1/61
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Dragen
Droeg(en), gedragen. Carry/wear
Ervaren
Ervoer(en), ervaren. Experience
Graven
Groef(en), gegraven. Dig
Slaan
Sloeg(en), gelsagen. Hit/strike
Varen
Voer(en), gevaren. Float/sail.
NB: Voeren means to conduct, use context clues.
Bevallen
Beviel(en), bevallen. Please or to give birth
Blazen
blies (bliezen), geblazen. Blow
Laten
Liet(en), gelaten. Let
Slapen
Sliep(en), geslapen. Sleep
Vallen
Viel(en), gevallen. Fall
Hangen
Hing(en), gehangen. Hang
Vangen
Ving, gevangen. Catch
Eten
At(en), gegeten. Eat
Genezen
Genas (genazen), genezen. Heal
NB: I couldn’t really find anyone using this word. Use regular Helen.
Geven
Gaf(en), gegeven. Give
Lezen
Las(z-en), gelezen. Read
Meten
Mat(en), gemeten. Measure
Treden
Trad(en), getrden. Step/move
Vergeten
Vergat(en), vergeten. Forget
Vreten
Vrat(en), gevreten. Devour/gobble
bevelen
beval(en), bevolen. order, command
breken
brak(en), gebroken. break
nemen
nam(en), genomen. take
spreken
sprak(en), gesproken. speak
steken
stak, gestoken. stick, sting, prick.
stelen
stal(en), gestolen. steal
scheppen
schiep(en), geschapen. create
heffen
hief(en), geheven. lift or heave
bederven
bedierf(en), bedorven. spoil or rot
helpen
hielp(en), geholpen. help
ontwerpen
ontwierp(en), ontworpen. design
sterven
stierf(en), gestorven. die
werpen
wierp(en), geworpen. throw
werven
wierf(ven), geworven. recruit
zwerven
zwierf(ven), gezworven. wander, roam
bakken
bakte, gebakken. bake
barsten
barstte, gebarsten. burst
bezoeken
bezocht, bezocht. visit
braden
braadde, gebraden. fry, saute
brengen
bracht, gebracht. bring
denken
dacht, gedacht. think
hebben
had, gehad. have
heten
heette, geheten. be called
jagen
joef, gejaagd. hunt
kopen
kocht, gekocht. buy
lachen
lachte, gelachen. laugh
laden
laadde, geladen. load
malen
maalde, gemalen. grind, ground
raden
raadde, geraden. guess
scheiden
scheidde, gescheiden. seperate
spannen
spande, gespanne. stretch, tighten
stoten
stootte, gestoten. bump, knock
varraden
verraadde, verraden. cheat, betray
vouwen
vouwde, gevouwen. fold.
vragen
vroeg, gevraagd. ask
waaien
woei/waaide, gewaaid. blow
wassen
waste, gewassen. wash
weven
weefde, geweven. weave
zeggen
zei/zeiden, gezegd. say
zijn
was/waren, geweest. be
zoeken
zocht, gezocht. look for
zouten
zoutte, gezouten. salt, pickle