transporteert cellen en opgeloste stoffen, met inbegrip van voedingsstoffen, afvalstoffen en gassen
14
New cards
Ademhalingsstelsel
transporteert lucht naar plaatsen waar gaswisseling kan plaatsvinden tussen de lucht en het bloed in de bloedsomloop
15
New cards
Uitscheidingstelsel
verwijdert overtollig water, zouten en afvalstoffen
16
New cards
Huid
beschermt het lichaam tegen gevaren vanuit de omgeving, speelt een rol bij reguleren van de lichaamstemperatuur
17
New cards
Voortplantingsstelsel
vormt geslachtscellen en hormonen
18
New cards
Hormoonstelsel
reguleert langdurige veranderingen van de activiteiten van andere orgaanstelsels
19
New cards
Zenuwstelsel
geleiding onmiddellijke reactie op prikkels, meestal door het coördineren van de activiteiten van andere orgaanstelsels
20
New cards
Immuunsysteem
verdedigt tegen ziekten en infecties, zorgt voor terugkeer weefselvocht naar de bloedsomloop
21
New cards
Osmose
het proces waarbij watermoleculen over een selectief permeabel membraan bewegen zodat de concentratie opgeloste stoffen aan beide kanten gelijk is. —> passief transport
22
New cards
Osmotische waarde
mate waarin opgeloste stoffen aanwezig zijn in de vloeistof
23
New cards
hoge osmotische waarde
veel opgeloste stoffen
24
New cards
lage osmotische waarde
weinig opgeloste stoffen
25
New cards
isotone omgeving
osmotische waarde is binnen en buiten de cel gelijk
26
New cards
hypertone omgeving
osmotische waarde is buiten de cel hoger dan binnen de cel
27
New cards
hypotone omgeving
osmotische waarde binnen de cel hoger dan buiten de cel —> cel zet uit
28
New cards
Diffusie
een verplaatsing van moleculen van een plaats met een hoge concentratie naar een plaats met een lage concentratie ; de verspreiding van moleculen door een gasvormig of een vloeibaar medium
29
New cards
diffusiesnelheid
de nettoverplaatsing van een stof per tijdseenheid
30
New cards
Actief membraantransport
verplaatsing van een stof door een membraan wat de cel energie kost (ATP) ; transport is niet afhankelijk van een concentratiegradient. VB: Natrium-Kaliumpomp, vesiculair transport.
31
New cards
Passief membraantransport
verplaatsing van een stof door een membraan zonder dat het de cel energie kost. VB: osmose en diffusie
32
New cards
vesiculair transport
in blaasjes verpakte stoffen worden de cel in of uit verplaatst (actief proces)
33
New cards
endocytose
het verpakken van extracellulair materiaal in een blaasje bij het celoppervlak voor transport de cel in
34
New cards
exocytose
een blaasje dat in de cel is ontstaan, versmelt met de celmembraan en geeft zijn inhoud aan de extracellulaire omgeving af
35
New cards
fagocytose
de vorming van blaasjes met daarin vaste voorwerpen die even groot kunnen zijn als de cel zelf
36
New cards
pinocytose
de vorming van kleine blaasjes die met extracellulaire vloeistof zijn gevuld
37
New cards
receptorgemedieerde endocytose
kleine blaasjes worden gevormd aan het membraanoppervlak om selectief bepaalde stoffen de cel in te vervoeren
38
New cards
homeostase
het bestaan van een stabiel intern milieu
39
New cards
homeostatische regulering
de aanpassingen van de fysiologische systemen waarbij de homeostase wordt gehandhaafd
40
New cards
stimulus
prikkel
41
New cards
positieve terugkoppeling
de aanvankelijke prikkel brengt een reactie teweeg waardoor die prikkel wordt versterkt
42
New cards
negatieve terugkoppeling
een variatie buiten de normale grenzen wekt een automatische reactie op waardoor de situatie wordt gecorrigeerd
43
New cards
Bloed
gespecialiseerd type bindweefsel dat bestaat uit cellen die in een vloeibare matrix ronddrijven.
