Send a link to your students to track their progress
370 Terms
1
New cards
A capella
Zingen zonder begeleiding van instrumenten
2
New cards
A tempo
Terug naar het vorige tempo
3
New cards
Aanslaan
Speelmanier: een toon aanslaan, bijvoorbeeld op de piano
4
New cards
Accelerando
Versnellen
5
New cards
Accent
Benadrukking van een noot. Een accent wordt aangegeven met een > boven of onder een noot
6
New cards
Accompagnato recitatief
Recitatief met uitgebreide orkestbegeleiding
7
New cards
Adagio
Langzaam
8
New cards
Afterbeat
Accent op de tweede en vierde tel van de maat.
9
New cards
Of een accent na elke tel van de maat.
10
New cards
Akkoord
Een akkoord is een groep van 3 of meer tonen die tegelijk (of gebroken, na elkaar) klinken, bijvoorbeeld: c-e-g.
11
New cards
Akkoordenschema
Bepaalde volgorde van akkoorden
12
New cards
Akkoordfunctie
Akkoordtrap
13
New cards
Akkoordsymbool
Letters (soms met cijfers) boven een notenbalk om aan te geven welk akkoord je moet spelen, bijvoorbeeld C, C7, Cm enz.
14
New cards
Akkoordtrappen
Een trap is een naam voor een functie of akkoord in een akkoordreeks. Trappen worden aangegeven met Romeinse cijfers: I (tonica akkoord), IV (subdominant akkoord), V (dominant akkoord)
15
New cards
Akoestisch
Spelen zonder elektrische versterking
16
New cards
Albertijnse bas
De tonen van een drieklank worden na elkaar steeds in hetzelfde patroon gespeeld
17
New cards
Allegro
Snel
18
New cards
Alt
Lage vrouwenstem
19
New cards
Andante
Rustig, wandeltempo
20
New cards
Antimetrische figuren
Een ritmisch figuur die afwijkt van de gangbare onderverdeling. De meest bekende is de triool
21
New cards
Arco
Je strijkt met de strijkstok over de snaren
22
New cards
Aria
Deel met zanger en orkest, waarin een emotie wordt geuit. De aria komt voor in oratorium, opera en cantate
23
New cards
Arpeggio
Speelwijze waarbij de tonen van een akkoord na elkaar van hoog naar laag, of laag naar hoog gespeeld worden.
24
New cards
Arrangement
Bewerking van een muziekstuk, vaak voor andere instrumenten
25
New cards
Articulatie
De manier waarop je tonen speelt, bijvoorbeeld kort of gebonden
26
New cards
Atonaliteit
Atonale muziek is niet gebaseerd op een toonladder
27
New cards
Backing vocals
Achtergrondkoor
28
New cards
Bariton
Zangstem (man) tussen tenor (hoog) en bas (laag) in. Een lage bariton wordt bas-bariton genoemd
29
New cards
Barokke motoriek
Het ritme in de barokmuziek heeft vaak een stuwend karakter, vooral door het ritme in de begeleiding.
