1/17
Flashcards ter ondersteuning van de studie in taalontwikkeling en bijbehorende theorieën.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Nature-nurture
De interactie tussen genetische aanleg en omgeving in taalontwikkeling.
Feral-kinderen
Kinderen die zonder vroege sociale interactie opgroeien, zoals Genie en Dani.
Kritieke periode
Een mogelijke periode waarin taalverwerving essentieel is.
Leertheorie (Skinner)
De theorie dat taal wordt geleerd via imitatie, bekrachtiging en conditionering.
Nativistische theorie (Chomsky)
De theorie dat kinderen een aangeboren taalvermogen hebben (Language Acquisition Device).
Interactionele benadering
De theorie dat taal ontstaat door samenwerking tussen kind en sociale omgeving.
Child Directed Speech (CDS)
Babytaal gekenmerkt door hogere tonen, eenvoudige zinnen en veel herhaling.
Joint attention
Een situatie waarin ouder en kind samen op hetzelfde object kijken.
Auditieve verwerking
Het vermogen om geluiden en klanken te onderscheiden.
Holofrasen
Het gebruik van één woord om een hele zin uit te drukken.
Neologismen
Zelfbedachte woorden gebaseerd op grammaticale regels.
Overgeneralisatie
De fout waarbij een grammaticale regel te breed wordt toegepast.
Fonologie
Het klanksysteem van een taal.
Semantiek
De betekenis van woorden en zinnen in een taal.
Grammatica
De regels voor zinsbouw (syntaxis) en woordvorming (morfologie).
Pragmatiek
Taalgebruik in sociale context, zoals beurtwisseling en beleefdheid.
Metalinguïstiek
Het nadenken over taal zelf, inclusief lezen en schrijven.
Preoperationele fase (Piaget)
Fase waarin kinderen symbolisch denken ontwikkelen en moeite hebben met perspectiefwisseling.