1/96
Periode 2
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No study sessions yet.
Fenotype
Alle waarneembare eigenschappen van een individu.
Chromosomen
Langgerekte dunnen draden in de celkern die bestaan uit opgerold DNA.
Genotype
De informatie voor alle erfelijke eigenschappen van een individu; ook wel genetische informatie of genetische code.
Autosomen
Chromosomen die chromosomenparen vormen, dus geen geslachtschromosomen.
Geslachtschromosomen
Chromosomen die het geslacht bepalen; bij een vrouw gelijk in lengte en vorm en bij een man ongelijk in lengte en vorm.
X-chromosoom
Geslachtschromosoom, grootste van de geslachtschromosomen.
Y-chromosoom
Geslachtschromosoom, kleinste van de geslachtschromosomen, alleen bij mannen aanwezig.
Homologe chromosomen
Chromosomen van een paar die gelijk van vorm en lengte zijn.
Gen
Een deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor een of meer erfelijke eigenschappen of een deel van een erfelijke eigenschap.
Genoom
Alle DNA-moleculen in een cel.
Allel
Verschillende varianten van een gen voor een bepaalde eigenschap in homologe chromosomen.
Genexpressie
Het tot uiting komen van genen in het fenotype.
Milieufactoren
Factoren vanuit de omgeving die het fenotype beïnvloeden, bijvoorbeeld licht, temperatuur en opvoeding.
Homozygoot
Het genenpaar voor een eigenschap bestaat uit twee gelijke allelen.
Heterozygoot
Het genenpaar voor een eigenschap bestaat uit twee ongelijke allelen.
Dominant allel
Allel dat altijd tot uiting komt in het fenotype.
Recessief allel
Allel dat alleen tot uiting komt in het fenotype als er geen dominant gen aanwezig is.
Onvolledig dominant allel
Recessieve allel komt beetje tot uiting in het fenotype bij een heterozygoot organisme.
Intermediair (fenotype)
Fenotype waarbij beide allelen van een als mengvorm tot uiting komen.
Recombinatie
Herverdeling van erfelijke eigenschappen door meiose en geslachtelijke voortplanting.
Haplotype
Een groep allelen die een organisme samen van één ouder overerft.
Genetische variatie
Verscheidenheid in genotypen binnen een soort of populatie.
Mutaties
Veranderingen in genen door fouten bij replicatie en in DNA.
Monohybride kruising
Kruising waarbij je let op de overerving van één eigenschap waarbij slechts één allelenpaar betrokken is.
Kruisingsschema
Een schematisch overzicht van een kruising tussen twee organismen, waarin de allelen van de eicellen en zaadcellen en de mogelijke genotypen van de nakomelingen staan.
Stamboom
Overzicht van erfelijke familiegegevens.
X-chromosomaal
Genen die alleen in het X-chromosoom voorkomen.
Dihybride kruising
Kruising waarbij je let op de overerving van twee eigenschappen waarbij twee allelenparen zijn betrokken.
Multipele allelen
Voor één erfelijke eigenschap bestaan drie of meer verschillende allelen.
Letale factoren
Allel dat in homozygote toestand geen levensvatbare cel of individu oplevert.
Gekoppelde genen
Genen die in hetzelfde chromosomenpaar liggen.
Crossing-over
Het uitwisselen van afgebroken chromosoomdelen.
Mitochondriaal DNA
DNA dat in mitochondriën zit en alleen via eicellen overerft naar een volgende generatie.
Chemische evolutie
Vorming van de stoffen waaruit de eerste eencellige kon ontstaan.
Organische stoffen
Grote, ingewikkeld gebouwde moleculen, zijn meestal afkomstig van organismen en bevatten altijd een of meer atomen koolstof en waterstof.
Anorganische stoffen
Kleine, eenvoudig gebouwde moleculen, komen zowel voor in organismen als in de levenloze natuur.
Miller-Urey-experiment
Experiment dat ontstaan van organische verbindingen in de oeratmosfeer nabootst.
Oersoep
Mengsel van organische stoffen in de zee.
Zelforganisatie
Ontstaan van eenheden met nieuwe eigenschappen op een hoger organisatieniveau.
Black smokers
Vulkanische schoorstenen waar onder hogedruk water tot 400 °C uit de zeebodem spuit.
Prokaryoot
Eencellig organisme zonder celkern of andere zichtbare organellen (bacteriën en archaea).
Cirkelvormig chromosoom
Cirkelvorming DNA-molecuul.
Anaeroob
Levend in een milieu zonder zuurstof.
Heterotroof
Niet in staat zelf organische stoffen te maken, neemt organische stoffen op als voedsel.
Bacteriën
Eencelligen zonder kern of interne membranen.
Autotroof
In staat om organische stoffen te vormen uit anorganische stoffen en energie.
Aeroob
Gebruikt zuurstof om organische stoffen af te breken (verbranding) voor de energievoorziening.
Eukaryoot
Organismen die in hun cellen een celkern hebben, dubbele membranen en organellen.
Endosymbiosetheorie
Eukaryoten ontstonden uit prokaryoten: door instulping van het celmembraan rondom het DNA ontstonden een kernmembraan, de celkern en het endoplasmatisch reticulum.
