1/23
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
la France
Frankrijk
les vacances
de vakantie
la piscine
het zwembad
un peu
een beetje
attention
pas op
je suis
ik ben
tu parles
jij spreekt
français
Frans
salut
hoi
bonjour
hallo, goedendag
petit(e)
klein
grand(e)
groot
d’accord
oké
mais
maar
pour
voor
et
en
bien
goed
j’aime
ik vind (het) leuk
on joue
wij spelen
j’habite
ik woon
Comment tu t’appelles?
Hoe heet jij?
Je m’appelle Roos
Ik heet Roos.
Tu habites oĂą?
Waar woon jij?
J’habite à Zwolle.
Ik woon in Zwolle.