MCB: HFST 20: vaktermen
1. Extracellulaire matrix (ECM): Netwerk van eiwitten en koolhydraten buiten de cel dat structuur en ondersteuning biedt aan weefsels.
2. Epitheel: Laag cellen die lichaamsoppervlakken en -holtes bekleedt en beschermt.
3. Collageen: Belangrijk structureel eiwit in de ECM, zorgt voor sterkte en flexibiliteit van weefsels.
4. Scheurbuik: Ziekte veroorzaakt door vitamine C-tekort, leidt tot gebrekkige collageenvorming.
5. Hydroxyproline: Aminozuur, essentieel voor de stabiliteit van collageen, vereist vitamine C voor aanmaak.
6. Procollageen: Voorloper van collageen dat in de cel wordt gemaakt en buiten de cel wordt verwerkt tot collageenvezels.
7. Procollageen peptidase: Enzym dat de uiteinden van procollageen afknipt om collageenvezels te vormen.
8. Histologie: Studie van weefsels onder de microscoop.
9. Fibroblast: Cel in bindweefsel die collageen en andere ECM-componenten aanmaakt.
10. Systeem van Havers: Netwerk van kanalen in compact bot dat bloedvaten en zenuwen bevat.
11. Osteoblasten: Botvormende cellen die nieuw botweefsel aanmaken.
12. Osteocyten: Volgroeide osteoblasten die ingesloten zijn in botmatrix; onderhouden het bot.
13. Osteoclasten: Cellen die botweefsel afbreken bij botvernieuwing.
14. Fibronectine: Glycoproteïne in ECM dat cellen helpt hechten en bewegen.
15. Integrine: Celmembraaneiwit dat cel verbindt met ECM en signalen doorgeeft.
16. Proteoglycanen: Eiwit met lange GAG-ketens, geven weefsel veerkracht en vochtretentie.
17. Glycosaminoglycanen (GAG): Lange, onvertakte suikerketens die deel uitmaken van proteoglycanen.
18. Hyaluronzuur: Niet-gesulfateerde GAG die zorgt voor smeer- en schokdemping in weefsels.
19. Aggrecan: Groot proteoglycaan in kraakbeen, bindt met hyaluronzuur voor veerkracht.
20. Kerataansulfaat: GAG in kraakbeen, hoornvlies en tussenwervelschijven.
21. Chondroitinesulfaat: GAG die stevigheid geeft aan kraakbeen en ander bindweefsel.
22. Bekercel: Slijmproducerende cel in epitheelweefsel van luchtwegen en darmen.
23. Absorptiecel: Epitheelcel die voedingsstoffen opneemt, bijvoorbeeld in de darmwand.
24. Basale lamina: Dunne laag ECM onder epitheelcellen, biedt steun en filterfunctie.
25. Laminine: Eiwit in de basale lamina dat cellen helpt hechten.
26. Dichte junctie (tight junction): Verbindt epitheelcellen strak, voorkomt lekken van stoffen tussen cellen.
27. Adherens junctie: Verbindt cellen mechanisch via actinefilamenten en cadherines.
28. Desmosoom: Verbindt cellen via intermediaire filamenten, biedt mechanische sterkte.
29. Hemidesmosoom: Verbindt epitheelcel met de basale lamina via intermediaire filamenten.
30. Gap junctie: Kanaaltjes tussen cellen die kleine moleculen en ionen doorlaten.
31. Claudines: Belangrijke eiwitten in dichte juncties, reguleren doorlaatbaarheid.
32. Occludines: Eiwitten in dichte juncties, dragen bij aan de barrièrefunctie.
33. Homofiele binding: Binding tussen dezelfde typen celadhesiemoleculen op aangrenzende cellen.
34. Cadherine: Calciumafhankelijke adhesiemoleculen, essentieel in cel-celverbindingen.
35. Adhesieriem (adhesion belt): Ring van cadherines en actine die cellen stevig verbindt in epitheel.