30
New cards
Barokorkest
De kern van het barokorkest (ongeveer 30 personen) was de strijkersgroep en de basso continuo. Extra instrumenten, zoals hobo fagot hoorn trompet pauken konden zo nodig worden toegevoegd
31
New cards
Baroksonate
Baroksonates bestaan uit meerdere delen, meestal drie of vier, die verschillen van tempo. Ze zijn bestemd voor één of twee solo-instrumenten met begeleiding van basso continuo
32
New cards
Baroksuite
De baroksuite voor klavecimbel of orkest bestaat uit een reeks van gestileerde dansen, bijvoorbeeld een allemande, courante, sarabande en gigue. De opening is dikwijls een Sinfonia of Ouverture. De allemande is van oorsprong een Duitse dans, in matig tempo, tweedelig. De courante is een levendige Franse dans, driedelig, het tweede deel van de baroksuite. De sarabande is intens en expressief, langzaam en driedelig; heeft vaak een lange noot op de tweede tel. Derde deel van de baroksuite. De gigue is snel, bevat veel imitaties. Vierde deel van de baroksuite. Ook andere dansen konden deel uitmaken van de baroksuite, bijvoorbeeld de Badinerie of de Bourrée
33
New cards
Bas (zang)
Lage mannenstem
34
New cards
Basso continuo
De basso continuo, meestal afgekort tot b.c. verzorgt de harmonische begeleiding en de baslijn in barokmuziek. De b.c. wordt dikwijls gespeeld door klavecimbel en cello
35
New cards
Beat
De regelmatig puls of beweging van de muziek
36
New cards
Beatbox
Met de stem nadoen van een drummachine
37
New cards
Begeleiding
Ondersteuning van de melodie
38
New cards
Bezetting
De instrumenten en/of stemmen die nodig zijn om een compositie uit te voeren. Bijvoorbeeld: de bezetting van een fanfare-orkest: koperen blaasinstrumenten, saxofoons en slagwerk
39
New cards
Big band
Jazzorkest met als kerngroepen: trompetten, trombones, saxofoons en de ritmesectie (bas, drums, piano, slaggitaar)
40
New cards
Bitonaliteit
Er komen tegelijkertijd twee verschillende toonsoorten voor
41
New cards
Blue note
Toon die lager wordt gespeeld waardoor de melodie een bluesy karakter krijgt
42
New cards
Bluesschema
Het vaste akkoordschema van de blues, meestal een 12-maten schema
43
New cards
Bluestoonladder
Toonladder die wordt gebruikt in de blues en gebaseerd is op de pentatonische ladder
44
New cards
Bourdon
Begeleiding waarbij steeds de grondtoon of grondtoon en kwint wordt gespeeld
45
New cards
BPM
Beats Per Minute, het aantal tellen (beats) per minuut
46
New cards
Break
De band valt stil. Een break wordt vaak opgevuld met een solo van een instrument
47
New cards
Break beat
Onregelmatige beat, waarbij accenten op steeds andere plekken in de maat komen
48
New cards
Bridge
Brug die tussen twee refreinen in wordt gezongen. De melodie en tekst zijn anders dan die van het couplet en refrein
49
New cards
C-sleutel
Teken dat aangeeft waar de C op de notenbalk staat
50
New cards
Cadens
Akkoordopeenvolging ter afsluiting van een muzikale zin of muziekstuk
51
New cards
Cadens in soloconcert
"Solo aan het einde van een deel. De solist kan in de cadens zijn virtuositeit laten horen. Een solocadens kan uitgeschreven zijn of geïmproviseerd."
52
New cards
Call and response
Voor- en nazingen of -spelen
53
New cards
Canon
Alle partijen zetten dezelfde melodie of hetzelfde thema na elkaar in
54
New cards
Cantate
Meerdelige vocale compositie, vaak met religieuze tekst
55
New cards
Cantus firmus
Een bestaande melodie is de basis van een meerstemmige compositie
56
New cards
Chorus
Refrein
57
New cards
Chromatiek
Het gebruik van halve toonsafstanden
58
New cards
Chromatische toonladder
Toonladder met halve toonsafstanden
59
New cards
Classicisme
Periode uit de muziekgeschiedenis tussen ongeveer 1750 en 1825. Belangrijke verschijnselen van de muziek uit het classicisme zijn onder andere: het klassieke symfonieorkest, strenge periodebouw en contrastwerking.
