BBG belang van biologische factoren

0.0(0)
studied byStudied by 2 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/42

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 2:52 PM on 9/24/25
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

43 Terms

1
New cards

Wat zijn de drie grote categorieën van factoren die menselijk gedrag beïnvloeden?

Biologische invloeden, cognities en interacties met andere mensen.

2
New cards

Wat was het standpunt van het dualisme over de geest en het lichaam?

Het dualisme stelde dat de geest onafhankelijk was van het lichaam; de geest kon het lichaam beïnvloeden, maar niet omgekeerd.

3
New cards

Hoe werden psychische problemen vroeger verklaard volgens het dualisme?

Ze werden eerder toegeschreven aan externe geesten (zoals duivels) dan aan interne biologische onevenwichtigheden.

4
New cards

Wat heeft geleid tot de aanvaarding van biologische invloeden op psychologie?

De evolutieleer en medische ontdekkingen.

5
New cards

Welke vier manieren tonen aan dat biologie een rol speelt in de psychologie?

1. Werking van het centrale zenuwstelsel

2. Algemene hersenaandoeningen

3. Ondervoeding

4. Medicatie

6
New cards

Waarom is een goed functionerend centraal zenuwstelsel belangrijk voor gedrag?

Omdat alle gedrag via het zenuwstelsel verloopt; schade eraan kan leiden tot psychologisch disfunctioneren.

7
New cards

Wat zijn mogelijke gevolgen van hersenletsels?

Verminderd functioneren op gebieden zoals aandacht, geheugen en spraak.

8
New cards

Wat is een voorbeeld van een algemene hersenaandoening met psychologische gevolgen?

De ziekte van Alzheimer, die leidt tot een progressieve vermindering van intellectuele vermogens (dementie).

9
New cards

Hoe beïnvloedt ondervoeding het psychologisch functioneren?

Tekorten aan voedingsstoffen zoals ijzer en jodium, vooral tijdens zwangerschap en vroege kinderjaren, leiden tot verminderde intellectuele vermogens.

10
New cards

Welke rol speelt medicatie in de psychologie?

Geneesmiddelen beïnvloeden de chemie van de hersenen en kunnen symptomen van psychische stoornissen verlichten.

11
New cards

Op welke manieren beïnvloedt het lichaam de geest buiten het zenuwstelsel om?

Via lichamelijke processen zoals honger, dorst, seksualiteit, pijn, zwaarlijvigheid, zonlichtblootstelling en lichaamsbeweging.

12
New cards

Welke lichamelijke factoren kunnen invloed hebben op gedachten en gevoelens?

Pijn, zwaarlijvigheid, gebrek aan zonlicht (verhoogde kans op neerslachtigheid), en lichaamsbeweging (positieve invloed op het humeur).

13
New cards

Wat is erfelijkheid in de context van psychologie?

De overdracht van genetische eigenschappen van ouders op kinderen, die invloed hebben op o.a. intelligentie, persoonlijkheid en psychische problemen.

14
New cards

Wat is het doel van tweelingenonderzoek in de psychologie?

Om te bepalen in hoeverre eigenschappen genetisch bepaald zijn door eeneiige tweelingen te vergelijken met twee-eiige tweelingen.

15
New cards

Wat was de conclusie van het onderzoek van Groen-Blokhuis et al. (2011) over huilende peuters?

Omdat de correlatie hoger was bij eeneiige tweelingen, bleek dat erfelijkheid een rol speelt in de neiging van 2-jarigen om gemakkelijk te huilen zonder aanleiding.

16
New cards

Wat is het doel van adoptiestudies in erfelijkheidsonderzoek?

Kenmerken van adoptiekinderen vergelijken met biologische en adoptieouders om te bepalen of eigenschappen genetisch of sociaal zijn overgedragen.

17
New cards

Wat bleek uit het onderzoek van von Borczyskowski et al. (2010) over zelfdoding bij geadopteerden?

Geadopteerde kinderen van biologische ouders die zelfdoding pleegden, hadden een verhoogde kans op zelfdoding, wat wijst op een erfelijke component.

18
New cards

Wat onderzoekt stamboomonderzoek in de psychologie?

Het onderzoekt hoe een eigenschap zich manifesteert over verschillende generaties binnen een familie, vooral wanneer vermoed wordt dat één gen verantwoordelijk is.

19
New cards

Wat is het verschil tussen een dominant en recessief gen?

Een dominant gen komt altijd tot uiting zodra iemand het heeft. Een recessief gen komt alleen tot uiting als beide ouders het gen hebben en er geen dominant gen is dat het onderdrukt.

20
New cards

Wat vonden Gopnik en Crago (1991) bij hun onderzoek naar taalstoornissen?

Ze vonden dat een ernstige taalstoornis (zoals moeite met meervoudsvorming of verleden tijd) in drie generaties voorkwam volgens een patroon dat duidt op dominante overerving op een niet-geslachtsgebonden chromosoom.

21
New cards

Wat betekent het als een stoornis dominant en niet-geslachtsgebonden is?

Dat zowel mannen als vrouwen evenveel kans hebben de stoornis te erven, en als één ouder het gen heeft, is er 50% kans dat het kind het ook krijgt.

22
New cards

Wat kunnen we voorspellen over kinderen van personen die de stoornis niet hebben?

Ze hebben niet meer kans om een kind met de stoornis te krijgen dan iemand uit de algemene populatie.

23
New cards

Wat kunnen we voorspellen over kinderen van personen die de stoornis wél hebben?

