Piet GGZ 3A

0.0(0)
Studied by 2 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/40

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 1:03 PM on 1/16/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

41 Terms

1
New cards

Wanneer kan hechting met een opvoeder ontstaan?

Als de opvoeder sensitief en responsief is.

Sensitief = signalen van het kind worden opgevangen en juist geïnterpreteerd.

Responsief = de volwassene reageert adequaat en snel op de ontvangen signalen van het kind en toont een gepast reactie.

2
New cards

Wat wordt bedoeld met sensitief en responsief zijn?

Sensitief = signalen van het kind worden opgevangen en juist geïnterpreteerd.

Responsief = de volwassene reageert adequaat en snel op de ontvangen signalen van het kind en toont een gepast reactie.

3
New cards

Wanneer de opvoeder sensitief en responsief reageert krijgt het kind het gevoel gezien en gehoord te worden. Het kind krijgt ook 3 essentiële boodschappen, welke?

  1. Jij mag bestaan voor mij (bestaansrecht).

  2. Jij mag van mij bestaan op jouw manier (persoonsrecht).

  3. Ik zal er altijd voor je zijn als je mij nodig hebt (onvoorwaardelijke acceptatie).

Door gezien en gehoord te worden kan het kind een ik-besef ontwikkelen.

4
New cards

Hechting helpt bij het ontwikkelen van allerlei zaken. Noem er 5 op:

-Het ontwikkelen van een positief zelfbeeld.

-Op passende wijze impulsen leren uiten.

-Beter kunnen omgaan met stressvolle situaties.

-Een optimale hersenontwikkeling.

-De ontwikkeling van het logisch denken.

-Zicht krijgen op de eigen gevoelens en die van anderen.

-De ontwikkeling van het geweten.

-Het opbouwen van relaties met zichzelf en anderen.

-Ontwikkelen van basisvertrouwen.

5
New cards

Juist of fout, “een kind kan meerdere hechtingrelaties aangaan waarbij de kwaliteit altijd hetzelfde is”. Verklaar:

Fout, een kind kan inderdaad meerdere hechtingrelaties aangaan maar deze kunnen onderling verschillen in kwaliteit. Hechtingrelaties zijn persoonsspecifiek.

6
New cards

Leg de cirkel van veiligheid uit en wat het kind per basis nodig heeft:

De veilige basis vertaald zich als “toe maar”. Het kind heeft hier de opvoeder nodig om:

-De exploratie van het kind te ondersteunen.

-Op het kind te letten.

-Het kind het helpen.

-Plezier met het kind te delen.

De veilige haven vertaald zich als “kom maar”. Het kind heeft de opvoeder hier nodig om:

-Het kind welkom te heten als het zich tot je wend.

-Het kind te beschermen.

-Het kind te troosten/

-Plezier aan/in het kind te beleven.

-De gevoelens van het kind in goede banen te leiden.

=> Een kind voelt zich veilig als er een balans is tussen de veilige basis en de veilige haven.

<p>De veilige basis vertaald zich als “toe maar”. Het kind heeft hier de opvoeder nodig om:</p><p>-De exploratie van het kind te ondersteunen.</p><p>-Op het kind te letten.</p><p>-Het kind het helpen.</p><p>-Plezier met het kind te delen.</p><p>De veilige haven vertaald zich als “kom maar”. Het kind heeft de opvoeder hier nodig om:</p><p>-Het kind welkom te heten als het zich tot je wend.</p><p>-Het kind te beschermen.</p><p>-Het kind te troosten/</p><p>-Plezier aan/in het kind te beleven.</p><p>-De gevoelens van het kind in goede banen te leiden.</p><p>=&gt; Een kind voelt zich veilig als er een balans is tussen de veilige basis en de veilige haven. </p>
7
New cards

Juist of fout, “een belangrijke valkuil in de hechting is dat het kind zich aanpast aan het gehechtheidspatroon dat de opvoeder zelf als kind heeft ontwikkeld”. Verklaar:

Juist, de eigen gehechtheid van de opvoeder heeft veel invloed op de uiteindelijke hechting van het kind.

<p>Juist, de eigen gehechtheid van de opvoeder heeft veel invloed op de uiteindelijke hechting van het kind.</p>
8
New cards

Wat is het intern werkmodel?

Alle vroegere hechtingervaringen worden gebundeld en opgenomen in de persoonlijkheid als interne werkmodellen. Er vormt zich een soort raamwerk van alle werkmodellen.

Alle verdere ervaringen in het leven worden vanuit dit raamwerk beoordeeld terwijl het raamwerk ook weer wordt aangepast door nieuwe ervaringen.

Het intern werkmodel bevat dus de verwachtingen over het gedrag van ouderen (bv: kind-opvoeder) en maakt hiermee gedrag van anderen voorspelbaar. Het kind leert ermee vertrouwen op anderen en zichzelf (of wantrouwen bij onveilige hechting).

Wanneer een kind vertrouwt op anderen en zichzelf ontstaat er een intern werkmodel van de “eigen-ik”. Het kind kan hierdoor een (positief) zelfbeeld, vertrouwen in zichzelf en het gevoel van ik mag er zijn ontwikkelen. Het kind krijgt ook het besef van een ik en de ander.

