Dutch Irregular Verbs

0.0(0)
Studied by 2 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/164

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Last updated 10:30 AM on 10/25/24
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

165 Terms

1
New cards

bakken

bakte, bakten, gebakken, to bake

2
New cards

bedenken

bedacht, bedachten, bedacht, to think of

3
New cards

bederven

bedierf, bedierven, bedorven, to spoil

4
New cards

bedriegen

bedroog bedrogen, bedrogen, to deceive

5
New cards

beginnen

begon, begonnen, is begonnen, to begin

6
New cards

begrijpen

begreep, begrepen, begrepen, to understand

7
New cards

besluiten

besloot, besloten, besloten, to decide

8
New cards

bestrijden

bestreed, bestreden, bestreden, to combat

9
New cards

betreffen

betrof, betroffen, betroffen, to concern

10
New cards

bevelen

beval, bevalen, bevolen, to order

11
New cards

bewegen

bewoog, bewogen, bewogen, to move

12
New cards

bewijzen

bewees, bewezen, bewezen, to prove

13
New cards

bidden

bad, baden, gebeden, to pray

14
New cards

bieden

bood, boden, geboden, to offer

15
New cards

bijten

beet, beten, gebeten, to bite

16
New cards

binden

bond, bonden, gebonden, to tie

17
New cards

blazen

blies, bliezen, geblazen, to blow

18
New cards

blijken

bleek, bleken, is gebleken, to appear

19
New cards

blijven

bleef, bleven, is gebleven, to stay, to remain

20
New cards

blinken

blonk, blonken, geblonken, to shine

21
New cards

braden

braadde, braadden, gebraden, to roast

22
New cards

breken

brak, braken, gebroken, to break

23
New cards

brengen

bracht, brachten, gebracht

24
New cards

buigen

boog, bogen, gebogen, to bend

25
New cards

denken

dacht, dachten, gedacht, to think

26
New cards

doen

deed, deden, gedaan, to do

27
New cards

dragen

droeg, droegen, gedragen, to carry, to wear

28
New cards

drijven

dreef, dreven, gedreven, to float

29
New cards

dringen

drong, drongen, gedrongen, to push, to press

30
New cards

drinken

dronk, dronken, gedronken, to drink

31
New cards

druipen

droop, dropen, gedropen, to drip

32
New cards

duiken

dook, doken, gedoken, to dive

33
New cards

dwingen

dwong, dwongen, gedwongen, to force

34
New cards

ervaren

ervoer, ervoeren, ervaran, to experience

35
New cards

eten

at, aten, gegeten, to eat

36
New cards

fluiten

floot, floten, gefloten, to whistle

37
New cards

gaan

gin, gingen, is gegaan, to go

38
New cards

gedragen

gedroeg, gedroegen, gedragen, to behave

39
New cards

gelden

gold, golden, gegolden, to hold, to be valid

40
New cards

genezen

genas, genazen, genezen, to cure, to heal

41
New cards

genieten

genoot, genoten, genoten, to enjoy

42
New cards

geven

gaf, gaven, gegeven, to give

43
New cards

gieten

goot, goten, gegoten, to pour

44
New cards

glijden

gleed, gleden, is gegleden, to slip, to slide

45
New cards

glimmen

glom, glommen, geglommen, to glow

46
New cards

graven

groef, groeven, gegraven, to dig

47
New cards

grijpen

greep, grepen, gegrepen, to grab

48
New cards

hangen

hing, hingen, gehangen, to hang

49
New cards

hebben

had, hadden, gehad, to have

50
New cards

helpen

hielp, hielpen, geholpen, to help

51
New cards

heten

heette, heetten, geheten, to be called

52
New cards

houden

hield, hielden, gehouden, to hold, to keep

53
New cards

jagen

jaagde, jaagden, (literal form of hunting)
joeg joegen (more like chasing, ex. job hunting)
gejaagd

54
New cards

kiezen

koos, kozen, gekozen, to choose

55
New cards

kijken

keek, keken, gekeken, to look

56
New cards

klimme

klom, klommen, geklommen, to climb

57
New cards

klinken

klonk, klonken, geklonken, to sound

58
New cards

knijpen

kneep, knepen, geknepen, to pinch

59
New cards

komen

kwam, kwamen, is gekomen, to come

60
New cards

kopen

kocht, kochten, gekocht, to buy

61
New cards

krijgen

kreeg, kregen, gekregen, to get, to receive

62
New cards

krimpen

kromp, krompen, is gekrompen, to shrink

63
New cards

kruipen

kroop, kropen, gekropen, to crawl

64
New cards

kunnen

kon, konden, gekund, to be able to, can

65
New cards

lachen

lachte, lachten, gelachen, to laugh

66
New cards

laten

liet, lieten, gelaten, to let

67
New cards

lezen

las, lazen, gelezen, to read

68
New cards

liegen

loog, logen, gelogen, to lie (Lying to someone)

69
New cards

liggen

lag, lagen, gelegen, to lie (lying down physically)

70
New cards

lijden

leed, leden, geleden, to suffer

71
New cards

lijken

leek, leken, geleken, to appear, to seem

72
New cards

lopen

liep, liepen, gelopen, to walk

73
New cards

moeten

moest, moesten, gemoeten, must, should

74
New cards

mogen

mocht, mochten, gemogen, may, to be allowed to

75
New cards

nemen

nam, namen, genomen, to take

76
New cards

ontbreken

ontbrak, ontbraken, ontbroken, to be lacking

77
New cards

onthouden

onthield, onthielden, onthouden, to remember

78
New cards

ontstaan

ontstond, onstonden, ontstaan, to arise

79
New cards

ontvangen

ontving, ontvingen, ontvangen, to receive

80
New cards

raden

raadde, raadden, geraden, to guess

81
New cards

rijden

reed, reden, gereden, to drive, to ride

82
New cards

rijgen

reeg, geregen, to thread (threading a string, wire, or thread through something)

83
New cards

roepen

riep, riepen, geroepen, to call

84
New cards

ruiken

rook, roken, geroken, to smell

85
New cards

scheiden

scheidde, scheidden, is gescheiden, to seperate, to divorce

86
New cards

schelden

schold, scholden, gescholden, to curse

87
New cards

schenken

schonk, schonken, geschonken, to give, to pour

88
New cards

scheppen

schiep, schiepen, geschapen, to create

89
New cards

scheren

schoor, schoren, geschoren, to shave

90
New cards

schieten

schoot, schoten, geschoten, to shoot

91
New cards

schijnen

scheen, schenen, geschenen, to shine, to seem

92
New cards

schrijven

schreef, schreven, geschreven, to write

93
New cards

schrikken

schrok, schrokke, is geschrokken, to be shocked, to be scared

94
New cards

schuilen

school, scholen, gescholen, (New form)

schuilde, schuilden, geschuild (Old literary form)

To shelter, to hide

95
New cards

schuiven

schoof, schoven, geschoven, to push, to shove

96
New cards

slaan

sloeg, sloegen, geslagen, to hit

97
New cards

slapen

sliep, sliepen, geslapen, to sleep

98
New cards

slijten

sleet, sleten, gesleten, to wear (out)

99
New cards

sluipen

sloop, slopen, geslopen, to steal, to sneak

100
New cards

sluiten

sloot, sloten, gesloten, to close