Biologie H3 en H4

0.0(0)
studied byStudied by 0 people
0.0(0)
full-widthCall with Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/96

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Periode 2

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No study sessions yet.

97 Terms

1
New cards

Fenotype

Alle waarneembare eigenschappen van een individu.

2
New cards

Chromosomen

Langgerekte dunnen draden in de celkern die bestaan uit opgerold DNA.

3
New cards

Genotype

De informatie voor alle erfelijke eigenschappen van een individu; ook wel genetische informatie of genetische code.

4
New cards

Autosomen

Chromosomen die chromosomenparen vormen, dus geen geslachtschromosomen.

5
New cards

Geslachtschromosomen

Chromosomen die het geslacht bepalen; bij een vrouw gelijk in lengte en vorm en bij een man ongelijk in lengte en vorm.

6
New cards

X-chromosoom

Geslachtschromosoom, grootste van de geslachtschromosomen.

7
New cards

Y-chromosoom

Geslachtschromosoom, kleinste van de geslachtschromosomen, alleen bij mannen aanwezig.

8
New cards

Homologe chromosomen

Chromosomen van een paar die gelijk van vorm en lengte zijn.

9
New cards

Gen

Een deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor een of meer erfelijke eigenschappen of een deel van een erfelijke eigenschap.

10
New cards

Genoom

Alle DNA-moleculen in een cel.

11
New cards

Allel

Verschillende varianten van een gen voor een bepaalde eigenschap in homologe chromosomen.

12
New cards

Genexpressie

Het tot uiting komen van genen in het fenotype.

13
New cards

Milieufactoren

Factoren vanuit de omgeving die het fenotype beïnvloeden, bijvoorbeeld licht, temperatuur en opvoeding.

14
New cards

Homozygoot

Het genenpaar voor een eigenschap bestaat uit twee gelijke allelen.

15
New cards

Heterozygoot

Het genenpaar voor een eigenschap bestaat uit twee ongelijke allelen.

16
New cards

Dominant allel

Allel dat altijd tot uiting komt in het fenotype.

17
New cards

Recessief allel

Allel dat alleen tot uiting komt in het fenotype als er geen dominant gen aanwezig is.

18
New cards

Onvolledig dominant allel

Recessieve allel komt beetje tot uiting in het fenotype bij een heterozygoot organisme.

19
New cards

Intermediair (fenotype)

Fenotype waarbij beide allelen van een als mengvorm tot uiting komen.

20
New cards

Recombinatie

Herverdeling van erfelijke eigenschappen door meiose en geslachtelijke voortplanting.

21
New cards

Haplotype

Een groep allelen die een organisme samen van één ouder overerft.

22
New cards

Genetische variatie

Verscheidenheid in genotypen binnen een soort of populatie.

23
New cards

Mutaties

Veranderingen in genen door fouten bij replicatie en in DNA.

24
New cards

Monohybride kruising

Kruising waarbij je let op de overerving van één eigenschap waarbij slechts één allelenpaar betrokken is.

25
New cards

Kruisingsschema

Een schematisch overzicht van een kruising tussen twee organismen, waarin de allelen van de eicellen en zaadcellen en de mogelijke genotypen van de nakomelingen staan.

26
New cards

Stamboom

Overzicht van erfelijke familiegegevens.

27
New cards

X-chromosomaal

Genen die alleen in het X-chromosoom voorkomen.

28
New cards

Dihybride kruising

Kruising waarbij je let op de overerving van twee eigenschappen waarbij twee allelenparen zijn betrokken.

29
New cards

Multipele allelen

Voor één erfelijke eigenschap bestaan drie of meer verschillende allelen.

30
New cards

Letale factoren

Allel dat in homozygote toestand geen levensvatbare cel of individu oplevert.

31
New cards

Gekoppelde genen

Genen die in hetzelfde chromosomenpaar liggen.

32
New cards

Crossing-over

Het uitwisselen van afgebroken chromosoomdelen.

33
New cards

Mitochondriaal DNA

DNA dat in mitochondriën zit en alleen via eicellen overerft naar een volgende generatie.