<p>Alle vroegere hechtingervaringen worden gebundeld en opgenomen in de persoonlijkheid als interne werkmodellen. Er vormt zich een soort raamwerk van alle werkmodellen.</p><p>Alle verdere ervaringen in het leven worden vanuit dit raamwerk beoordeeld terwijl het raamwerk ook weer wordt aangepast door nieuwe ervaringen.</p><p>Het intern werkmodel bevat dus de verwachtingen over het gedrag van ouderen (bv: kind-opvoeder) en maakt hiermee gedrag van anderen voorspelbaar. Het kind leert ermee vertrouwen op anderen en zichzelf (of wantrouwen bij onveilige hechting).</p><p>Wanneer een kind vertrouwt op anderen en zichzelf ontstaat er een intern werkmodel van de “eigen-ik”. Het kind kan hierdoor een (positief) zelfbeeld, vertrouwen in zichzelf en het gevoel van ik mag er zijn ontwikkelen. Het kind krijgt ook het besef van een ik en de ander.</p>
9
New cards

Juist of fout, “wanneer het interne werkmodel wordt gevormd als kind kan dit niet meer worden aangepast”. Verklaar:

Fout, een intern werkmodel kan door (intensieve) therapie worden aangepast. De interne werkmodellen worden ook het hele leven beïnvloed door nieuwe ervaringen.

10
New cards

Wat is mentaliseren en wanneer kan een kind dit bereiken?

Mentaliseren is je eigen gedrag en het gedrag van anderen be­grijpen vanuit onderliggende gevoelens, gedachten, bedoelingen en verlangens (mentale toestanden).

=> Het kind merkt op dat het eigen perspectief niet persee hetzelfde is als dat van een ander. Het kind leert hierbij dat het gedrag van zichzelf en anderen gestuurd wordt vanuit emoties, motieven, intenties, verwachtingen en verlangens. Het kind kan dit ook in woorden uitleggen. Mede hierdoor wordt het gedrag van anderen voorspelbaar.

Om te kunnen mentaliseren moet het kind het vermogen hebben om fantasie van werkelijkheid te onderscheiden (en ook om deze met elkaar te verbinden).

11
New cards

Wat zijn de bouwstenen voor het opbouwen van een intern werkmodel bij veilige hechting?

  1. Het kind heeft basisveiligheid nodig → De opvoeder moet hiervoor verantwoordelijkheid kunnen reageren door:

-Signalen van het kind op te merken.

-Signalen van het kind juist te interpreteren.

-Adequaat te reageren op signalen van het kind.

  1. Het kind moet kunnen toevertrouwen op de ander → De opvoeder moet daarvoor aan bemoedering doen. Hij moet dus een deel van zichzelf geven aan het kind (overgave/engagement voor de zorg). Het kind ervaart betrokkenheid en voelt dat het mag bestaan, dat het onvoorwaardelijk de interesse en de steun van de opvoeder kan krijgen.

  2. Het kind moet zelfvertrouwen opbouwen → De opvoeder moet hierbij steunen. Dit door kwaliteitsvolle steun te bieden (veilige haven) en het kind te stimuleren (veilige basis). Er moet een evenwicht worden gezocht tussen loslaten en vasthouden.

  3. Het kind heeft onafhankelijkheid nodig → De opvoeder moet hiervoor duidelijk zijn/duidelijk reageren. Dit kan als:

-De opvoeder zich zelf voldoende begrepen voelt.

-De opvoeder voldoende zelfrespect heeft.

-De opvoeder spreekt met voldoende heldere ik-boodschappen.

-De opvoeder het kind niet afwijst.

Er moet dus eigenlijk gezorgd worden voor een evenwicht waarbij de opvoeder rekening houdt met het kind en het kind rekening houdt met de opvoeder (grenzen stellen en bewaken).

  1. Het kind moet creativiteit ontwikkelen → De opvoeder moet hiervoor voldoende vertrouwen hebben in zowel zichzelf als het kind om het kind ook écht los te kunnen laten.

12
New cards

Waarom is het hechtingsproces bij kinderen met een verstandelijke beperking en/of ASS soms moeilijker?

Omdat het kind onduidelijke signalen stuurt naar de opvoeder waardoor de opvoeder deze signalen niet altijd juist interpreteert en dus ook niet adequaat kan reageren.

Bv: Het kind huilt uit frustratie, de opvoeder ontvangt het signaal dat het kind huilt maar interpreteert dit als “het kind heeft verdriet” en wilt als reactie het kind troosten. De signalen van het kind worden dus fout geïnterpreteerd waardoor een reactie van de opvoeder komt die het kind niet helpt en het kind enkel meer gefrustreerd raakt.

Kinderen met een verstandelijke beperking hebben soms ook een beperkte informatieverwerkingscapaciteit waardoor er meer levenservaring nodig is dan bij andere kinderen om bepaalde zaken te bekomen, er is dus ook herhaling nodig om basisveiligheid op te bouwen.

13
New cards

Wanneer is een opvoeder emotioneel beschikbaar?

Een emotioneel beschikbare opvoeder zal zijn reacties “goed genoeg” afstemmen op de eigenheid (persoonlijkheid) van het kind.

Het is dus, zoals eerder vermeld, belangrijk dat opvoeders aanvoelen wat het kind nodig heeft, dat ze de signalen en het gedrag van het kind begrijpen en dat ze hier gepast (responsief) op reageren.

14
New cards

Welke signalen geeft het kind wanneer het onveilig gehecht is?

Het kind geeft onduidelijke of bedekte signalen omdat het niet ervaren heeft dat er in eerdere situaties adequaat werd gereageerd op zijn signalen. Het intern werkmodel met betrekking op relaties met volwassenen geeft aan dat volwassenen niet/onvoldoende betrouwbaar zijn en dat je bij hun geen/onvoldoende veiligheid kan halen.

Angst om opnieuw gekwetst/afgewezen te worden en onzekerheid komen hieruit voort.

15
New cards

Welke soorten onveilige hechting zijn er en wat is er per hechting niet aanwezig (veilige haven of veilige basis)?

