1/44
Deze flashcards behandelen verschillende belangrijke termen en concepten uit de inleiding in de psychologie, met een focus op waarneming en geheugen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No study sessions yet.
Waarneming
Een actief en cognitief proces waarbij patronen van sensaties worden opgenomen, geselecteerd en georganiseerd en geïnterpreteerd om betekenis te geven aan de omgeving.
Geen passieve registratie maar actieve constructie van werkelijkheid
Proces wordt sterk beinvloed door herinneringen, motivatie en emoties

Sensatie
Het vroeg stadium van waarneming waarin neuronen van zintuiglijke receptoren een stimulus omzetten in neurale impulsen(via transductie).
Sensatie = het ontvangen van prikkels
Transductie = het omzetten van die prikkels in zenuwsignalen
Transductie
Het proces waarbij een stimulus wordt omgezet naar neurale impulsen.
Transductie is een stap binnen de sensatie: het proces waarbij die fysieke prikkels worden omgezet in elektrische signalen (zenuwimpulsen) die je hersenen kunnen begrijpen.
Het gaat dus om het omzetten van energie (licht, geluid, druk) in neurale signalen
Perceptie
De interpretatie van sensaties door de hersenen.
Verschil tussen gewaarworden en waarnemen
Gewaarworden verwijst naar de fysieke detectie van stimuli, terwijl waarnemen het actief interpreteren en betekenis geven aan deze stimuli inhoudt.
Wat zijn fosfenen?
Fosfenen zijn de visuele effecten die je ziet wanneer je druk op je ogen uitoefent, vaak beschreven als zachte lichtvlekken of patronen.
Kunnen ook optreden bij migraine.
Associatiegebieden
Gebieden in de hersenen die ruwe zintuiglijke informatie koppelen aan betekenis, herinneringen en context.
somatosensorische cortex
•verwerkingsgebied voor informatie tastzin, temperatuur, pijn en druk over hele lichaam
•Informatie doorgeven aan mentale plattegrond van lichaam zodat we herkomst van gewaarwordingen kunnen bepalen
neurobiologie van waarneming
•Sensaties worden voor bewerking doorgestuurd naar zintuiglijke verwerkingsgebieden in hersenen: somatosensorische -, auditieve - en visuele cortex, …
•Associatiegebieden integreren vervolgens informatie met geheugen, herinneringen en emotie, zodat we iets begrijpen in plaats van enkel zien of horen of voelen.
van waarneming tot besluitvorming : vb. cyanose
Vb. uit het ziekenhuis:
•Wanneer je iets waarneemt (bv. patiënt met blauwe verkleuring rond lippen):
•Sensorische gebieden (visuele cortex) registreren kleur, vorm, beweging
•Associatiegebieden koppelen deze informatie aan betekenis:
•“blauw = cyanose”
•“cyanose = zuurstoftekort”
•Prefrontale cortex gebruikt dit inzicht voor klinisch redeneren en besluitvorming (“ik moet zuurstof meten”)
Zo vormen associatiegebieden de brug tussen waarneming en handelen
Wat we waarnemen hangt af van de zintuigen waarover we beschikken
Zintuig | Orgaan | Fysische prikkeling | Gewaarwording | |
Exteroceptieve zintuigen | Zicht | Ogen | lichtenergie | Kleuren en vormen |
Gehoor | Oren | Vibrerende drukveranderingen | Geluiden | |
Reuk | Neus | Chemische moleculen | Geuren | |
Smaak | Tong of zacht gehelmte | Chemische moleculen | Smaken | |
Gevoel | Huid | Druk, warmte, koude, beschadiging | Tast, druk, warmte, koude, pijn | |
Proprioceptieve zintuigen | Evenwichtszin | Labyrint in binnenoor | Statische druk, lineaire of circulaire bewegingen | Positie van hoofd, evenwichtsgevoel |
Bewegingszin | Spieren, pezen, gewrichten | Druk, rekking | Positie van lichaam, zwaartegevoel | |
Interoceptieve zintuigen | Inwendige sensibiliteit | Inwendige organen | Druk, beschadiging | Innerlijke orgaangewaarwordingen |
Gestaltprincipes
Principes die beschrijven hoe we prikkels structureren in een samenhangend geheel.
Selectieve aandacht
Het proces waarbij we ons concentreren op specifieke stimuli en andere negeren.
Differentiële gevoeligheid
Het minimumverschil dat nodig is om twee prikkels van elkaar te kunnen onderscheiden.
Habituatie
Het proces waarbij constante prikkels na verloop van tijd door ons bewustzijn worden genegeerd.
Zintuiglijk geheugen
De korte, automatische registratie van zintuiglijke input.
•Registreert zintuiglijke input (vnml. licht & geluid) kort en automatisch, voordat bewuste verwerking plaatsvindt
•Kenmerken:
•Tijd: 0,5 tot maximaal 2 seconden
•Verwerking: Selectieve aandacht voor overdracht van stimuli naar KTG
Afhankelijk van behoefte aan informatie en opvallendheid van stimuli
Filter (verzwakken van niet belangrijk/relevante stimuli)
Leg het 3 fasen model van het geheugen uit
Het 3 fasen model van het geheugen beschrijft de processen van informatieverwerking in drie stadia: sensorisch/zintuiglijk geheugen, werkgeheugen (kortetermijngeheugen) en langetermijngeheugen.