Biodiversiteit
Verscheidenheid aan organismen.
Archaea
Eencelligen zonder kern of interne membranen, kunnen leven onder extreme omstandigheden.
Celwand
Stevig laagje om een cel heen.
Chlorofyl
Groene kleurstof die zich in de bladgroenkorrels (chloroplasten) bevindt.
Genus (geslacht)
Groep die bestaat uit soorten die zich uit eenzelfde voorouder hebben ontwikkeld.
Flagel
Zweephaar of zweepstaart, dient vaak voor voortbeweging.
Plasmiden
Kleine cirkelvormige chromosomen.
Virus
Deeltje dat bestaat uit een kern van erfelijk materiaal omgeven door een eiwitmantel.
DNA-virus
Een virus waarvan het erfelijk materiaal uit DNA bestaat.
RNA-virus
Een virus waarvan het erfelijk materiaal uit RNA bestaat.
Eiwitmantel
Ook wel capside genoemd, omgeeft het erfelijk materiaal bij een virus.
Schimmels
Heterotrofe organismen, belangrijk voor de afbraak van organische stoffen in de natuur.
Genen
Stukjes DNA die coderen voor een eigenschap.
Epigenetica
Onderzoek naar de invloed van milieufactoren op genexpressie.
Natuurlijke selectie
De best aangepaste organismen kunnen zich voortplanten en geven vervolgens hun genen door aan hun nakomelingen.
Meiose
Proces waarbij het aantal chromosomen van een cel wordt gereduceerd.
Geslachtelijke voortplanting
Door celfusie ontstaan nakomelingen met erfelijke eigenschappen van beide ouders.
Overlevingskans
Kans van een organisme op overleven.
Selectiedruk
De invloed van milieufactoren op de genetische variatie in een populatie.
Fitness
Kans van een individu op het voortbrengen van nakomelingen.
Voortplantingssucces
Kans van een individu op het voortbrengen van nakomelingen.
Adaptatie
Mate van aanpassing van een populatie aan de omgeving.
Soort
Organismen behoren tot dezelfde soort als ze in staat zijn zich onderling voort te planten en daarbij vruchtbare nakomelingen voort te brengen.
Populatie
Groep individuen van dezelfde soort die leven in een bepaald gebied en zich onderling voortplanten.
Gene flow
Uitwisseling van genen tussen populaties van dezelfde soort door migratie en/of onderlinge voortplanting.
Genenpool
Verzameling van alle genen in een populatie.
Allelfrequentie
Hoe vaak een allel in de populatie voorkomt (waarde tussen 0 en 1).
Regel van Hardy-Weinberg
Zonder selectiedruk blijft in een grote populatie de allelfrequentie constant door willekeurige overerving.
Seksuele selectie
Eigenschappen van seksuele partners beïnvloeden hun voortplantingskans.
Kunstmatige selectie
Overlevingskansen spelen geen rol in de voortplantingskans, alleen de wensen van mensen.
Co-evolutie
Een evoluerende soort beïnvloedt de evolutie van een andere soort.
Inteelt
Individuen die een recente gemeenschappelijke voorouder hebben, paren met elkaar; als de parende individuen allebei een recessief gemuteerd gen van de voorouders hebben gekregen, kan dit gen bij de nakomelingen tot uiting komen (Aa × Aa → aa).
Genetic drift
Verschijnsel dat in kleine populaties grote verschuivingen in allelfrequenties kunnen optreden.
Flessenhalseffect (Bottleneck effect)
Sterke afname van het aantal individuen van een populatie, waardoor genetic drift kan optreden.
Stichtereffect (Founder effect)
Een kleine groep individuen scheidt af van een populatie en sticht een nieuwe populatie, waardoor genetic drift kan optreden.
Reproductieve isolatie
Gedurende lange tijd ontbreken van voortplanting tussen de individuen van twee of meer populaties.
Allopatrische soortvorming
Soortvorming ten gevolge van geografische isolatie.
Eilandtheorie
Theorie dat soortvorming kan plaatsvinden door reproductieve isolatie en adaptatie van over verschillende eilanden verspreide populaties.
Sympatrische soortvorming
Soortvorming door reproductieve isolatie zonder geografische scheiding, bijvoorbeeld door verschil in gedrag.
Homologie
Overeenkomstige vorm door verwantschap, de functie kan verschillen.
Divergentie
Door aanpassing aan verschillende milieus hebben organen of ledematen een verschillende functie gekregen; het gemeenschappelijke bouwplan verandert niet.
Verwantschap
Hoeveel genetische informatie overeenkomt tussen twee soorten.
Analoog
Overeenkomstige vorm en functie die niet berust op verwantschap.
Convergentie
Door aanpassing aan hetzelfde milieu zijn bij niet-verwante organismen organen met een vergelijkbare functie ontstaan.
DNA-analyse
Het bepalen van de specifieke nucleotidenvolgorde van DNA.
Afstamming
Het bepalen van de afstamming van de soort door DNA van twee of meer verschillende soorten organismen met elkaar te vergelijken.
Clade
Groep soorten die bestaat uit een voorouder en alle nakomelingen daarvan.
Cladogram
De schematische weergave van de verwantschap tussen de soorten van een clade.