Frans: 2.5 Beweging en activiteiten

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/98

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Last updated 3:26 PM on 3/4/23
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

99 Terms

1
New cards
handelen
agir
2
New cards
actief
actif, active
3
New cards
niet werkzaam, niet actief
inactif, inactive
4
New cards
een handeling, een daad
une action, un acte
5
New cards
een daadkrachtige vrouw
une femme d’action
6
New cards
een activiteit
une activité
7
New cards
een beweging
un mouvement
8
New cards
bewegen
bouger, remuer
9
New cards
stoppen, blijven staan
s’arrêter
10
New cards
blijven
rester
11
New cards
zich verplaatsen
se déplacer
12
New cards
lopen
marcher
13
New cards
het lopen, de wandeling
la marche
14
New cards
de pas, de stap
le pas
15
New cards
iets stap voor stap doen
faire qc pas à pas
16
New cards
gaan
aller
17
New cards
komen
venir
18
New cards
terugkomen, weer komen
revenir
19
New cards
omdraaien
revenir sur ses pas
20
New cards
iemand/iets volgen
suivre qn/qc
21
New cards
zich begeven naar, gaan naar
se diriger vers, se rendre à
22
New cards
dichterbij iemand/iets komen
s’approcher de qn/qc, se rapprocher de qn/qc
23
New cards
toesnellen, toeschieten
accourir
24
New cards
zich verwijderen van
s’éloigner de
25
New cards
naar beneden gaan, zich (naar beneden) storten
se précipiter
26
New cards
zich storten op, toeschieten
s’élancer
27
New cards
iemand te hulp schieten
s’élancer au secours de qn
28
New cards
voortgaan, vooruitgaan
avancer
29
New cards
achteruit gaan/lopen, teruggaan
reculer
30
New cards
teruggaan, terugkeren
retourner
31
New cards
zich omdraaien
se retourner
32
New cards
de terugkeer, de terugkomst, de terugreis
le retour
33
New cards
uitgaan, naar buiten gaan
sortir
34
New cards
een uitgang
une sortie
35
New cards
nooduitgang
sortie de secours
36
New cards
naar binnengaan, ingaan
entrer
37
New cards
een ingang
une entrée
38
New cards
terugkomen, terugkeren
rentrer
39
New cards
hardlopen, rennen
courir
40
New cards
het lopen, het rennen, de loop
une course
41
New cards
zich haasten om iets te doen
se dépêcher de faire qc
42
New cards
snel
rapide, vite
43
New cards
langzaam
lent, lente
44
New cards
vluchten
s’enfuir
45
New cards
de vlucht
la fuite
46
New cards
ontkomen, ontsnappen
s’échapper
47
New cards
zich redden, ontkomen
se sauver
48
New cards
glijden
glisser
49
New cards
(rond)hangen, treuzelen, slepen
traîner
50
New cards
springen
sauter
51
New cards
een sprong
un saut
52
New cards
een salto
un saut périlleux
53
New cards
vallen
tomber
54
New cards
een val
une chute
55
New cards
naar boven gaan, (op)stijgen, instappen
monter
56
New cards
een stijging, het stijgen
une montée
57
New cards
naar beneden gaan, (af)dalen, uitstappen
descendre
58
New cards
uit de auto stappen
descendre de voiture
59
New cards
een afdaling
une descente
60
New cards
vliegen
voler
61
New cards
de vlucht
le vol
62
New cards
zwemmen
nager
63
New cards
borstcrawlen
nager le crawl
64
New cards
het zwemmen
la natation
65
New cards
dansen
danser
66
New cards
rock-’n-rollen
danser le rock
67
New cards
de dans
la danse
68
New cards
oefenen
s’exercer
69
New cards
een oefening
un exercice
70
New cards
staand, rechtop
debout
71
New cards
gaan staan, opstaan
se mettre debout
72
New cards
staan
être debout
73
New cards
opstaan
se lever
74
New cards
(zich) bukken
se baisser
75
New cards
zittend, gezeten
assis, assise
76
New cards
zitten, blijven zitten
être/rester assis, assise
77
New cards
gaan zitten
s’asseoir
78
New cards
gaan liggen, gaan slapen
se coucher
79
New cards
liggend, gelegen
couché, couchée
80
New cards
uitrusten
se reposer
81
New cards
de rust
le repos
82
New cards
knielend, op de knieën
à genoux
83
New cards
geknield zijn, knielen
être/se mettre à genoux
84
New cards
leunen (op)
s’appuyer (sur)
85
New cards
zich uitstrekken (over), gaan liggen (op)
s’allonger (sur)
86
New cards
zich ontspannen
se détendre
87
New cards
de ontspanning
la détente
88
New cards
weer opstaan
se redresser
89
New cards
tonen, laten zien
montrer
90
New cards
presenteren, (aan)bieden
présenter
91
New cards
geven
donner
92
New cards
uitdelen, verdelen, distribueren
distribuer
93
New cards
teruggeven
rendre
94
New cards
reiken, (uit)strekken
tendre
95
New cards
(vast)houden
tenir
96
New cards
vangen, pakken, grijpen
attraper
97
New cards
nemen
prendre
98
New cards
stelen
voler
99
New cards
waar kwaad is, komt kwaad bij
qui vole un oeuf, vole un boeuf