34
New cards

Chemische evolutie

Vorming van de stoffen waaruit de eerste eencellige kon ontstaan.

35
New cards

Organische stoffen

Grote, ingewikkeld gebouwde moleculen, zijn meestal afkomstig van organismen en bevatten altijd een of meer atomen koolstof en waterstof.

36
New cards

Anorganische stoffen

Kleine, eenvoudig gebouwde moleculen, komen zowel voor in organismen als in de levenloze natuur.

37
New cards

Miller-Urey-experiment

Experiment dat ontstaan van organische verbindingen in de oeratmosfeer nabootst.

38
New cards

Oersoep

Mengsel van organische stoffen in de zee.

39
New cards

Zelforganisatie

Ontstaan van eenheden met nieuwe eigenschappen op een hoger organisatieniveau.

40
New cards

Black smokers

Vulkanische schoorstenen waar onder hogedruk water tot 400 °C uit de zeebodem spuit.

41
New cards

Prokaryoot

Eencellig organisme zonder celkern of andere zichtbare organellen (bacteriën en archaea).

42
New cards

Cirkelvormig chromosoom

Cirkelvorming DNA-molecuul.

43
New cards

Anaeroob

Levend in een milieu zonder zuurstof.

44
New cards

Heterotroof

Niet in staat zelf organische stoffen te maken, neemt organische stoffen op als voedsel.

45
New cards

Bacteriën

Eencelligen zonder kern of interne membranen.

46
New cards

Autotroof

In staat om organische stoffen te vormen uit anorganische stoffen en energie.

47
New cards

Aeroob

Gebruikt zuurstof om organische stoffen af te breken (verbranding) voor de energievoorziening.

48
New cards

Eukaryoot

Organismen die in hun cellen een celkern hebben, dubbele membranen en organellen.

49
New cards

Endosymbiosetheorie

Eukaryoten ontstonden uit prokaryoten: door instulping van het celmembraan rondom het DNA ontstonden een kernmembraan, de celkern en het endoplasmatisch reticulum.

50
New cards

Biodiversiteit

Verscheidenheid aan organismen.

51
New cards

Archaea

Eencelligen zonder kern of interne membranen, kunnen leven onder extreme omstandigheden.

52
New cards

Celwand

Stevig laagje om een cel heen.

53
New cards

Chlorofyl

Groene kleurstof die zich in de bladgroenkorrels (chloroplasten) bevindt.

54
New cards

Genus (geslacht)

Groep die bestaat uit soorten die zich uit eenzelfde voorouder hebben ontwikkeld.

55
New cards

Flagel

Zweephaar of zweepstaart, dient vaak voor voortbeweging.

56
New cards

Plasmiden

Kleine cirkelvormige chromosomen.

57
New cards

Virus

Deeltje dat bestaat uit een kern van erfelijk materiaal omgeven door een eiwitmantel.

58
New cards

DNA-virus

Een virus waarvan het erfelijk materiaal uit DNA bestaat.

59
New cards

RNA-virus

Een virus waarvan het erfelijk materiaal uit RNA bestaat.

60
New cards

Eiwitmantel

Ook wel capside genoemd, omgeeft het erfelijk materiaal bij een virus.

61
New cards

Schimmels

Heterotrofe organismen, belangrijk voor de afbraak van organische stoffen in de natuur.

62
New cards

Genen

Stukjes DNA die coderen voor een eigenschap.

63
New cards

Epigenetica

Onderzoek naar de invloed van milieufactoren op genexpressie.

64
New cards

Natuurlijke selectie

De best aangepaste organismen kunnen zich voortplanten en geven vervolgens hun genen door aan hun nakomelingen.

65
New cards

Meiose

Proces waarbij het aantal chromosomen van een cel wordt gereduceerd.

66
New cards

Geslachtelijke voortplanting

Door celfusie ontstaan nakomelingen met erfelijke eigenschappen van beide ouders.

67
New cards

Overlevingskans

Kans van een organisme op overleven.