44
New cards
Hemopoëse
het proces waarbij alle vaste bloedbestanddelen worden gevormd door stamcellen (hemocytoblasten) die zich delen
45
New cards
vaste bloedbestanddelen
bloedcellen en celfragmenten
46
New cards
Rode bloedcellen ; erytrocyten
vervoeren zuurstof en koolstofdioxide
47
New cards
witte bloedellen ; leukocyten
functioneren als afweermechanisme van het lichaam
48
New cards
bloedplaatjes
trombocyten = kleine, door membranen omgeven pakketjes cytoplasma gevuld met enzymen en factoren die noodzakelijk zijn voor de bloedstolling
49
New cards
veneuze punctie
bloed afnemen uit een oppervlakkige ader
50
New cards
arteriële punctie
bloedafname, gebruikt voor beoordelen gaswisseling longen
51
New cards
immunoglobulinen ; antistoffen
vallen lichaamsvreemde eiwitten en ziekteverwekkers aan ; worden gevormd door plasmacellen van het lymfestelsel
52
New cards
transporteiwitten
binden zich aan (onoplosbare) kleine ionen, hormonen of verbindingen om niet te worden uitgescheiden door de nieren
53
New cards
lipoproteïnen
globulinen die betrokken zijn bij het transport van vetten
54
New cards
globulinen
antistoffen en transporteiwitten
55
New cards
fibrinogeen
plasma-eiwit, speelt een rol bij de bloedstolling
56
New cards
fibrine
lange, onoplosbare strengen fibrinogeen ; vormt het raamwerk van een bloedstolsel
57
New cards
albuminen
plasma-eiwitten, leveren grote bijdrage aan osmotische druk van bloedplasma
58
New cards
serum
vloeistof die overblijft nadat de stollingseiwitten verwijde"|rd zijn
59
New cards
hemopoëse
het proces waarbij alle vaste bloedbestanddelen worden gevormd
60
New cards
hemaglobine
bindt en vervoert zuurstof en koolstofdioxide
61
New cards
hematocriet
volumepercentage cellen in vol bloed (37-54%)
62
New cards
bloedarmoede ; anemie
aandoening waarbij iemand een laag hematocriet heeft of bij wie de rode bloedcellen minder hemaglobine bevatten
63
New cards
pernicieuze anemie
stamcellen kunnen zich niet normaal delen door tekort aan vitamime B12
64
New cards
hemocytoblasten
myeloïde stamcellen
65
New cards
Erytropoëse
vorming van rode bloedcellen, vindt voornamelijk plaats in het rode beenmerg
66
New cards
myeloïde weefsel
het rode beenmerg
67
New cards
hemoglobinurie
afbraak grote aantallen rode bloedcellen in de nieren, veroorzaakt roodbruine verkleuring van urine
68
New cards
hemolyse
het scheuren van rode bloedcellen in het bloed
69
New cards
erytroblasten
zeer onrijpe rode bloedcellen die actief hemoglobine vormen
70
New cards
reticulocyt
erytroblasten die hun kern hebben afgestoten
71
New cards
hypoxie
lage zuurstofconcentratie in de weefsels
72
New cards
antigenen
stoffen die een immuunreactie kunnen veroorzaken (verdedigingsmechanisme)
73
New cards
oppervlakteantigenen
agglutinogenen
74
New cards
anti-stoffen
antifglutininen
75
New cards
agglutinatie
samenklonteren van rode bloedcellen als gevolg van de binding van antigenen en antistoffen door een kruisreactie
76
New cards
megakaryocyten
grote cellen met grote celkernen die voorkomen in het beenmerg ; geven pakketjes cytoplasma aan het circulerende bloed af.
77
New cards
niet-specifieke afweer
wordt verzorgd door neutrofielen, eosionofielen, basofielen en monocyten
78
New cards
leukocytose
abnormaal hoge aantallen witte bloedcellen
79
New cards
leukemie
tumor van de bloedvormende weefsels
80
New cards
trombocytose
abnormaal hoge aantallen trombocyten
81
New cards
endotheel
binnenbekleding van vaatwanden, bestaat uit enkelvoudig plaveiselepitheel
82
New cards
vaatspasme
plaatselijke contractie van een bloedvat plaatprop = massa die een scheur in een bloedvatwand kan afsluiten, tenzij de schade ernstig is
83
New cards
lipoproteïne
weefselfactor plasmine = de geactiveerde vorm van plasminogeen in het bloed.
84
New cards
trombus
stabiele plaatjesprop
85
New cards
diapedese
het vermogen van macrofagen om zich door vaatwanden te verplaatsen, door zich tussen aangrenzende endotheelcellen te wringen ; cellen kunnen door vaatwanden heen om bij een ontsteking te komen
86
New cards
chemotaxis
vermogen van macrofagen om te worden aangetrokken of afgestoten door chemische stoffen in de omringende vloeistoffen ; aantrekken van leukocyten naar plaats van ontsteking
87
New cards
granulocyten
granulaire leukocyten ; neutrofielen, eosinofielen en basofielen
88
New cards
neutrofielen
zeer beweeglijke fagocyten
89
New cards
eosinofielen
fagocyten die worden aangetrokken tot lichaamsvreemde stoffen die met antistoffen hebben gereageerd
90
New cards
macrofagen
grote, actief fagocyterende cellen die afstammen van de monocyten
91
New cards
basofielen
zeldzaam, migreren naar beschadigde weefsels en geven histamine af
92
New cards
agranulocyten
a-granulaire leukocyten
93
New cards
monocyten
vrije macrofagen
94
New cards
lymfocyten
spelen een rol bij de specifieke afweerreacties van het lichaam
95
New cards
lymfopoëse
vorming van lymfocyten door lymfoide stamcellen
96
New cards
CSFs
hormonen die de rijping van leukocyten reguleren
97
New cards
amoeboïde bewegingen
kleine bewegingen door de stroming van cytoplasma
98
New cards
T-cellen
belangrijk voor cellulaire immuniteit
99
New cards
B- cellen
verantwoordelijk voor de humorale immunuteit (antistofgemedieerde immuniteit)