1/69
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Extracellulaire matrix (ECM)
Netwerk van eiwitten en koolhydraten buiten de cel dat structuur en ondersteuning biedt aan weefsels.
Epitheel
Laag cellen die lichaamsoppervlakken en -holtes bekleedt en beschermt.
Collageen
Belangrijk structureel eiwit in de ECM, zorgt voor sterkte en flexibiliteit van weefsels.
Scheurbuik
Ziekte veroorzaakt door vitamine C-tekort, leidt tot gebrekkige collageenvorming.
Hydroxyproline
Aminozuur, essentieel voor de stabiliteit van collageen, vereist vitamine C voor aanmaak.
Procollageen
Voorloper van collageen dat in de cel wordt gemaakt en buiten de cel wordt verwerkt tot collageenvezels.
Procollageen peptidase
Enzym dat de uiteinden van procollageen afknipt om collageenvezels te vormen.
Histologie
Studie van weefsels onder de microscoop.
Fibroblast
Cel in bindweefsel die collageen en andere ECM-componenten aanmaakt.
Systeem van Havers
Netwerk van kanalen in compact bot dat bloedvaten en zenuwen bevat.
Osteoblasten
Botvormende cellen die nieuw botweefsel aanmaken.
Osteocyten
Volgroeide osteoblasten die ingesloten zijn in botmatrix; onderhouden het bot.
Osteoclasten
Cellen die botweefsel afbreken bij botvernieuwing.
Fibronectine
Glycoproteïne in ECM dat cellen helpt hechten en bewegen.
Integrine
Celmembraaneiwit dat cel verbindt met ECM en signalen doorgeeft.
Proteoglycanen
Eiwit met lange GAG-ketens, geven weefsel veerkracht en vochtretentie.
Glycosaminoglycanen (GAG)
Lange, onvertakte suikerketens die deel uitmaken van proteoglycanen.
Hyaluronzuur
Niet-gesulfateerde GAG die zorgt voor smeer- en schokdemping in weefsels.
Aggrecan
Groot proteoglycaan in kraakbeen, bindt met hyaluronzuur voor veerkracht.
Kerataansulfaat
GAG in kraakbeen, hoornvlies en tussenwervelschijven.
Chondroitinesulfaat
GAG die stevigheid geeft aan kraakbeen en ander bindweefsel.
Bekercel
Slijmproducerende cel in epitheelweefsel van luchtwegen en darmen.
Absorptiecel
Epitheelcel die voedingsstoffen opneemt, bijvoorbeeld in de darmwand.
Basale lamina
Dunne laag ECM onder epitheelcellen, biedt steun en filterfunctie.
Laminine
Eiwit in de basale lamina dat cellen helpt hechten.
Dichte junctie (tight junction)
Verbindt epitheelcellen strak, voorkomt lekken van stoffen tussen cellen.
Adherens junctie
Verbindt cellen mechanisch via actinefilamenten en cadherines.
Desmosoom
Verbindt cellen via intermediaire filamenten, biedt mechanische sterkte.
Hemidesmosoom
Verbindt epitheelcel met de basale lamina via intermediaire filamenten.
Gap junctie
Kanaaltjes tussen cellen die kleine moleculen en ionen doorlaten.
Claudines
Belangrijke eiwitten in dichte juncties, reguleren doorlaatbaarheid.
Occludines
Eiwitten in dichte juncties, dragen bij aan de barrièrefunctie.
Homofiele binding
Binding tussen dezelfde typen celadhesiemoleculen op aangrenzende cellen.
Cadherine
Calciumafhankelijke adhesiemoleculen, essentieel in cel-celverbindingen.
Adhesieriem (adhesion belt)
Ring van cadherines en actine die cellen stevig verbindt in epitheel.
Connexon
Structuur gevormd door zes connexines die samen een half gap-junctiekanaal vormen.
Connexines
Eiwitten die connexons vormen in gap junctions.
Gap junctie kanaal
Volledig kanaal dat ontstaat door twee connexons, verbindt aangrenzende cellen.
Hemikanaal
Half kanaal gevormd door een connexon, opent naar extracellulaire ruimte.
Stamcellen
Ongedifferentieerde cellen die zich kunnen delen en specialiseren.
Precursorcellen
Voorlopercellen die al een specifieke ontwikkelingsrichting volgen.
Hemopoietische stamcel
Stamcel in beenmerg die bloedcellen vormt.
Beenmergtransplantatie
Overdracht van gezond beenmerg naar een patiënt, vaak bij bloedkanker.
Stamceltransplantatie
Transplantatie van stamcellen om beschadigde of zieke cellen te vervangen.
Wnt pathway
Signaalroute die celgroei, differentiatie en stamcelonderhoud reguleert.
Pluripotent
Eigenschap van een cel om alle celtypen van het lichaam te kunnen vormen.
ESC, embryonale stamcel
Pluripotente stamcel afkomstig uit een vroege embryo.
iPSC, geïnduceerde pluripotente stamcel
Lichaamscel hergeprogrammeerd tot pluripotente stamcel.
Adulte stamcel
Stamcel in volwassen weefsels, beperkt in differentiatiemogelijkheden.
Oct3/4
Transcriptiefactor cruciaal voor pluripotentie en zelfvernieuwing van stamcellen.
Sox2
Transcriptiefactor die samenwerkt met Oct3/4 in stamcelregulatie.
Therapeutisch klonen
Kweek van embryo’s om stamcellen te verkrijgen voor therapie.
Reproductief klonen
Kloon van een volledig organisme via embryo-ontwikkeling.
Kerntransplantatie
Overdracht van de kern van een volwassen cel naar een eicel zonder kern.
Somatische cel nucleaire transfer (SCNT)
Techniek waarbij een lichaamscelkern in een eicel wordt geplaatst voor klonen.
Blastocyst
Vroege embryonale structuur (5-6 dagen), bevat stamcellen.
Metastase
Verspreiding van kankercellen naar andere delen van het lichaam.
Tumor
Abnormale celmassa ontstaan door ongecontroleerde celdeling.
Kanker
Ziekte veroorzaakt door kwaadaardige, ongecontroleerd delende cellen.
Mutageen
Stof of invloed die DNA-mutaties veroorzaakt.
Karyotype
Chromosomenprofiel van een cel, zichtbaar onder de microscoop.
Epidemiologie
Studie van verspreiding en oorzaken van ziekten in populaties.
Papillomavirus
Virus dat wratten en sommige vormen van kanker, zoals baarmoederhalskanker, kan veroorzaken.
c-myc
Proto-oncogen dat celgroei stimuleert; bij mutatie kan het kanker veroorzaken.
Adenomateuze polyposis coli (APC)
Tumor suppressor gen; mutaties kunnen leiden tot darmkanker.
Tumor suppressor gen
Gen dat celdeling remt en mutaties voorkomt; verlies ervan kan leiden tot kanker.
(Proto-)oncogen
Normaal gen dat bij mutatie of overexpressie kanker kan veroorzaken.
Burkitt’s Lymfoom
Vorm van lymfeklierkanker, vaak veroorzaakt door chromosoomtranslocatie.
Chromosoom translocatie
Verplaatsing van een chromosoomstuk naar een ander chromosoom, kan kanker veroorzaken.
Telomerase
Enzym dat telomeren verlengt en cellen in staat stelt onbeperkt te delen, vaak actief in kankercellen.