36. Connexon: Structuur gevormd door zes connexines die samen een half gap-junctiekanaal vormen.
37. Connexines: Eiwitten die connexons vormen in gap junctions.
38. Gap junctie kanaal: Volledig kanaal dat ontstaat door twee connexons, verbindt aangrenzende cellen.
39. Hemikanaal: Half kanaal gevormd door een connexon, opent naar extracellulaire ruimte.
40. Stamcellen: Ongedifferentieerde cellen die zich kunnen delen en specialiseren.
41. Precursorcellen: Voorlopercellen die al een specifieke ontwikkelingsrichting volgen.
42. Hemopoietische stamcel: Stamcel in beenmerg die bloedcellen vormt.
43. Beenmergtransplantatie: Overdracht van gezond beenmerg naar een patiënt, vaak bij bloedkanker.
44. Stamceltransplantatie: Transplantatie van stamcellen om beschadigde of zieke cellen te vervangen.
45. Wnt pathway: Signaalroute die celgroei, differentiatie en stamcelonderhoud reguleert.
46. Pluripotent: Eigenschap van een cel om alle celtypen van het lichaam te kunnen vormen.
47. ESC, embryonale stamcel: Pluripotente stamcel afkomstig uit een vroege embryo.
48. iPSC, geïnduceerde pluripotente stamcel: Lichaamscel hergeprogrammeerd tot pluripotente stamcel.
49. Adulte stamcel: Stamcel in volwassen weefsels, beperkt in differentiatiemogelijkheden.
50. Oct3/4: Transcriptiefactor cruciaal voor pluripotentie en zelfvernieuwing van stamcellen.
51. Sox2: Transcriptiefactor die samenwerkt met Oct3/4 in stamcelregulatie.
52. Therapeutisch klonen: Kweek van embryo’s om stamcellen te verkrijgen voor therapie.
53. Reproductief klonen: Kloon van een volledig organisme via embryo-ontwikkeling.
54. Kerntransplantatie: Overdracht van de kern van een volwassen cel naar een eicel zonder kern.
55. Somatische cel nucleaire transfer (SCNT): Techniek waarbij een lichaamscelkern in een eicel wordt geplaatst voor klonen.
56. Blastocyst: Vroege embryonale structuur (5-6 dagen), bevat stamcellen.
57. Metastase: Verspreiding van kankercellen naar andere delen van het lichaam.
58. Tumor: Abnormale celmassa ontstaan door ongecontroleerde celdeling.
59. Kanker: Ziekte veroorzaakt door kwaadaardige, ongecontroleerd delende cellen.
60. Mutageen: Stof of invloed die DNA-mutaties veroorzaakt.
61. Karyotype: Chromosomenprofiel van een cel, zichtbaar onder de microscoop.
62. Epidemiologie: Studie van verspreiding en oorzaken van ziekten in populaties.
63. Papillomavirus: Virus dat wratten en sommige vormen van kanker, zoals baarmoederhalskanker, kan veroorzaken.
64. c-myc: Proto-oncogen dat celgroei stimuleert; bij mutatie kan het kanker veroorzaken.
65. Adenomateuze polyposis coli (APC): Tumor suppressor gen; mutaties kunnen leiden tot darmkanker.
66. Tumor suppressor gen: Gen dat celdeling remt en mutaties voorkomt; verlies ervan kan leiden tot kanker.
67. (Proto-)oncogen: Normaal gen dat bij mutatie of overexpressie kanker kan veroorzaken.
68. Burkitt’s Lymfoom: Vorm van lymfeklierkanker, vaak veroorzaakt door chromosoomtranslocatie.
69. Chromosoom translocatie: Verplaatsing van een chromosoomstuk naar een ander chromosoom, kan kanker veroorzaken.
70. Telomerase: Enzym dat telomeren verlengt en cellen in staat stelt onbeperkt te delen, vaak actief in kankercellen.