13.1 Reden, diskutieren & besprechen

0.0(0)
studied byStudied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/101

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Duits tp

Last updated 10:48 AM on 4/20/23
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

102 Terms

1
New cards
sagen
zeggen
2
New cards
sprechen
spreken, praten
3
New cards
sich unterhalten
praten
4
New cards
schweigen
zwijgen, niets zeggen
5
New cards
reden
praten, spreken
6
New cards
der Ausdruck – die Ausdrücke
de uitdrukking
7
New cards
rufen
roepen
8
New cards
schreien
schreeuwen, gillen, krijsen
9
New cards
die Unterhaltung (en)
de conversatie, het gesprek
10
New cards
das Gespräch (e)
het gesprek
11
New cards
der Dialog (e)
de dialoog
12
New cards
die Rede (n)
de rede, de toespraak, het betoog
13
New cards
diskutieren
van gedachten wisselen, discussiëren over
14
New cards
die Diskussion (en)
de discussie, het gesprek
15
New cards
die Podiumsdiskussion
de paneldiscussie
16
New cards
sich beteiligen
deelnemen, meedoen, bijdragen
17
New cards
besprechen
bespreken, het hebben over
18
New cards
die Besprechung (en)
de bespreking, de vergadering, het overleg
19
New cards
an einer Besprechung teilnehmen
deelnemen aan een vergadering/bespreking
20
New cards
ansprechen
aanspreken
21
New cards
vorschlagen
voorstellen
22
New cards
einen Vorschlag machen
een voorstel doen
23
New cards
der Vorschlag – die Vorschläge
het voorstel
24
New cards
behaupten
beweren
25
New cards
(sich) überzeugen
(zich) overtuigen
26
New cards
begründen
motiveren, een reden aanvoeren
27
New cards
Gründe angeben/nennen
motiveren
28
New cards
der Grund – die Gründe
de reden
29
New cards
das Beispiel (e)
het voorbeeld
30
New cards
zum Beispiel
bijvoorbeeld
31
New cards
unterbrechen
onderbreken
32
New cards
überreden
overhalen, overreden
33
New cards
das Thema – die Themen
het thema, het onderwerp
34
New cards
der Gesprächsgegenstand
het gespreksonderwerp
35
New cards
festlegen
vastleggen, bepalen
36
New cards
sich festlegen
zich vastleggen
37
New cards
sich um jemanden /etwas drehen
draaien om iemand /iets
38
New cards
sich um etwas handeln
gaan om, betreffen
39
New cards
der Faktor (en)
de factor
40
New cards
der Aspekt
de factor
41
New cards
das Problem (e)
het probleem
42
New cards
ein Problem lösen
een probleem oplossen
43
New cards
offen
open, openhartig, oprecht
44
New cards
klären
ophelderen
45
New cards
der Zusammenhang – die Zusammenhänge
de samenhang, het verband, de context
46
New cards
die Reihenfolge (n)
de volgorde
47
New cards
der Schritt (e)
de stap
48
New cards
die Einzelheit (en)
het detail
49
New cards
das Detail (s)
het detail
50
New cards
das Wort (e)
het woord
51
New cards
zusammenfassen
samenvatten
52
New cards
sagen
zeggen
53
New cards
sprechen
spreken, praten
54
New cards
sich unterhalten
praten
55
New cards
schweigen
zwijgen, niets zeggen
56
New cards
reden
praten, spreken
57
New cards
der Ausdruck – die Ausdrücke
de uitdrukking
58
New cards
rufen
roepen
59
New cards
schreien
schreeuwen, gillen, krijsen
60
New cards
die Unterhaltung (en)
de conversatie, het gesprek
61
New cards
das Gespräch (e)
het gesprek
62
New cards
der Dialog (e)
de dialoog
63
New cards
die Rede (n)
de rede, de toespraak, het betoog
64
New cards
diskutieren
van gedachten wisselen, discussiëren over
65
New cards
die Diskussion (en)
de discussie, het gesprek
66
New cards
die Podiumsdiskussion
de paneldiscussie
67
New cards
sich beteiligen
deelnemen, meedoen, bijdragen
68
New cards
besprechen
bespreken, het hebben over
69
New cards
die Besprechung (en)
de bespreking, de vergadering, het overleg
70
New cards
an einer Besprechung teilnehmen
deelnemen aan een vergadering/bespreking
71
New cards
ansprechen
aanspreken
72
New cards
vorschlagen
voorstellen
73
New cards
einen Vorschlag machen
een voorstel doen
74
New cards
der Vorschlag – die Vorschläge
het voorstel
75
New cards
behaupten
beweren
76
New cards
(sich) überzeugen
(zich) overtuigen
77
New cards
begründen
motiveren, een reden aanvoeren
78
New cards
Gründe angeben/nennen
motiveren
79
New cards
der Grund – die Gründe
de reden
80
New cards
das Beispiel (e)
het voorbeeld
81
New cards
zum Beispiel
bijvoorbeeld
82
New cards
unterbrechen
onderbreken
83
New cards
überreden
overhalen, overreden
84
New cards
das Thema – die Themen
het thema, het onderwerp
85
New cards
der Gesprächsgegenstand
het gespreksonderwerp
86
New cards
festlegen
vastleggen, bepalen
87
New cards
sich festlegen
zich vastleggen
88
New cards
sich um jemanden /etwas drehen
draaien om iemand /iets
89
New cards
sich um etwas handeln
gaan om, betreffen
90
New cards
der Faktor (en)
de factor
91
New cards
der Aspekt
de factor
92
New cards
das Problem (e)
het probleem
93
New cards
ein Problem lösen
een probleem oplossen
94
New cards
offen
open, openhartig, oprecht
95
New cards
klären
ophelderen
96
New cards
der Zusammenhang – die Zusammenhänge
de samenhang, het verband, de context
97
New cards
die Reihenfolge (n)
de volgorde
98
New cards
der Schritt (e)
de stap
99
New cards
die Einzelheit (en)
het detail
100
New cards
das Detail (s)
het detail