1/164
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
bakken
bakte, bakten, gebakken, to bake
bedenken
bedacht, bedachten, bedacht, to think of
bederven
bedierf, bedierven, bedorven, to spoil
bedriegen
bedroog bedrogen, bedrogen, to deceive
beginnen
begon, begonnen, is begonnen, to begin
begrijpen
begreep, begrepen, begrepen, to understand
besluiten
besloot, besloten, besloten, to decide
bestrijden
bestreed, bestreden, bestreden, to combat
betreffen
betrof, betroffen, betroffen, to concern
bevelen
beval, bevalen, bevolen, to order
bewegen
bewoog, bewogen, bewogen, to move
bewijzen
bewees, bewezen, bewezen, to prove
bidden
bad, baden, gebeden, to pray
bieden
bood, boden, geboden, to offer
bijten
beet, beten, gebeten, to bite
binden
bond, bonden, gebonden, to tie
blazen
blies, bliezen, geblazen, to blow
blijken
bleek, bleken, is gebleken, to appear
blijven
bleef, bleven, is gebleven, to stay, to remain
blinken
blonk, blonken, geblonken, to shine
braden
braadde, braadden, gebraden, to roast
breken
brak, braken, gebroken, to break
brengen
bracht, brachten, gebracht
buigen
boog, bogen, gebogen, to bend
denken
dacht, dachten, gedacht, to think
doen
deed, deden, gedaan, to do
dragen
droeg, droegen, gedragen, to carry, to wear
drijven
dreef, dreven, gedreven, to float
dringen
drong, drongen, gedrongen, to push, to press
drinken
dronk, dronken, gedronken, to drink
druipen
droop, dropen, gedropen, to drip
duiken
dook, doken, gedoken, to dive
dwingen
dwong, dwongen, gedwongen, to force
ervaren
ervoer, ervoeren, ervaran, to experience
eten
at, aten, gegeten, to eat
fluiten
floot, floten, gefloten, to whistle
gaan
gin, gingen, is gegaan, to go
gedragen
gedroeg, gedroegen, gedragen, to behave
gelden
gold, golden, gegolden, to hold, to be valid
genezen
genas, genazen, genezen, to cure, to heal
genieten
genoot, genoten, genoten, to enjoy
geven
gaf, gaven, gegeven, to give
gieten
goot, goten, gegoten, to pour
glijden
gleed, gleden, is gegleden, to slip, to slide
glimmen
glom, glommen, geglommen, to glow
graven
groef, groeven, gegraven, to dig
grijpen
greep, grepen, gegrepen, to grab
hangen
hing, hingen, gehangen, to hang
hebben
had, hadden, gehad, to have
helpen
hielp, hielpen, geholpen, to help
heten
heette, heetten, geheten, to be called
houden
hield, hielden, gehouden, to hold, to keep
jagen
jaagde, jaagden, (literal form of hunting)
joeg joegen (more like chasing, ex. job hunting)
gejaagd
kiezen
koos, kozen, gekozen, to choose
kijken
keek, keken, gekeken, to look
klimme
klom, klommen, geklommen, to climb
klinken
klonk, klonken, geklonken, to sound
knijpen
kneep, knepen, geknepen, to pinch
komen
kwam, kwamen, is gekomen, to come
kopen
kocht, kochten, gekocht, to buy
krijgen
kreeg, kregen, gekregen, to get, to receive
krimpen
kromp, krompen, is gekrompen, to shrink
kruipen
kroop, kropen, gekropen, to crawl
kunnen
kon, konden, gekund, to be able to, can
lachen
lachte, lachten, gelachen, to laugh
laten
liet, lieten, gelaten, to let
lezen
las, lazen, gelezen, to read
liegen
loog, logen, gelogen, to lie (Lying to someone)
liggen
lag, lagen, gelegen, to lie (lying down physically)
lijden
leed, leden, geleden, to suffer
lijken
leek, leken, geleken, to appear, to seem
lopen
liep, liepen, gelopen, to walk
moeten
moest, moesten, gemoeten, must, should
mogen
mocht, mochten, gemogen, may, to be allowed to
nemen
nam, namen, genomen, to take
ontbreken
ontbrak, ontbraken, ontbroken, to be lacking
onthouden
onthield, onthielden, onthouden, to remember
ontstaan
ontstond, onstonden, ontstaan, to arise
ontvangen
ontving, ontvingen, ontvangen, to receive
raden
raadde, raadden, geraden, to guess
rijden
reed, reden, gereden, to drive, to ride
rijgen
reeg, geregen, to thread (threading a string, wire, or thread through something)
roepen
riep, riepen, geroepen, to call
ruiken
rook, roken, geroken, to smell
scheiden
scheidde, scheidden, is gescheiden, to seperate, to divorce
schelden
schold, scholden, gescholden, to curse
schenken
schonk, schonken, geschonken, to give, to pour
scheppen
schiep, schiepen, geschapen, to create
scheren
schoor, schoren, geschoren, to shave
schieten
schoot, schoten, geschoten, to shoot
schijnen
scheen, schenen, geschenen, to shine, to seem
schrijven
schreef, schreven, geschreven, to write
schrikken
schrok, schrokke, is geschrokken, to be shocked, to be scared
schuilen
school, scholen, gescholen, (New form)
schuilde, schuilden, geschuild (Old literary form)
To shelter, to hide
schuiven
schoof, schoven, geschoven, to push, to shove
slaan
sloeg, sloegen, geslagen, to hit
slapen
sliep, sliepen, geslapen, to sleep
slijten
sleet, sleten, gesleten, to wear (out)
sluipen
sloop, slopen, geslopen, to steal, to sneak
sluiten
sloot, sloten, gesloten, to close