In het sensorisch/zintuiglijk) geheugen worden zintuiglijke informatie kort opgeslagen, waarna relevante informatie verdergaat naar het werkgeheugen(Korte termijngeheugen) voor tijdelijke verwerking, en uiteindelijk kan het in het langetermijngeheugen worden opgeslagen voor langere tijd.
Herhaling is een manier om zaken uit kortetermijngeheugen over te brengen naar LTG

Kortetermijngeheugen / werkgeheugen (KTG)
Doorlopend verwerkings- en opslagsysteem voor informatie die actief bewerkt wordt.
duur : +- 30 sec
max : 7 +-2 elementen
Verwerking is top down (op basis van verwachtingen, kennis, motivatie, gevoelens wordt de vanuit ZTG ontvangen info verwerkt door KTG
Langetermijngeheugen
Permanent opslagsysteem voor informatie met onbeperkte opname- en opslagcapaciteit.
•Informatie kan op 3 manieren worden opgeslagen:
Verbale code: symbolen (woorden, betekenissen, categorieën, getallen)
Sensorische code: visuele beelden, geluiden, geuren, …
Motorische code: bewegingen (bv zwemmen, fietsen, ..) à onbewust
•Opslaan van informatie in LTG:
Adhv samenhang is effectiever
Tweevoudige codering is effectiever
Verdiepende herhaling is effectiever
Interesse
Episodisch geheugen
Het geheugen voor persoonlijke ervaringen.
Semantisch geheugen
Het geheugen voor feiten en algemene kennis.
Procedureel geheugen
Het geheugen voor vaardigheden en handelingen.
Emotionele arousal zorgt voor beter onthouden (3)
Fysiologische opwinding die het geheugen kan versterken:
Dit gebeurt doordat de amygdala door emoties informatie beter vastlegt, doordat de amygdala de hippocampus activeert en de consolidatie van herinneringen bevordert.
Adrenaline en noradrenaline verhogen signaaloverdracht tussen amygdala en hippocampus.
Angst, verrassing en vreugde verhogen de aandacht en zorgen voor diepere codering van informatie
Retro-actieve interferentie
Wanneer nieuwe informatie de herinnering aan oude informatie verstoort.
Pro-actieve interferentie
Wanneer oude informatie het leren of ophalen van nieuwe informatie verstoort.
Wat is de absolute drempel van waarneming?
kleinste sterkte van een stimulus waarbij deze in ≥ 50 % van de gevallen wordt gedetecteerd.
vb :
Waarneming | Absolute drempel |
Zien | In heldere nacht een brandende kaars die 48km verder staat |
Horen | Het tikken van een horloge op 7m in een lege kamer |
Smaak | Een theelepel suiker, opgelost in 10 liter water |
Ruiken | Een druppel parfum in een 3 kamer appartement |
Voelen | Een vleugel van een bij die van 1cm hoogte op je arm valt |
Warmte | Een verschil van 1°C in temperatuur van de huid |
Wat is de differentiële drempel van waarneming?
De kleinste waarneembare verandering in stimulussterkte die nodig is om een verschil te kunnen detecteren.
Welke zijn de externe factoren die selectieve aandacht bepalen?
Intensiteit/grootte van prikkels
Contrast
Beweging
Habituatie
Welke zijn de interne factoren die selectieve aandacht bepalen?
•Behoeften
•Interesses
•Verwachtingen
•Emoties
Leg de 6 Gestaltprincipes uit
De 7 Gestaltprincipes zijn basisconcepten die beschrijven hoe mensen visuele elementen organiseren en waarnemen. Deze omvatten:
nabijheid 👉 Wat bij elkaar staat, hoort bij elkaar.
gelijkenis 👉 Wat op elkaar lijkt, hoort bij elkaar
continuïteit : vloeiende, doorlopende lijnen of patronen te zien in plaats van losse stukken.
sluiting : 👉 Ons brein maakt het plaatje “af
gemeenschappelijk lot: 👉 Wat samen beweegt, hoort samen
figuur-achtergrond. : We onderscheiden automatisch wat op de voorgrond (figuur) staat en wat de achtergrond is. MEEST ELEMENTAIRE PRINCIPE VAN WAARNEMING
Symmetrie : •Symmetrische vormen of patronen zien we sneller als één geheel en als stabieler of georganiseerder dan asymmetrische vormen
Wat is een ander woord voor het visuele ZTG?
iconische geheugen
Wat is een ander woord voor het auditieve geheugen?
Echoïsch geheugen
Onderverdelingen LTG
Expliciet geheugen
Episodisch
Semantisch
Impliciet geheugen
Procedureel
vb. autorijden
Wat is loci (mnemotechnische methode)?
