1/28
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Sensory memory (Sensitief geheugen)
Het systeem dat binnenkomende zintuiglijke informatie (zoals beeld of geluid) heel kort vasthoudt (fracties van seconden).
Working memory (Werkgeheugen)
De plek waar je informatie bewust verwerkt en vasthoudt terwijl je een taak uitvoert; heeft een beperkte capaciteit.
Long-term memory (Langetermijngeheugen)
De passieve opslagplaats voor informatie die voor onbepaalde tijd bewaard blijft.
Attention (Aandacht)
Het proces dat bepaalt welke informatie vanuit het sensitief geheugen doorstroomt naar het werkgeheugen.
Encoding (Codering)
Het proces waarbij informatie vanuit het werkgeheugen wordt opgeslagen in het langetermijngeheugen.
Retrieval (Ophalen)
Het proces waarbij informatie vanuit het langetermijngeheugen wordt teruggehaald naar het werkgeheugen.
Preattentive processing (Preattentieve verwerking)
Het onbewust en razendsnel scannen van de omgeving op basiskenmerken (zoals kleur of beweging) vóórdat je je aandacht ergens op richt.
Echoic memory (Echoïsch geheugen)
Het kortstondige geheugen voor geluiden (auditief sensitief geheugen).
Iconic memory (Iconisch geheugen)
Het kortstondige geheugen voor beelden (visueel sensitief geheugen).
Priming (Priming)
Het onbewust activeren van informatie in het geheugen door een eerdere waarneming, wat invloed heeft op je latere reactie.
Stroop interference effect (Stroop-effect)
De vertraging in reactietijd wanneer je de kleur van een woord moet noemen, terwijl het woord zelf een andere kleur beschrijft.
Executive functions (Uitvoerende functies)
Cognitieve processen die nodig zijn voor doelgericht gedrag (zoals planning, impulsbeheersing en switchen).
Inhibition (Inhibitie)
Het vermogen om impulsen of irrelevante informatie te onderdrukken.
Phineas Gage
Een beroemde patiënt met schade aan de prefrontale cortex, wat bewees dat dit hersengebied cruciaal is voor persoonlijkheid en planning.
Prefrontal cortex (Prefrontale cortex)
Het voorste deel van de hersenen, verantwoordelijk voor de hoogste cognitieve functies en de centrale uitvoerder.
Explicit memory (Expliciet geheugen)
Herinneringen die je bewust kunt ophalen en onder woorden kunt brengen.
Implicit memory (Impliciet geheugen)
Onbewuste herinneringen die je gedrag beïnvloeden zonder dat je er actief aan denkt.
Episodic memory (Episodisch geheugen)
Expliciet geheugen voor persoonlijke gebeurtenissen (autobiografisch).
Semantic memory (Semantisch geheugen)
Expliciet geheugen voor feiten, concepten en algemene kennis over de wereld.
Procedural memory (Procedureel geheugen)
Impliciet geheugen voor vaardigheden en handelingen (zoals fietsen of veters strikken).
Anterograde amnesia (Anterograde amnesie)
Het onvermogen om nieuwe langetermijnherinneringen te vormen na hersenletsel.
Retrograde amnesia (Retrograde amnesie)
Het verlies van herinneringen die gevormd zijn vóór een hersenbeschadiging.
Consolidation (Consolidatie)
Het proces waarbij een onstabiele, nieuwe herinnering wordt omgezet in een stabiele vorm in het langetermijngeheugen.
Hippocampus (Hippocampus)
Een hersengebied dat essentieel is voor de vorming en consolidatie van nieuwe expliciete herinneringen.
Maintenance rehearsal (Onderhoudsherhaling)
Het simpelweg herhalen van informatie om het in het werkgeheugen te houden.
Elaborative rehearsal (Elaboratieve herhaling)
Het koppelen van nieuwe informatie aan bestaande kennis om het beter te onthouden.
Chunking (Chunking)
Het groeperen van losse brokjes informatie tot grotere, betekenisvolle eenheden.
Schema / Script (Schema / Script)
Mentale blauwdrukken van objecten (schema) of gebeurtenissen (script) die ons helpen informatie te organiseren, maar ook tot vervorming kunnen leiden.
Prospective memory (Prospectief geheugen)
Het geheugen om in de toekomst een bepaalde handeling uit te voeren ('niet vergeten om…').