68
New cards

Selectiedruk

De invloed van milieufactoren op de genetische variatie in een populatie.

69
New cards

Fitness

Kans van een individu op het voortbrengen van nakomelingen.

70
New cards

Voortplantingssucces

Kans van een individu op het voortbrengen van nakomelingen.

71
New cards

Adaptatie

Mate van aanpassing van een populatie aan de omgeving.

72
New cards

Soort

Organismen behoren tot dezelfde soort als ze in staat zijn zich onderling voort te planten en daarbij vruchtbare nakomelingen voort te brengen.

73
New cards

Populatie

Groep individuen van dezelfde soort die leven in een bepaald gebied en zich onderling voortplanten.

74
New cards

Gene flow

Uitwisseling van genen tussen populaties van dezelfde soort door migratie en/of onderlinge voortplanting.

75
New cards

Genenpool

Verzameling van alle genen in een populatie.

76
New cards

Allelfrequentie

Hoe vaak een allel in de populatie voorkomt (waarde tussen 0 en 1).

77
New cards

Regel van Hardy-Weinberg

Zonder selectiedruk blijft in een grote populatie de allelfrequentie constant door willekeurige overerving.

78
New cards

Seksuele selectie

Eigenschappen van seksuele partners beïnvloeden hun voortplantingskans.

79
New cards

Kunstmatige selectie

Overlevingskansen spelen geen rol in de voortplantingskans, alleen de wensen van mensen.

80
New cards

Co-evolutie

Een evoluerende soort beïnvloedt de evolutie van een andere soort.

81
New cards

Inteelt

Individuen die een recente gemeenschappelijke voorouder hebben, paren met elkaar; als de parende individuen allebei een recessief gemuteerd gen van de voorouders hebben gekregen, kan dit gen bij de nakomelingen tot uiting komen (Aa × Aa → aa).

82
New cards

Genetic drift

Verschijnsel dat in kleine populaties grote verschuivingen in allelfrequenties kunnen optreden.

83
New cards

Flessenhalseffect (Bottleneck effect)

Sterke afname van het aantal individuen van een populatie, waardoor genetic drift kan optreden.

84
New cards

Stichtereffect (Founder effect)

Een kleine groep individuen scheidt af van een populatie en sticht een nieuwe populatie, waardoor genetic drift kan optreden.

85
New cards

Reproductieve isolatie

Gedurende lange tijd ontbreken van voortplanting tussen de individuen van twee of meer populaties.

86
New cards

Allopatrische soortvorming

Soortvorming ten gevolge van geografische isolatie.

87
New cards

Eilandtheorie

Theorie dat soortvorming kan plaatsvinden door reproductieve isolatie en adaptatie van over verschillende eilanden verspreide populaties.

88
New cards

Sympatrische soortvorming

Soortvorming door reproductieve isolatie zonder geografische scheiding, bijvoorbeeld door verschil in gedrag.

89
New cards

Homologie

Overeenkomstige vorm door verwantschap, de functie kan verschillen.

90
New cards

Divergentie

Door aanpassing aan verschillende milieus hebben organen of ledematen een verschillende functie gekregen; het gemeenschappelijke bouwplan verandert niet.

91
New cards

Verwantschap

Hoeveel genetische informatie overeenkomt tussen twee soorten.

92
New cards

Analoog

Overeenkomstige vorm en functie die niet berust op verwantschap.

93
New cards

Convergentie

Door aanpassing aan hetzelfde milieu zijn bij niet-verwante organismen organen met een vergelijkbare functie ontstaan.

94
New cards

DNA-analyse

Het bepalen van de specifieke nucleotidenvolgorde van DNA.

95
New cards

Afstamming

Het bepalen van de afstamming van de soort door DNA van twee of meer verschillende soorten organismen met elkaar te vergelijken.

96
New cards

Clade

Groep soorten die bestaat uit een voorouder en alle nakomelingen daarvan.

97
New cards

Cladogram

De schematische weergave van de verwantschap tussen de soorten van een clade.