1/149
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
To fry
Bakken
bakte / bakten / gebakken
To ban
Bannen
bande / banden / gebannen
To burst
Barsten
barstte / barstten / gebarsten
To rot, decay
Bederven
bedierf / bedierven / bedorven
To deceive, cheat, trick
Bedriegen
bBedroog / bedrogen / bedrogen
To begin
Beginnen
begon / begonnen / begonnen
To wallpaper
Behangen
behangde / behangden / behangen
To envy
Benijden
beneed / beneden / beneden
To store, recover
Bergen
borg / borgen / geborgen
To order, command
Bevelen
beval / bevalen / bevolen
To succumb, collapse
Bezwijken
bezweek / bezweken / bezweken
To pray
Bidden
bad / baden / gebeden
To bite
Bijten
beet / beten / gebeten
To bind, tie
Binden
bond / bonden / gebonden
To blow, spit (cat)
Blazen
blies / bliezen / geblazen
To appear, be evident
Blijken
bleek / bleken / gebleken
To stay, remain, keep
Blijven
bleef / bleven / gebleven
To shine, gleam
Blinken
blonk / blonken / geblonken
To roast, grill
Braden
braade / braaden / gebraden
To break
Breken
brak / braken / gebroken
To bring
Brengen
bracht / brachten / gebracht
To brew
Brouwen
brouwde / brouwden / gebrouwen
To bend
Buigen
boog / bogen / gebogen
To think
Denken
dacht / dachten / gedacht
To bid for, compete for
Dingen naar
dong / dongen / gedongen
To carry, bear
Dragen
droeg / droegen / gedragen
To drive, float, manage
Drijven
dreef / dreven / gedreven
To push (a crowd)
Dringen
drong / drongen / gedrongen
To drink
Drinken
dronk / dronken / gedronken
To drip
Druipen
droop / dropen / gedropen
To dive
Duiken
dook / doken / gedoken
To force
Dwingen
dwong / dwongen / gedwongen
To eat
Eten
at / aten / gegeten
To whistle, play the flute
Fluiten
floot / floten / gefloten
To be valid, be in effect
Gelden
gold / golden / gegolden
To heal, cure
Genezen
genas / genazen / genezen
To enjoy
Genieten
genoot / genoten / genoten
To give
Geven
gaf / gaven / gegeven
To pour
Gieten
goot / goten / gegoten
To glide
Glijden
gleed / gleden / gegleden
To glimmer, shine
Glimmen
glom / glommen / geglommen
To dig
Graven
groef / groeven / gegraven
To grab, snatch
Grijpen
greep / grepen / gegrepen
To hang
Hangen
hing / hingen / gehangen
To raise, lift
Heffen
hief / hieven / geheven
To help
Helpen
hielp / hielpen / geholpen
To be called, named
Heten
heette / heetten / geheten
To hoist (sails, flag), pull up
Hijsen
hees / hesen / gehesen
To be necessary to
Hoeven
hoefde / hoefden / gehoeven
To hold
Houden
hield / hielden / gehouden
To hunt
Jagen
joeg / joegen / gejaagd
To choose, elect
Kiezen
koos / kozen / gekozen
To look
Kijken
keek / keken / gekeken
To climb
Klimmen
klom / klommen / geklommen
To sound, ring
Klinken
klonk / klonken / geklonken
To pick (a bone), to nibble
Kluiven
kloof / kloven / gekloven
To pinch, squeeze
Knijpen
kneep / knepen / geknepen
To buy
Kopen
kocht / kochten / gekocht
To get
Krijgen
kreeg / kregen / gekregen
To shrink
Krimpen
kromp / krompen / gekrompen
To crawl, creep
Kruipen
kroop / kropen / gekropen
to laugh
Lachen
lachte / lachten / gelachen
To load, charge
Laden
laadde / laadden / geladen
To let, allow
Laten
liet / lieten / gelaten
To read
Lezen
las / lazen / gelezen
To tell a lie
Liegen
loog / logen / gelogen
To lie (on a bed)
Liggen
lag / lagen / gelegen
To suffer
Lijden
leed / leden / geleden
To resemble, seem
Lijken
leek / leken / geleken
To walk
Lopen
liep / liepen / gelopen
To grind
Malen
maalde / maalden / gemalen
To milk (a cow)
Melken
molk / molken / gemolken
To measure
Meten
mat / maten / gemeten
To avoid
Mijden
meed / meden / gemeden
To must, have to
Moeten
moest / moesten / gemoeten
To take
Nemen
nam / namen / genomen
To praise
Prijzen
prees / prezen / geprezen
To guess or recommend
Raden (aan)
raadde / raadden / geraden
To drive, ride
Rijden
reed / reden / gereden
To thread, lace
Rijgen
reeg / regen / geregen
To tear, rip
Rijten
reet / reten / gereten
To rise
Rijzen
rees / rezen / gerezen
To call, shout
Roepen
riep / riepen / geroepen
To smell
Ruiken
rook / roken / geroken
To divorce
Scheiden
scheidde / scheidden/ gescheiden
To curse, swear
Schelden
schold / scholden / gescholden
To damage
Schelden
schold / scholden / gescholden
To create
Scheppen
schiep / schiepen / geschapen
To shave
Scheren
scheerde / scheerden / geschoren
To shoot
Schieten
schoot / schoten / geschoten
To shine, seem
Schijnen
scheen / schenen/ geschenen
To write
Schrijven
schreef / schreven / geschreven
To be startled
Schrikken
schrok / schrokken / geschrokken
To shelter
Schuilen
school / scholen / gescholen
To shove
Schuiven
schoof / schoven / geschoven
To sleep
Slapen
sliep / sliepen / geslapen
To sharpen, polish
Slijpen
sleep / slepen / geslepen
To wear out
Slijten
sleet / sleten / gesleten
To shrink, decrease in number
Slinken
slonk / slonken / geslonken
To sneak
Sluipen
sloop / slopen / geslopen