1/23
Flashcards with vocabulary terms related to school in Dutch, including their definitions.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
school
een plaats waar onderwijs wordt gegeven.
leraar
iemand die lesgeeft aan leerlingen.
leerling
een student die onderwijs volgt.
papier
een dun, plat materiaal dat wordt gebruikt om op te schrijven.
pen
een schrijfinstrument met inkt.
klaslokaal
de kamer waar les wordt gegeven.
boek
een set van pagina's met tekst of afbeeldingen.
lijn
een lange, rechte markering.
schrijf
het proces van woorden op papier zetten.
los
een schoolvak waarin vaardigheden worden geleerd.
huiswerk
opdrachten die buiten schooluren zijn gegeven.
rekenmachine
een apparaat voor het maken van wiskundige berekeningen.
examen
een test om de kennis van de leerlingen te beoordelen.
diploma
een document dat aantoont dat iemand zijn/haar opleiding heeft afgerond.
universiteit
een instelling voor hoger onderwijs.
microscoop
een instrument om objecten te vergroten.
schaar
een gereedschap dat bestaat uit twee scherpe messen.
lijm
een substantie die twee oppervlakken aan elkaar plakt.
tekenen
het maken van een afbeelding met een pen of potlood.
optellen
het samentellen van getallen.
aftrekken
het verminderen van een getal van een ander.
vermenigvuldigen
het proces van herhaalde optelling.
woord
een enkele eenheid van taal die betekenis heeft.
tekst
een geschreven of gesproken boodschap.