  1. Onveilig vermijdende hechting (geen veilige haven).

  2. Onveilig afwerende hechting (geen veilige basis).

  3. Gedesorganiseerde hechting (geen veilige basis noch veilige haven).

16
New cards

Leg uit wat een onveilig vermijdende hechting inhoudt:

Het kind heeft geen vertrouwen in de beschikbaarheid van de verzorger en probeert daarom zoveel mogelijk contact te vermijden, hoewel het kind eigenlijk wel verlangt naar steun en aandacht. Hierdoor kunnen heftige gevoelens van frustratie gemengd met angst ontstaan.

Het kind denkt: “Ik heb je nodig om me welkom te heten als ik me tot je wend MAAR daar voel ik mij niet goed bij dus leidt ik je om de tuin over wat ik nodig heb door te doen alsof ik nood heb aan exploratie en afstand.

<p>Het kind heeft geen vertrouwen in de beschikbaarheid van de verzorger en probeert daarom zoveel mogelijk contact te vermijden, hoewel het kind eigenlijk wel verlangt naar steun en aandacht. Hierdoor kunnen heftige gevoelens van frustratie gemengd met angst ontstaan.</p><p>Het kind denkt: “Ik heb je nodig om me welkom te heten als ik me tot je wend MAAR daar voel ik mij niet goed bij dus leidt ik je om de tuin over wat ik nodig heb door te doen alsof ik nood heb aan exploratie en afstand.</p>
17
New cards

Wat is hechting?

Een emotionele band die blijft duren tussen mensen, waarbij het individu er alles aan doet om zo dicht mogelijk bij de hechtingsfiguur te zijn en zodanig handelt dat de relatie blijft voortbestaan.

Het ondersteunt in momenten van angst, stress, etc:

•ik kan als kind de omstandigheden zelf niet inschatten en mezelf niet in veiligheid brengen

•ik reken als kind op de hechtingsfiguur om mijn veiligheid te garanderen

Vanuit gedrag van de opvoeder ontwikkelt de baby een verwachtingspatroon hoe mensen zullen reageren als hij in nood is.

18
New cards

Leg uit wat een onveilig afwerende hechting inhoudt:

De onveilig afwerende hechting komt vooral voor bij kinderen met overbeschermende opvoeders. Het is typerend dat er een neiging is tot nabijheid zoeken en behouden. Als het kind de opvoeder wilt gebruiken als veilige basis voor exploratie gaat het mis en ontstaat onzekerheid en separatie angst. De opvoeder is te bang om het kind los te laten en het kind moet deze angst opvangen.

Het kind denkt: “Ik heb je nodig om mijn exploratie te steunen MAAR daar voel ik mij niet goed bij dus leidt ik je om de tuin door te doen alsof ik behoefte heb aan troost/bescherming.

<p>De onveilig afwerende hechting komt vooral voor bij kinderen met overbeschermende opvoeders. Het is typerend dat er een neiging is tot nabijheid zoeken en behouden. Als het kind de opvoeder wilt gebruiken als veilige basis voor exploratie gaat het mis en ontstaat onzekerheid en separatie angst. De opvoeder is te bang om het kind los te laten en het kind moet deze angst opvangen.</p><p>Het kind denkt: “Ik heb je nodig om mijn exploratie te steunen MAAR daar voel ik mij niet goed bij dus leidt ik je om de tuin door te doen alsof ik behoefte heb aan troost/bescherming.</p>
19
New cards

Leg uit wat een gedesorganiseerde hechting inhoudt:

De opvoeder is hier naast een veilige basis en veilige haven ook een bron van angst (tegelijkertijd). De opvoeder vertoont onvoorspelbaar en/of tegenstrijdig gedrag waardoor het kind het gevoel heeft nergens terecht te kunnen en het kind niet meer weet wat te doen.

Het kind denkt: “Ik heb je nodig maar je bent zo angstig of beangstigend dat ik bij niemand terecht kan en ik niet weet wat ik moet doen”.

<p>De opvoeder is hier naast een veilige basis en veilige haven ook een bron van angst (tegelijkertijd). De opvoeder vertoont onvoorspelbaar en/of tegenstrijdig gedrag waardoor het kind het gevoel heeft nergens terecht te kunnen en het kind niet meer weet wat te doen.</p><p>Het kind denkt: “Ik heb je nodig maar je bent zo angstig of beangstigend dat ik bij niemand terecht kan en ik niet weet wat ik moet doen”.</p>
20
New cards

Uit welk gedrag kan je opmaken dat een kind een gedesorganiseerde hechting heeft?

Bij jonge kinderen is deze angst zichtbaar in bizar of tegenstrijdig gedrag naar de opvoeder, zeker in stressvolle situaties. De kinderen gedragen zich ambivalent en zijn vaak erg angstig en chaotisch.

Bij oudere kinderen vindt soms rolomkering plaats in de vorm van overdreven zorgzaamheid naar de opvoeder of bestraffend gedrag richting de opvoeder.

Bij dit type onveilige hechting hebben kinderen het meeste kans om later gedrag-en/of psychische stoornissen te ontwikkelen.

21
New cards

Hoe ziet het intern werkmodel eruit bij onveilige hechting?

Er is amper een gezond intern werkmodel rond de eigen ik waardoor er weinig zelfvertrouwen en greep op zichzelf is bij het kind. Het interne werkmodel van het kind zegt “ik besta niet los van de andere, ik kan mezelf niet redden, op volwassenen kan je niet terugvallen”. Deze opvattingen over zichzelf en anderen leiden tot gevoelens van onveiligheid en angst. Er is geen inzicht of grip op de eigen gevoelens waardoor deze niet altijd geplaatst kunnen worden.