60
New cards
Climaxwerking
Verschillende muzikale middelen dragen bij aan het bereiken van een climax in een muziekstuk
61
New cards
Close harmony
Meerstemmigheid waarbij de toonhoogtes van de melodieën dicht tegen elkaar aan liggen
62
New cards
Cluster
Een groep tonen die dicht tegen elkaar aan liggen
63
New cards
Coda
Slot van een muziekstuk
64
New cards
Complementair ritme
Twee ritmes vullen elkaar aan
65
New cards
Concertino
De kleine groep instrumenten bij een concerto grosso
66
New cards
Concerto grosso
Een muziekstuk uit de barok met een grote en kleine groep instrumenten. De grote groep instrumenten wordt ook concerto grosso genoemd
67
New cards
Consonant
Samenklank waarbij de tonen ontspannen, goed samenklinken
68
New cards
Contour
De beweging (stijgend en dalend) van de melodie
69
New cards
Contrast
Contrast of contrastwerking ontstaat door het tegenover elkaar stellen of naast elkaar plaatsen van: blazers / strijkers of tutti / solo forte / piano homofoon / polyfoon majeur / mineur snel / langzaam tonica / dominant unisono / meerstemmigheid
70
New cards
Contrastwerking
Contrast of contrastwerking ontstaat door het tegenover elkaar stellen of naast elkaar plaatsen van: blazers / strijkers of tutti / solo forte / piano homofoon / polyfoon majeur / mineur snel / langzaam tonica / dominant unisono / meerstemmigheid
71
New cards
Couplet
Gedeelte van een liedje waarvan de tekst verandert. De melodie blijft hetzelfde. De Engelse naam is verse
72
New cards
Coupletlied
Lied dat alleen bestaat uit coupletten
73
New cards
Cover, covers
Een nummer in een nieuwe uitvoering. Bijvoorbeeld door een andere artiest, in een andere sound, of als remix.
74
New cards
Crescendo, cresc. (afkorting)
Geleidelijk sterker worden (geluidsvolume neemt toe, wordt luider)
75
New cards
Cross-over
Mix van verschillende muziekstijlen
76
New cards
Da capo al fine, d.c. al fine (afkorting)
Herhalen vanaf het begin tot einde (daar waar Fine staat).
77
New cards
Dal segno
Vanaf het segno-symbool herhalen
78
New cards
Decrescendo, decresc. (afkorting)
Langzaamaan zachter worden (het volume neemt af)
79
New cards
Dirty intonation
Expres te hoog of te laag spelen of zingen van een noot
80
New cards
Dissonant
Samenklank waarbij de tonen veel spanning oproepen
81
New cards
Dissonante intervallen
Een samenklank waarbij de tonen spanning oproepen. De tonen wringen, klinken scherp tegen elkaar. Geeft een onrustig effect
82
New cards
Distortion, vervorming
Het geluid van de elektrische gitaar is vervormd. De gitaar klinkt nu ronkend, scheurend
83
New cards
Divertimento
Gedeelte van een fuga waarin het thema niet voorkomt
84
New cards
Dodecafonie
Atonale muziek waarbij de twaalf tonen van het octaaf in een reeks worden gezet
85
New cards
Dominant
De vijfde akkoordtrap
86
New cards
Dominant septiem akkoord
Samenklank die bestaat uit een grote drieklank (bijvoorbeeld G-B-D)en een klein septiem (F) Vierklank op de Vde trap van de toonladder. In C-groot: G-B-D-F
87
New cards
Dominant toonsoort
Toonsoort van de dominant, de V-de toon van de hoofdtoonsoort. Bijvoorbeeld hoofdttoonsoort C-groot dominanttoonsoort G-groot
88
New cards
Dominanttoon
De vijfde toon van een toonladder
89
New cards
Doorgecomponeerd lied
Lied zonder vaste vorm. De melodie en begeleiding volgen de tekst
90
New cards
Doorimitatie
Imitatie in alle stemmen, van begin tot eind
91
New cards
Double time
Het tempo gaat twee keer zo snel
92
New cards
Driedelige maatsoort
Deze maatsoorten hebben 3 tellen in de maat. De 3/4 maat en de 3/8 maat zijn hier voorbeelden van