1/38
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
|---|
No study sessions yet.
gaan
ik ga
jij gaat
hij/zij gaat
wij gaan
jullie gaan/u gaat
zij gaan
aller
je vais
tu vas
il/elle va
nous allons
vous allez
ils/elles vont
ik ga
je vais
jij gaat
tu vas
hij/zij gaat
il/elle va
wij gaan
nous allons
jullie gaan/u gaat
vous allez
zij gaan
ils/elles vont
gaan
aller
zijn
ik ben
jij bent
hij/zij is
wij zijn
jullie zijn/u bent
zij zijn
être
je suis
tu es
il/elle est
nous sommes
vous êtes
ils/elles sont
zijn
être
ik ben
je suis
jij bent
tu es
hij/zij is
il/elle est
wij zijn
nous sommes
jullie zijn/u bent
vous êtes
zij zijn
ils/elles sont
hebben
ik heb
jij hebt
hij/zij heeft
wij hebben
jullie hebben/u heeft
zij hebben
avoir
j’ai
tu as
il/elle a
nous avons
vous avez
ils/elles ont
hebben
avoir
ik heb
j’ai
jij hebt
tu as
hij/zij heeft
il/elle a
wij hebben
nous avons
jullie hebben/ u heeft
vous avez
zij hebben
ils/elles ont
Regelmatige werkwoorden op -ER
Gooi -ER in de vuilbak! Weg ermee!
je +e → let op bij klinker of h word het j’
tu +es
il/elle +e
nous +ons
vous +ez
ils/elles +ent
houden van
aimer
kijken
regarder
zielsveel houden van
adorer
wonen
habiter
spelen
jouer
heten
s’appeler
ik heet
je m’appelle
jij heet
tu t’appelles
hij/zij heet
il/elle s’appelle
wij heten
nous nous appelons
jullie heten/ u heet
vous vous appelez
zij heten
ils / elles s’appelent
eten
manger
doorgeven
passer