Een geheugensteuntechniek waarbij informatie wordt geassocieerd met specifieke locaties of punten in een vertrouwde omgeving.
Hoe werkt het? (stappen)
Kies een bekende route of plek (bijv. je huis).
Bepaal vaste plaatsen (deur, bank, tafel, bed).
Koppel elk te onthouden item aan één plek.
Maak er een vreemd of opvallend beeld van.
Loop de route in gedachten langs om alles te herinneren.
Welke mnemotechnische technieken helpen opslaan in LTG?
•Chunking
•Loci
•Verhaal
•Verbeelding
•Omgeving
Wat zijn Flashbulb memories?
Flashbulb memories zijn levendige, gedetailleerde herinneringen aan bijzonder emotionele of betekenisvolle gebeurtenissen. Ze kunnen de context en details van de gebeurtenis bevatten, zoals de locatie en gevoelens op dat moment.
Waarom kunnen Stress en negatieve emoties geheugen verstoren? (4)
•Chronische stress verhoogt cortisol, wat hippocampale werking onderdrukt
•Angst en depressieve stemming verminderen aandacht en werkgeheugencapaciteit
•Te hoge arousal → verstoorde informatiecodering (Yerkes-Dodson-wet)
•Trauma’s kunnen leiden tot fragmentarisch of onderdrukt geheugen à ‘verdringing’ (bv. bij PTSS)
Wat is de Yerkes-Dodson wet?
De Yerkes-Dodson wet stelt dat er een omgekeerde U-vormige relatie is tussen arousal en prestaties, waarbij een gematigde arousal optimaal is voor prestaties, terwijl te lage of te hoge arousal leidt tot slechte prestaties.

Welke 3 typen geheugenproblemen bestaan er?
•Anterograde amnesie → onvermogen om nieuwe herinneringen op te slaan
•Retrograde amnesie → verlies van bestaande herinneringen
•Normale vergeetachtigheid → hoort bij veroudering of overbelasting
Oorzaken van geheugenproblemen (2×4)
→ Neurologisch:
NAH (Niet Aangeboren Hersenletsel – bv. ongeval, beroerte)
Neurodegeneratieve ziekten (bv. MS, Alzheimer, Parkinson)
Zuurstoftekort of epilepsie
Mild cognitive impairment (MCI)
→ Psychologisch:
Stress, depressie, angst → verstoren codering en aandacht
Slaaptekort → belemmert consolidatie (overdracht naar langetermijngeheugen)
Verdringing
Interferentie: oude en nieuwe informatie hinderen elkaar (proactief / retroactief)
Wat is MCI?
Mild Cognitive Impairment (MCI) is een aandoening gemarkeerd door cognitieve achteruitgang die ernstiger is dan normale veroudering, maar niet genoeg om de diagnose van dementie te rechtvaardigen. Personen met MCI ervaren vaak geheugenproblemen en andere cognitieve verliezen die hun dagelijks functioneren kunnen beïnvloeden.
Wat zijn MS, Parkinson en Alzheimer?
Bij MS (auto-immuunziekte) raakt de beschermlaag rond zenuwen (myeline)beschadigd, waardoor signalen slecht worden doorgegeven
Bij Parkinson sterven dopaminecellen af, wat leidt tot trillingen en trage, stijve bewegingen
Bij Alzheimer sterven hersencellen af, waardoor geheugen en denkvermogen steeds verder achteruitgaan.
Welke behandelingen zijn er voor geheugenproblemen?
Geheugentraining is effectief wanneer ze gestructureerd, herhalend en functioneel relevant is
Doel = herstel van cognitieve functies én compensatie van blijvende tekorten
Belangrijkste principes:
Herhaalde oefening van geheugenprocessen (coderen, ophalen, associëren)
Compensatiestrategieën: gebruik van externe hulpmiddelen (agenda, apps, notities)
Functionele context: oefeningen gekoppeld aan dagelijkse activiteiten
Individuele aanpassing: afgestemd op het niveau en de doelen van de cliënt
Effecten (volgens Cicerone et al., 2019):
Verbetering van werkgeheugen en episodisch geheugen bij hersenletsel en MCI
Verhoogde zelfredzaamheid en kwaliteit van leven
Langdurig effect bij regelmatige toepassing en begeleiding
Welke factoren zijn van invloed op het opslaan en herinneren van informatie?
•Actief of spontaan
•Via oproepaanwijzing
•Opslag is inhoudsgebaseerd(samenhangende eenheden) :
Verbonden met andere informatie
meer aanwijzingen herinnert makkelijker
goede aanwijzingen niet verbonden met teveel andere informatie
•Opslag is gedistribueerd
•Opslag is selectief
•Interferentie
•Emoties
Opslag is selectief : leg uit
•Kenmerken van informatie (opvallendheid)
•Zaken waarop we aandacht richten (doelgerichtheid)
•Schema’s (passendheid)
•Schema = georganiseerde voorstelling van de structuur van gebeurtenissen, bv. stage
•Vervorming van herinneringen à valse herinneringen