Deze kinderen hebben vaak moeite met logisch ordenen en leggen verkeerde verbanden. Ze kunnen niet op zichzelf terugvallen, hebben vaak een negatief zelfbeeld en beleven weinig plezier aan zichzelf.

<p>Er is amper een gezond intern werkmodel rond de eigen ik waardoor er weinig zelfvertrouwen en greep op zichzelf is bij het kind. Het interne werkmodel van het kind zegt “ik besta niet los van de andere, ik kan mezelf niet redden, op volwassenen kan je niet terugvallen”. Deze opvattingen over zichzelf en anderen leiden tot gevoelens van onveiligheid en angst. Er is geen inzicht of grip op de eigen gevoelens waardoor deze niet altijd geplaatst kunnen worden.</p><p>Deze kinderen hebben vaak moeite met logisch ordenen en leggen verkeerde verbanden. Ze kunnen niet op zichzelf terugvallen, hebben vaak een negatief zelfbeeld en beleven weinig plezier aan zichzelf.</p>
22
New cards

Er zijn twee types kinderen in de omgang naar volwassenen bij onveilige hechting. Benoem en verklaar:

  1. Kinderen die aanklampgedrag vertonen → Deze kinderen hebben een oneindig, onverzadigbaar verlangen. Ze missen geborgenheid wat zich uit in aandachtvragen en anderen opzoeken in de vorm van aanklampgedrag. Ze geven de opvoeder hierbij voortdurend het gevoel dat je hen tekort doet en dat je je niet voldoende om hen bekommert.

  2. Kinderen die teleurgesteld zijn in volwassenen →Deze kinderen wachten af en nemen geen initiatief naar volwassenen toe. Ze geven de volwassene het gevoel dat deze niet nodig is tenzij primaire behoeften vervuld moeten worden (eten, drinken, etc). Ze geven de volwassene het gevoel dat ze zich teveel moeien met het leven van het kind en dat ze niet te vertrouwen zijn.

=> Algemeen is het gevoelsleven van deze kinderen erg pover en zwart-wit gekleurd. Het leven mist diepgang en differentiatie.

23
New cards
<p>Vul de interne werkmodellen die het kind vormt per opvoedingsstijl aan (tekst onder blauwe kader):</p>

Vul de interne werkmodellen die het kind vormt per opvoedingsstijl aan (tekst onder blauwe kader):

-Consistent responsief → intern werkmodel van het kind = “in principe kan je op mensen rekenen als je in nood bent”.

-Consistent onresponsief → intern werkmodel van het kind = “je kunt niet op mensen rekenen als je in nood bent. Je schakelt best zoveel mogelijk mensen in maar je vormt geen diep contact want dat is niet effectief, straks verlaten ze jou en dan heb je niets meer”.

-Responsief naar eigen wens → intern werkmodel van het kind = “je kunt niet op mensen rekenen in nood, als je dat doet hebben ze nog iets nodig van jou ook/moet jij hen net troosten en/of steunen”.

-Wisselvallig responsief → intern werkmodel van het kind = “je kunt geen peil trekken op mensen als je in nood bent, soms helpen ze je en de volgende keer laten ze je weer in de steek of hebben ze iets van jou nodig/moet jij hen net troosten en/of steunen”.

24
New cards

Wat zijn de bouwstenen van het interne werkmodel bij onveilige hechting en wat kan de opvoeder telkens doen om het kind te helpen?

  1. Het kind kent angst inplaats van basisveiligheid → De opvoeder helpt het kind door het extra aandacht, zorg en creativiteit te bieden om basisvertrouwen op te bouwen.

  2. Het kind wantrouwt anderen inplaats van vertrouwt → De opvoeder helpt het kind door te zorgen voor de juiste afstemming op de aard en signalen van het kind. De manier van troosten, zorg, aandacht, spiegeling, betrouwbaarheid en voorspelbaarheid worden aangepast aan het kind eveneens als de wijze waarop het kind ontvangen en bevestigd wordt.

  3. Het kind is onzeker → De opvoeder helpt door kwaliteitsvolle steun te bieden en het kind te stimuleren, er wordt een evenwicht gevonden tussen loslaten (het kind het zelf laten doen) en vasthouden (overnemen).

  4. Het kind is eenzaam en verloren inplaats van onafhankelijk → Als opvoeder moet je zorgen voor een evenwicht waarbij de opvoeder rekening houdt met het kind en het kind met de opvoeder.

  5. Het kind voelt zich machteloos inplaats van creatief → De opvoeder wordt aangesproken op zijn vertrouwen in het kind, is er genoeg vertrouwen in zichzelf en het kind om het kind écht los te laten.

=> De taak van de opvoeder blijft dus ongeveer hetzelfde als bij een veilige hechting MAAR alles moet wel goed afgestemd zijn op de specifieke hechtingsnoden van het kind. Er moet veel verdragen en begrepen worden zonder enkel op de buitenkant (het gedrag) te reageren.

25
New cards

Waardoor ontstaat verwerping uitlokkend gedrag?

Door dat het kind de indruk heeft gekregen geen plek te krijgen/als persoon geen of onvoldoende bestaansrecht heeft. Het kind ziet de wereld, gesymboliseerd door de ander, als verantwoordelijke voor deze uitsluiting.

=> Het kind duwt anderen weg met zijn gedrag en is eigenlijk onbewust zelfdestructief.

26
New cards

Wat zijn de gevolgen voor het gedrag/denken van het kind bij verwerping uitlokkend gedrag?

-Zelfbepalend gedrag bij het kind.

  • Het kind twijfelt aan advies omdat het de andere wantrouwt aangezien eerdere ervaringen misliepen.

