeeld door klavierinstrument + bijkomend basinstrument

71
New cards

Sonata da chiesa

Letterlijk ‘kerksonate’

  • Bestaat meestal uit 4 delen, met vaste volgorde langzaam-snel-langzaam-snel.

  • Stijl vaak contrapuntisch (meerstemmig, waarbij twee of meer melodische lijnen onafhankelijk van elkaar bewegen, maar harmonisch samenwerken)

  • Verwijzend naar de traditie van religieuze muziek 

  • Orgel (ipv klavecimbel)

72
New cards

Sonata da camera

Bestaat vaak uit opeenvolging van dansen → meer profaan georiënteerd

73
New cards

Passacaglia

Bas die bestaat uit een regelmatig basmotief van acht noten, dat tot aan het einde van het stuk telkens weer herhaald wordt

74
New cards

Een van de bekendste kamermuziekstukken uit de Barok 

Pachelbel, Canon (in D)

75
New cards

Orkestmuziek (definitie + doorbraak)

Een grote groep instrumenten als uitgangspunt voor de compositie van louter instrumentale werken

Doorbraak vooral 1ste helft 18de eeuw

76
New cards

Suite (definitie en 2 soorten) 

Bundeling van verschillende dansen

  • Bedoeld om te dansen (veel instrumentale muziek was dansmuziek)

  • OF abstractere aanwending van dansen: traditionele dansen als vertrekpunt, op een vrijere manier uitgewerkt (vb. cellosuites Bach) 

77
New cards

Concerto (grosso)

Concerto: Eén solist gaat als het ware een muzikale strijd aan met een grotere groep muzikanten

Concerto grosso: Meerdere solisten, die samen het concertino vormen, gaan in dialoog met de rest van het orkest (ripieno)

78
New cards

Het concertato-principe in het gewone concerto/solo-concerto (realisering + kenmerk + bijdrage)

Gerealiseerd door de tegenstelling tussen het orkest (tutti) en één enkele solist (solo)

Typisch = drieledige vorm: snel-langzaam-snel

  • snelle delen met krachtige motoriek (ritornello-principe) 

  • langzame deel met lyrische expressie 

Enorme bijdrage door Antonio Vivaldi: schreef honderden solo-concerto’s, o.a. Le Quattro Stagioni

79
New cards

Ritornello-principe

Het hernemen van een instrumentaal refreintje (signaal voor de luisteraar)

In gewone concerto herhaalt het tutti op geregelde tijdstippen een bepaald thematisch gegeven