1/74
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No study sessions yet.
Uitscheiding
Het afvoeren van afvalstoffen door het lichaam.
Longen
Deel van het ademhalingsstelsel; organen in de borstholte waar gaswisseling plaatsvindt.
Gaswisseling
Het opnemen van gassen uit de lucht en het afgeven van gassen aan de lucht.
Luchtpijp
Buis die de keelholte met de longen verbindt.
Bronchiën
Vertakkingen van de luchtpijp waardoor lucht naar de longen en terug wordt vervoerd.
Longblaasjes
Blaasjes aan de uiteinden van de fijnste bronchiolen.
Diffusie
Verplaatsing van stoffen van een plaats met een hoge concentratie naar een plaats met een lage concentratie.
Zuurstofconcentratie
Aandeel van zuurstof in een gas of vloeistof.
Zuurstofdruk
Aandeel van zuurstof in een gas of vloeistof.
Koolstofdioxideconcentratie
Aandeel van koolstofdioxide in een gas of vloeistof.
Koolstofdioxidedruk
Aandeel van koolstofdioxide in een gas of vloeistof.
Zuurstoftransport
Transport van zuurstof; in het bloed voornamelijk door binding aan hemoglobine.
Hemoglobine
Zuurstofbindend eiwitmolecuul in rode bloedcellen.
Koolstofdioxidetransport
Transport van koolstofdioxide; in het bloed voornamelijk als waterstofcarbonaationen.
Ademhalingsspieren
Het middenrif, de binnenste en buitenste tussenribspieren en de buikspieren.
Ventilatiebewegingen
Ademhaling door het groter en kleiner worden van de longen.
Dode ruimte
Inhoud van bronchiën, luchtpijp en keel- of neusholte die ongebruikt wordt uitgeademd.
Restvolume
Hoeveelheid lucht die na een maximale uitademing in de longen achterblijft.
Vitale capaciteit
Hoeveelheid lucht die in één ademhaling maximaal kan worden verplaatst.
Longcapaciteit
De vitale capaciteit plus het restvolume.
Lever
Orgaan waarin veel stofwisselingsprocessen plaatsvinden.
Leverlobjes
Zeshoekige structuren binnen de lever.
Inwendig milieu
Wordt gevormd door het bloed en de weefselvloeistof van een organisme.
Gal
Wordt geproduceerd door levercellen en bevat onder andere water en galzuren.
Glucoseconcentratie
Concentratie van glucose in het bloed; wordt constant gehouden door insuline en glucagon.
Ureum
Stof die ontstaat in de lever door omzetting van ammoniak.
Nieren
Uitscheidingsorganen die schadelijke stoffen uit het bloed verwijderen en urine produceren.
Nierschors
Buitenste deel van de nieren waar urine wordt gevormd.
Niermerg
Deel van de nieren waar urine wordt gevormd.
Urine
Door de nieren gevormde vloeistof met water, zouten en afvalstoffen.
Urineblaas
Orgaan waarin urine tijdelijk wordt opgeslagen.
Niereenheid
Deel van de nier dat grotendeels uit een nierbuisje bestaat.
Kapsel van Bowman
Begin van een nierbuisje dat kleine moleculen doorlaat.
Glomerulus
Kluwen van haarvaten in het nierkapsel.
Nierbuisje
Deel van de niereenheid waarin urine wordt gevormd.
Ultrafiltratie
Proces waarbij bloedplasma in het nierkapsel wordt geperst.
Terugresorptie
Opname van nuttige stoffen uit de voorurine naar het bloed.
Reabsorptie
Opname van nuttige stoffen uit de voorurine naar het bloed.
ADH
Hormoon dat de waterterugresorptie in de nieren vergroot.
Waterhuishouding
Regeling van de hoeveelheid water in het lichaam.
Huid
Grootste orgaan; beschermt het lichaam en regelt de temperatuur.
Zweetklieren
Klieren in de lederhuid die zweet produceren.
Regelkringen
Systemen die een waarde herstellen of constant houden.
Temperatuurregulatie
In stand houden van de lichaamstemperatuur.
Uitwendig milieu
De omgeving van een organisme.
Zweet
Vloeistof van zweetklieren, vooral bestaande uit water en zouten.
Bloedsamenstelling
Bestaat uit bloedplasma en bloedcellen.
Bloedplasma
Water met opgeloste stoffen en plasma-eiwitten.
Rode beenmerg
Plaats waar bloedcellen worden gevormd.
Rode bloedcellen
Cellen zonder celkern die zuurstof vervoeren.
Epo
Hormoon dat de aanmaak van rode bloedcellen stimuleert.
Witte bloedcellen
Cellen die betrokken zijn bij de afweer.
Bloedplaatjes
Celdelen die zorgen voor bloedstolling.
Bloedstolling
Proces waarbij bloed klontert.
Bloedsomloop
Gesloten transportsysteem van het lichaam.
Kleine bloedsomloop
Bloedsomloop tussen hart en longen.
Grote bloedsomloop
Bloedsomloop tussen hart en rest van het lichaam.
Hart
Holle spier die als pomp functioneert.
Kransslagaders
Bloedvaten die het hart van zuurstof voorzien.
Kransaders
Bloedvaten die afvalstoffen van het hart afvoeren.
Hartkleppen
Voorkomen dat bloed terugstroomt.
Sinusknoop
Plaats waar impulsen voor de hartslag ontstaan.
Hartslagfrequentie
Aantal hartslagen per minuut.
Slagvolume
Hoeveelheid bloed per hartslag.
Slagaders
Voeren bloed van het hart weg.
Haarvaten
Dunne bloedvaten waar uitwisseling van stoffen plaatsvindt.
Aders
Voeren bloed terug naar het hart.
Bloedvatenstelsel
Alle bloedvaten samen.
Bloeddruk
Druk van het bloed op de vaatwand.
Bovendruk
Hoogste bloeddruk bij samentrekken van het hart.
Onderdruk
Laagste bloeddruk tijdens ontspanning van het hart.
Weefselvloeistof
Vocht tussen de cellen.
Lymfevaten
Vaten die lymfe vervoeren.
Lymfe
Overtollige weefselvloeistof.
Lymfesysteem
Stelsel van lymfevaten en lymfeknopen.