  • Er is enorm veel inzet nodig van de opvoeders om te komen tot goed gedrag bij het kind. Dit leidt uiteindelijk vaak tot ontmoediging omdat het kind niet bijdraait. Dit komt omdat het kind de opvoeders niet vertrouwt.

-Zich niet willen kwetsbaar opstellen als kind.

  • Emoties tonen wordt gezien als gevaarlijk, een stoere buitenkant houdt anderen op afstand.

  • Het kind reageert snel en impulsief als reflex om zichzelf te beschermen. Bijgevolg vinden anderen het kind afstandelijk en soms zelf arrogant en koud/weinig meelevend.

-Zich benadeeld voelen als kind.

  • Het kind roept voortdurend om zijn plaats op te eisen, wil altijd eerste zijn, heeft nooit genoeg, etc.

  • De opvoeders hebben de indruk dat ze nooit genoeg kunnen doen voor het kind en voelen zich niet gewaardeerd in hun inspanningen.

-Liegen.

  • Het kind durft de waarheid niet vertellen als het een fout heeft gemaakt uit angst voor afwijzing.

  • De opvoeders hebben moeite met de leugen(s) en verliezen vertrouwen in het kind.

=> Het kind duwt anderen weg met zijn gedrag en is eigenlijk onbewust zelfdestructief.

Er is kans op het ontstaan van een negatief proces bij de opvoeders wanneer deze door het oppervlakkige gedrag de diepere problematiek niet willen of kunnen zien. Wanneer moeilijk gedrag van het kind boze reacties uitlokt in de omgeving ervaart het kind afwijzing waardoor er een vicieuze cirkel ontstaat. De opvoeders hebben het gevoel niet erkend te worden voor hun inspanningen en zien het kind uiteindelijk als oorzaak van die gevoelens waardoor ze het kind beu worden.

27
New cards

Dôsen beschreef een relatietherapie met verschillende fasen om tegemoet te komen aan de relatieproblematiek van kinderen met een problematische hechting. Wat zijn de fasen en hoe zien ze er telkens uit?

  1. Tolereren en accepteren → In de eerste fase ligt de focus op het accepteren van het kind zoals hij is. Er moet een relationele rust ontstaan tussen het kind en de opvoeder (= significant other). De opvoeder moet:

-Zichzelf aanbieden maar niet opdringen aan het kind.

-Er voor het kind zijn.

-Het kind rust en bescherming bieden.

-Zijn aanwezigheid door het kind laten ervaren als een vorm van veiligheid.

  1. Elkaar ontmoeten en samen groeien → In de tweede fase wordt er gewerkt aan een concrete therapeutische werkrelatie. Dit kan van start gaan wanneer het kind de opvoeder accepteert als iemand die wél voor veiligheid kan zorgen en het kind dus relationele rust biedt. De bedoeling is om een positieve, warme relatie op te bouwen. De opvoeder moet hiervoor:

-Ruimte bieden aan het kind.

-Het kind als gelijke behandelen.

-Het kind tijd gunnen.

  1. Heropvoeding → De derde en laatste fase is heropvoeding. Het kind wordt aangeleerd hoe het zich adequater kan gedragen in allerlei (sociale) situaties. Het gaat dan concreet over het afbouwen van ongewenst gedrag en het opbouwen van meer sociaal aanvaardbaar gedrag. Bij het kind gebeurd het volgende:

-De autonomie wordt versterkt.

-Er wordt gewerkt aan een situatie waarin het kind de veilige nabijheid van de opvoeder niet meer of minder nodig heeft.

-Het kind krijgt meer controle over zichzelf, zijn emoties en zijn gedrag.

=> In deze tekst wordt kind-opvoeder gebruikt maar het kan ook gaan over cliënt-begeleider, etc.

28
New cards

Met welke interventies kan de opvoeder een gezonde cirkel van veiligheid opbouwen?

-Ontvangstbevestiging → Tonen aan het kind dat zijn initiatief tot het aangaan van een relatie, herstellen van een situatie, etc gezien wordt. Zijn inzet om een situatie te verbeteren wordt duidelijk gezien en erkent.

-Benoemen → Het initiatief dat het kind toont wordt verwoord door de opvoeder. De opvoeder gaat gedragingen, inspanningen en inzet van het kind als ware ondertitelen. Daardoor wordt het voor het kind duidelijk dat zijn inspanningen begrepen worden, dat zijn inzet wordt gezien.

-Emotionele beschikbaarheid → De opvoeder moet de essentiële kenmerken van een veilige hechtingsfiguur uitdragen en tonen:

  • Sensitief zijn (noden zien en juist interpreteren).

  • Voldoende steun en structuur aanbieden of geruststellen (veilige havenfunctie). Er moet adequaat worden gereageerd op de nood aan veiligheid of geruststellen als de vraag naar veiligheid eigenlijk niet nodig is.

  • Door het verwerping uitlokkend gedrag heen kijken.

=> In deze tekst wordt kind-opvoeder gebruikt maar het kan ook gaan over cliënt-begeleider, etc.

29
New cards
<p>Leg uit:</p>

Leg uit:

Dit is een schematische voorstelling van hoe een conflict ontstaat:

Het kernpunt is dat een gebeurtenis stress kan uitlokken. Deze stress kan tot een incident leiden wanneer de gevoelens en angsten die door de stress ontstaan bepaald gedrag uitlokken bij het individu en er op dit gedrag door de andere zodanig slecht wordt gereageerd dat het de stress bij het individu verhoogt. Naarmate de stress meer stijgt ontstaat er een incident of conflict tussen het individu die de stress voelt en de andere die daarop reageert.