Ze hebben bij elke geboorte 50% kans om een kind met dezelfde stoornis te krijgen.

24
New cards

Wat is een voorbeeld van aangeboren gedrag dat via evolutie is ontstaan?

Ratten en muizen hebben een aangeboren angst voor de geur van katten. Ganzen en eenden volgen automatisch het eerste grote bewegende voorwerp dat ze zien (imprinting).

25
New cards

Wat is inprenting en wie ontdekte het?

Inprenting is de aangeboren neiging van jonge dieren (zoals ganzen) om het eerste grote, bewegende object te volgen dat ze zien in de eerste drie dagen na het uitbroeden. Het werd ontdekt door etholoog Konrad Lorenz.

26
New cards

Wat zijn voorbeelden van aangeboren eigenschappen bij mensen?

Voorkeur voor zoet (calorierijk), afkeer van bitter (giftig), en glimlachen bij blijdschap – ook bij blinde baby's – wat wijst op een aangeboren, niet-aangeleerde eigenschap.

27
New cards

Wat is het uitgangspunt van de evolutiepsychologie?

Menselijk gedrag wordt verklaard aan de hand van natuurlijke selectie. Gedragingen die de overlevings- en voortplantingskans vergroten, blijven bestaan.

28
New cards

Wat zeggen Baumeister en Leary (1995) over de behoefte om bij een groep te horen?

Ze stellen dat deze behoefte aangeboren is omdat individuen met die behoefte in het verleden meer kans hadden om te overleven en zich voort te planten.

29
New cards

Wat verklaart volgens evolutiepsychologen onze reacties op sociale uitsluiting?

Omdat de behoefte aan groepslidmaatschap evolutionair is, reageren we sterk op sociale uitsluiting omdat dit vroeger onze overlevingskans verkleinde.

30
New cards

Hoe verklaren evolutiepsychologen partnerkeuze?

Partnerkeuze wordt beïnvloed door erfelijke eigenschappen die in het verleden de kans op voortplanting verhoogden.

31
New cards

Wat is polygynie, en waarom komt het voor bij veel zoogdieren?

Polygynie is een relatievorm waarbij enkele mannetjes toegang hebben tot meerdere vrouwtjes, vaak na onderlinge strijd. Dit verhoogt de kans op sterke nakomelingen.

32
New cards

Wat stelt Trivers’ theorie van ouderlijke investering?

De ouder die het meest investeert in het nageslacht (meestal het vrouwtje) is selectiever in partnerkeuze, terwijl de andere ouder meer competitie levert.

33
New cards

Waarom zijn de meeste vogelsoorten monogaam volgens Trivers?

Omdat de ouderlijke investering bij vogels gelijk is, werken man en vrouw samen om eieren uit te broeden en de jongen groot te brengen.

34
New cards

Wat stelt de theorie van Trivers over menselijke monogamie?

Volgens Trivers is de mens monogaam geworden omdat de ouderlijke investering van de man groot is. Dit leidt tot selectie van partners die zorg kunnen dragen.

35
New cards

Welke eigenschappen zoeken vrouwen wereldwijd meestal in een man volgens de evolutiepsychologie?

Vrouwen zoeken naar mannen die behulpzaam, betrouwbaar, bemiddeld, in staat tot bescherming en voortplanting zijn – zelfs in egalitaire samenlevingen.

36
New cards

Welke eigenschappen vinden mannen vooral belangrijk in een vrouw volgens de evolutiepsychologie?

Jeugd, lichamelijke aantrekkelijkheid en seksuele loyaliteit, omdat die eigenschappen wijzen op vruchtbaarheid en zekerheid over het vaderschap.

37
New cards

Wat is volgens Buss (2009) de reden voor voorkeuren in partnerkeuze?

Omdat individuen met die voorkeuren in het verleden meer kans hadden op succesvolle voortplanting en dus hun genen hebben doorgegeven.

38
New cards

Hoe wordt monogamie bij dieren (en mensen) volgens onderzoek werkelijk ingevuld?

Monogamie betekent in de praktijk vooral het samen grootbrengen van nakomelingen, niet per se seksuele trouw. 5-35% van de jongen komt van een andere vader.

39
New cards

Wat zijn de belangrijkste redenen waarom vrouwen vreemdgaan of van partner veranderen?

Voor betere genen, extra middelen/status, om een betere man te verkrijgen, of uit wraak op de eerste man.

40
New cards

Waarom is seksuele jaloezie bij mannen volgens evolutiepsychologen geëvolueerd?

Omdat mannen met seksuele jaloezie hun vrouwen beter konden beschermen tegen andere paarkandidaten en zo hun vaderschap zekerder stelden.

41
New cards

Wat is de kritiek op evolutiepsychologie in partnerkeuze?

De nadruk ligt te eenzijdig op biologische factoren en onderschat de rol van cognitieve en sociale elementen in liefdesrelaties.

42
New cards

Wat is de hypothese van de 'mannelijke krijger' volgens evolutiepsychologie?

Mannen werken meer samen wanneer er rivaliteit is tussen groepen, in tegenstelling tot vrouwen, die primair samenwerken rond zorg voor kinderen.

43
New cards

Wat zijn de vier manieren waarop biologie een rol speelt in psychologie volgens de samenvatting?

Via het zenuwstelsel, lichamelijke gebeurtenissen (zoals pijn), erfelijkheid (via o.a. tweelingstudies), en via de menselijke evolutiegeschiedenis.