1/41
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
met hem
αυτου
aan/voor hem
αυτῳ
hem
αυτον
met haar
αυτης
aan/voor haar
αυτῃ
haar
αυτην
met het
αυτου o
aan/voor het
αυτῳ o
het
αυτο
met hen m
αυτων m
aan/voor hen m
αυτοις
hen m
αυτους
met hen v
αυτων v
aan/voor hen v
αυταις
hen v
αυτας
met die dingen
αυτων o
aan/voor die dingen
αυτοις o
die dingen
αυτα
ik maak los
λυω
jij maakt los
λυεις
hij/zij/het maakt los
λυει
wij maken los
λυομεν
jullie maken los, jullie moeten losmaken
λυετε
zij maken los
λυουσι(ν)
losmaken
λυειν
jij moet losmaken
λυε
ik doe, maak
ποιω
jij doet, maken
ποιεις
hij/zij/het doet, maakt
ποιει
wij doen, maken
ποιουμεν
jullie doen, maken, jullie moeten doen, maken
ποιειτε
zij doen, maken
ποιουσι(ν)
doen, maken
ποιειν
jij moet doen, maken
ποιει i
ik ben
ειμι
jij bent
ει
hij/zij/het is
εστι(ν)
wij zijn
εσμεν
jullie zijn, weest
εστε
zij zijn
εισι(ν)
wees
ισθι
zijn
ειναι