Achterliggend is dat het zelfconcept (het geheel van gedachten, overtuigingen en gevoelens dat iemand over zichzelf heeft) van het individu (mee) zal verklaren of iemand al dan niet gestresseerd raakt door een gebeurtenis. Het zelfconcept wordt gevoed door de eigen hechtingsstijl en het al dan niet aanwezig zijn van een onveiligheidsgevoel.

Bij diegene die reageert op het gedrag kan het gedrag van het eerste individu de gebeurtenis zijn in zijn eigen schema die stress uitlokt.

=>Een veilige hechting leidt tot een groter gevoel van veiligheid, wat een positief zelfconcept oplevert en leidt tot een verminderde stressgevoeligheid. Hierdoor verminderd de kans op het ontstaan van conflicten met anderen.

Conclusie is dat iemand met een onveilige hechtingsstijl veel sneller in conflicten beland en een grotere kans heeft om met een ander in een crisissituatie terecht te komen àls de ander reageert met onaangepast gedrag.

<p>Dit is een schematische voorstelling van hoe een conflict ontstaat:</p><p>Het kernpunt is dat een gebeurtenis stress kan uitlokken. Deze stress kan tot een incident leiden wanneer de gevoelens en angsten die door de stress ontstaan bepaald gedrag uitlokken bij het individu en er op dit gedrag door de andere zodanig slecht wordt gereageerd dat het de stress bij het individu verhoogt. Naarmate de stress meer stijgt ontstaat er een incident of conflict tussen het individu die de stress voelt en de andere die daarop reageert.</p><p>Achterliggend is dat het zelfconcept (het geheel van gedachten, overtuigingen en gevoelens dat iemand over zichzelf heeft) van het individu (mee) zal verklaren of iemand al dan niet gestresseerd raakt door een gebeurtenis. Het zelfconcept wordt gevoed door de eigen hechtingsstijl en het al dan niet aanwezig zijn van een onveiligheidsgevoel. </p><p>Bij diegene die reageert op het gedrag kan het gedrag van het eerste individu de gebeurtenis zijn in zijn eigen schema die stress uitlokt. </p><p>=&gt;Een veilige hechting leidt tot een groter gevoel van veiligheid, wat een positief zelfconcept oplevert en leidt tot een verminderde stressgevoeligheid. Hierdoor verminderd de kans op het ontstaan van conflicten met anderen.</p><p>Conclusie is dat iemand met een onveilige hechtingsstijl veel sneller in conflicten beland en een grotere kans heeft om met een ander in een crisissituatie terecht te komen àls de ander reageert met onaangepast gedrag.</p>
30
New cards

Juist of fout, “ontwikkeling loopt lineair”. Verklaar:

Fout, iemand kan bijvoorbeeld cognitief achteruitgaan maar wel nog sociaal-emotioneel groeien in wijsheid en empathie.

31
New cards

Noem 3 zaken waarop een opvoeder/begeleider moet letten bij het begeleiden van personen met een onveilige hechting:

-Leer door de signalen aan de buitenkant kijken (o.a. het gedrag) en zie wat er vanbinnen speelt.

-Pas op met verwerping uitlokkend gedrag en de vicieuze cirkel die mogelijk ontstaat wanneer er niet juist wordt gereageerd.

-Wees de significant other (zie deel Dôsen).

-Laat je niet verleiden tot een bestraffende reactie.

32
New cards

Wat is het doel van “kunnen denken”?

-De wereld ordenen en begrijpen.

-Een idee kunnen hebben, een mening kunnen vormen.

-Betekenis geven aan hetgene dat we waarnemen (= interpreteren).

-Ons handelen op wat we hebben waargenomen (geïnterpreteerd) afstemmen, denken als motor van ons doen.

33
New cards

Volgens Piaget ontwikkeld denken zich in fasen, hoe heten deze fasen en hoe zien ze eruit?

  1. De sensomotorische fase (pre-cognitief → nog niet echt denken, eerder voorbereidende stappen nemen om dit in te toekomst te doen) loopt tot van 0 tot ongeveer 2 jaar. Het kind leert via de zintuigen en de motoriek, het verkent de wereld. Een belangrijke mijlpaal is het besef van objectpermanentie (= het kind leert dat een voorwerp blijft bestaan, ook al is het uit het zicht verdwenen). Dit is cruciaal voor het ontwikkelen van vertrouwen en hechting. In ze zorg betekend het dat deze kinderen vooral reageren op directe prikkels en dat de afwezigheid van een vertrouwd gezicht stress kan veroorzaken.

  2. De pre-operationele fase (cognitief) is van 2 jaar tot ongeveer 7 jaar, deze fase wordt gekenmerkt door magisch/symbolisch denken. Een kind gelooft bijvoorbeeld dat de sint echt komt, dat zijn speelgoed gevoelens heeft, etc ook al zijn deze dingen eigenlijk niet realistisch. Het denken is nog erg egocentrisch, kinderen hebben het moeilijk om het perspectief van een ander te begrijpen/zien. Ze geloven dat hun eigen beleving de enige is. In de zorg betekend dit geduld hebben en uitleg ondersteunen met visuele context.

  3. De concreet-operationele fase (cognitief) loopt van 7 jaar tot 11 à 12 jaar, kinderen leren nu logisch denken over concrete (=tastbare) situaties. Ze kunnen oorzaak-gevolgrelaties zien en zaken classificeren en ordenen. Zaken kunnen zelfstandig worden uitgevoerd als ze duidelijk en tastbaar zijn. Abstracte dingen zijn nog moeilijk, verdriet is bijvoorbeeld wanneer iemand huilt en men is niet verdrietig als er geen tranen zijn. In de zorg kan je deze kinderen betrekken in het zorgproces.

  4. De formeel-operationele fase (cognitief) is vanaf 11 à 12 jaar, dit is het begin van het abstract denken (= niet-tastbaar). Men kan hypothetisch redeneren, nadenken over de toekomst en complexe problemen, reflecteren op eigen denken en emoties, etc. Ook het relationele denkinhouden komen hier naar voren. Een kind snapt nu dat verdriet er niet alleen uitziet als huilen maar ook vele andere (niet zichtbare) vormen heeft. In de zorg moeten deze kinderen serieus genomen worden en moeten ze inspraak en ruimte krijgen.

=> De fasen kunnen in elkaar overlopen en niet iedereen overloopt deze fasen aan het zelfde tempo of komt even ver.

<ol><li><p>De sensomotorische fase (pre-cognitief → nog niet echt denken, eerder voorbereidende stappen nemen om dit in te toekomst te doen) loopt tot van 0 tot ongeveer 2 jaar. Het kind leert via de zintuigen en de motoriek, het verkent de wereld. Een belangrijke mijlpaal is het besef van objectpermanentie (= het kind leert dat een voorwerp blijft bestaan, ook al is het uit het zicht verdwenen). Dit is cruciaal voor het ontwikkelen van vertrouwen en hechting. In ze zorg betekend het dat deze kinderen vooral reageren op directe prikkels en dat de afwezigheid van een vertrouwd gezicht stress kan veroorzaken.</p></li><li><p>De pre-operationele fase (cognitief) is van 2 jaar tot ongeveer 7 jaar, deze fase wordt gekenmerkt door magisch/symbolisch denken. Een kind gelooft bijvoorbeeld dat de sint echt komt, dat zijn speelgoed gevoelens heeft, etc ook al zijn deze dingen eigenlijk niet realistisch. Het denken is nog erg egocentrisch, kinderen hebben het moeilijk om het perspectief van een ander te begrijpen/zien. Ze geloven dat hun eigen beleving de enige is. In de zorg betekend dit geduld hebben en uitleg ondersteunen met visuele context.</p></li><li><p>De concreet-operationele fase (cognitief) loopt van 7 jaar tot 11 à 12 jaar, kinderen leren nu logisch denken over concrete (=tastbare) situaties. Ze kunnen oorzaak-gevolgrelaties zien en zaken classificeren en ordenen. Zaken kunnen zelfstandig worden uitgevoerd als ze duidelijk en tastbaar zijn. Abstracte dingen zijn nog moeilijk, verdriet is bijvoorbeeld wanneer iemand huilt en men is niet verdrietig als er geen tranen zijn. In de zorg kan je deze kinderen betrekken in het zorgproces.</p></li><li><p>De formeel-operationele fase (cognitief) is vanaf 11 à 12 jaar, dit is het begin van het abstract denken (= niet-tastbaar). Men kan hypothetisch redeneren, nadenken over de toekomst en complexe problemen, reflecteren op eigen denken en emoties, etc. Ook het relationele denkinhouden komen hier naar voren. Een kind snapt nu dat verdriet er niet alleen uitziet als huilen maar ook vele andere (niet zichtbare) vormen heeft. In de zorg moeten deze kinderen serieus genomen worden en moeten ze inspraak en ruimte krijgen.</p></li></ol><p>=&gt; De fasen kunnen in elkaar overlopen en niet iedereen overloopt deze fasen aan het zelfde tempo of komt even ver. </p><p></p>
34
New cards

Juist of fout, “de cognitieve ontwikkeling verloopt niet altijd in vaste stadia”, verklaar:

Juist, hoewel Piaget leeftijden plakte op de verschillende fasen in de cognitieve ontwikkeling is dit niet altijd correct. Siegler en Fischer hebben aangetoond dat de ontwikkeling niet altijd in vaste stadia verloopt maar dat de stadia wat kunnen overlappen en dat niet elk kind op hetzelfde tempo of dezelfde manier ontwikkeld. Ook niet iedereen komt even ver in de ontwikkeling, sommige volwassenen bereiken nooit het abstract denken.

35
New cards

Wat is sociale ontwikkeling?

Het proces waarbij mensen leren omgaan met anderen, sociale signalen leren begrijpen en relaties opbouwen.

36
New cards

Waardoor komt het dat de communicatie tussen kinderen en volwassenen soms stroef verloopt?

Volwassenen hebben de cognitieve ontwikkeling doorlopen en hebben hiermee het abstract denken bereikt. Ze zullen anderen dus ook via dit denkkader benaderen.

Kinderen en jongeren functioneren nog niet (altijd) op dat niveau wat kan leiden tot een heleboel misverstanden. Ze beschikken over een beperkte abstracte taal, kennen niet altijd voldoende woorden om zich uit te drukken en begrijpen zichzelf, de andere en de wereld ook niet altijd even goed = communicatie (met woorden) is niet altijd makkelijk voor hun. Om dit op de vangen spreken deze kinderen en jongeren vaak onbewust via hun gedrag (= non-verbale communicatie).

Het probleem is hier dat volwassenen dit gedrag niet altijd zien als een vorm van communicatie maar als iets dat op zichzelf staat en waar het kind of de jongere volledige controle over heeft (of moet hebben). De boodschap in het gedrag wordt dus vaak gemist.

37
New cards

Wanneer is iemand sociaal voelend?

Als hij in staat is om de gevoelens, gedachten, meningen, bedoelingen, behoeften en wensen van zichzelf en anderen in te schatten en ernaar te handelen.

38
New cards

Wat is de theory of mind?

Een sociaal ontwikkelingsmodel om het menselijk gedrag te begrijpen. Het probeert uit te leggen hoe de menselijke geest werkt en hoe menselijk gedrag kan worden verklaard (waarom doet iemand iets op die manier, etc).

In de TOM wordt gedrag gevormd vanuit twee perspectieven:

  1. Gedachten worden bepaald door de perceptie die iemand heeft.

  2. Wensen worden bepaald door de basale emoties.

Deze twee perspectieven (gedachten en wensen) bepalen dan het gedrag van een persoon en dit gedrag lokt dan weer een reactie van de omgeving uit.

Als iemand TOM beheerst kan die begrijpen dat zijn gedachten en wensen niet dezelfde zijn als die van anderen. Er wordt begrepen dan gedachten en wensen subjectief zijn (bepaald door iemand perceptie en basale emoties). Dit maakt het logisch dat mensen op een andere manier reageren en functioneren, zelfs al bevinden ze zich in dezelfde situatie.

Bij TOM denkt iemand na over gedrag.

<p>Een sociaal ontwikkelingsmodel om het menselijk gedrag te begrijpen. Het probeert uit te leggen hoe de menselijke geest werkt en hoe menselijk gedrag kan worden verklaard (waarom doet iemand iets op die manier, etc).</p><p>In de TOM wordt gedrag gevormd vanuit twee perspectieven:</p><ol><li><p>Gedachten worden bepaald door de perceptie die iemand heeft.</p></li><li><p>Wensen worden bepaald door de basale emoties.</p></li></ol><p>Deze twee perspectieven (gedachten en wensen) bepalen dan het gedrag van een persoon en dit gedrag lokt dan weer een reactie van de omgeving uit. </p><p>Als iemand TOM beheerst kan die begrijpen dat zijn gedachten en wensen niet dezelfde zijn als die van anderen. Er wordt begrepen dan gedachten en wensen subjectief zijn (bepaald door iemand perceptie en basale emoties). Dit maakt het logisch dat mensen op een andere manier reageren en functioneren, zelfs al bevinden ze zich in dezelfde situatie.</p><p>Bij TOM denkt iemand na over gedrag.</p>
39
New cards

Wat is sociale perspectiefneming?

Dit is de stap die iemand kan zetten nadat hij de theory of mind beheerst. Je snapt dan immers dat je eigen wensen en gedachten niet dezelfde zijn als die van anderen.

Nu kan je gaan proberen om naar iets te kijken vanuit de blik (wensen, gedachten, etc) van de ander. Zo kan je leren begrijpen waarom die persoon bepaald gedrag stelt en kan je ook zien hoe jouw eigen gedrag bij de andere overkomt.

Dit maakt dus dat je, naast het inleven in de andere, ook jezelf beter leert kennen en je je gedrag gaat leren aanpassen om anders (en dus hopelijk beter) bij de ander over te komen. Om dit te kunnen moet je een cognitieve inschatting kunnen maken en moet je sociale vaardigheden leren. Bij sociale perspectiefneming moet je dus denken en doen.

40
New cards

Wat is centrale coherentie?

Dit is de derde stap na het beheersen van de theory of mind en sociale perspectiefneming. Je krijgt het vermogen om een verband te zien tussen bepaalde kenmerken van een persoon (karakter, context, sociale positie, etc) en zijn gedrag.

Dankzij CH kan gedrag geplaatst worden in de tijd: Gedrag dat iemand vandaag stelt zijn hij waarschijnlijk ook morgen stellen. Hierdoor wordt gedrag van anderen voorspelbaar.

In de context of in een bepaalde sociale positie kan gedrag ook veranderen. Iemand gedrag thuis is niet hetzelfde als op het werk, je baas kan je beste vriend zijn in je vrije tijd maar op het werk is zijn gedrag naar jou toe professioneel, etc.

Je kan dus naar gedrag kijken vanuit het verleden van de persoon, vanuit het karakter, vanuit de context, vanuit de sociale positie en vanuit zijn (mogelijke) toekomst om bepaald gedrag te verklaren.

41
New cards

Wat is pro-sociaal gedrag?

Gedrag dat gericht is op het welzijn van anderen (bv: helpen, troosten, samenwerken, zorg geven, delen, etc).

Je richt jezelf op de ander zonder jezelf uit het oog te verliezen.

Pro-sociaal gedrag is het gevolg van een goede sociale ontwikkeling.

Explore top notes

Explore top flashcards

flashcards
LU 5.1 Burns
20
Updated 421d ago
0.0(0)
flashcards
APUSH Ch. 32 Quiz Study Guide
59
Updated 1234d ago
0.0(0)
flashcards
27 Amendments
27
Updated 753d ago
0.0(0)
flashcards
SAT 7 Vocabulary
20
Updated 1090d ago
0.0(0)
flashcards
BILL OF RIGHTS
49
Updated 375d ago
0.0(0)
flashcards
Unite 3: les achats/le voyage
81
Updated 1238d ago
0.0(0)
flashcards
Units 10-12 Book Units
36
Updated 438d ago
0.0(0)
flashcards
LU 5.1 Burns
20
Updated 421d ago
0.0(0)
flashcards
APUSH Ch. 32 Quiz Study Guide
59
Updated 1234d ago
0.0(0)
flashcards
27 Amendments
27
Updated 753d ago
0.0(0)
flashcards
SAT 7 Vocabulary
20
Updated 1090d ago
0.0(0)
flashcards
BILL OF RIGHTS
49
Updated 375d ago
0.0(0)
flashcards
Unite 3: les achats/le voyage
81
Updated 1238d ago
0.0(0)
flashcards
Units 10-12 Book Units
36
Updated 438d ago
0.0(0)