Theaterbegrippen

0.0(0)
Studied by 17 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/39

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Last updated 4:22 PM on 12/7/22
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

40 Terms

1
New cards
dimmen
De intensiteit van het licht langzaam terugnemen.
2
New cards
trek
De naam die men geeft aan het mechanisme van een katroltouw waarmee men de decorstukken op en neer beweegt.
3
New cards
volgspot
Naar alle kanten beweegbare schijnwerper met hoge lichtintensiteit die een scherpomlijnde ronde lichtvlek geeft.
4
New cards
pan
Horizontale beweging van een lichtbron, waarbij de lichtbundel van de ene zijde van het toneel
naar de andere zijde wordt gebracht. Ook: als het geluid overgaat van de ene luidspreker naar de
andere.
5
New cards
perch
Metalen buis die in de toneeltoren hangt. Men bevestigt er decorstukken aan.
6
New cards
lichtbrug
Smal platform boven het toneel of de zaal waaraan schijnwerpers bevestigd kannen worden.
7
New cards
loge
Een ‘kamertje’ met eigen deur, knusse stoelen of zetels en een afgeschermde kijk op het toneel.
Naast de scène zijn in de oudere, grote theaters aparte ruimtes voor de koninklijke familie. Was
bedoeld om ‘gezien te worden’, niet zozeer om van het toneel te genieten.
8
New cards
jardin
De theaterterm voor ‘links’ als men voor het podium staat.
9
New cards
faden
Een bepaalde lichtstand of een geluid langzaam laten afnemen.
10
New cards
crossfade
Lichtovergang waarbij de oude lichtstand langzaam verwisseld wordt met de volgende lichtstand.
11
New cards
vestiaire
De plaats waar men zijn jas of tas veilig kan achterlaten.
12
New cards
galerij
De goedkoopste plaatsen, vroeger voor het ‘gewone volk’ dat tevreden moest zijn met een
eenvoudige stoel of zelfs een staanplaats helemaal bovenaan. Wordt vandaag de dag alleen
verhuurd als de rest is uitverkocht.
13
New cards
tilt
Verticale beweging van een lichtbron, waarbij de lichtbundel van hoog naar laag wordt gebracht
14
New cards
artiestenfoyer
De wachtkamer voor de acteurs waar zij hun beurt kunnen komen afwachten in rust en
concentratie voor ze moeten opkomen.
15
New cards
brood, anker, kluit
Tegengewicht dat het mogelijk maakt om zware decorstukken van meer dan 200 kilo via een
katrolmechanisme toch door één persoon zonder moeite te doen ophijsen. Het aantal
tegengewichten wordt aangepast aan het gewicht van het decorstuk.

16
New cards
poot
Zwart gordijn dat de coulissen afsluit van de scène.
17
New cards
parterre, stalles
De zitplaatsen op het ‘gelijkvloers’, recht voor de scène. Hier bevinden zich de beste duurste
plaatsen.
18
New cards
foyer
De ruimte waar het publiek tijdens de pauze een drankje kan nuttigen.
19
New cards
balkon
De plaatsen op een verdieping aan de zijkanten van de zaal.
20
New cards
donkerslag
Lichteffect waarbij alle lichten plots worden gedoofd. Kan worden gebruikt om het einde van een bedrijf aan te geven.
21
New cards
deus-ex-machina
Om de intrige in de juiste banen te leiden, werd er soms gebruik gemaakt van een godheid die de held redt uit een benarde situatie.
22
New cards
travestie
Toneelrol waarbij de speler een persoon van de andere sekse uitbeeldt.
23
New cards
regisseur
Persoon die de repetities leidt. Hij geeft aan hoe de acteurs moeten
24
New cards
raisonneur
Vriend of verwant van de hoofdfiguur die dient als spreekbuis van de auteur.
25
New cards
droog repeteren
De repetities waarbij men nog geen bewegingen maakt, alleen maar de tekst zegt. In het theater ook ‘Italiaantje’ genoemd.
26
New cards
première
De eerste voorstelling van een nieuw stuk, vaak voor eregenodigden en de pers.
27
New cards
scenograaf
De persoon die het decor en de kostuums ontwerpt.
28
New cards
open doekje
Applaus midden in de scène.
29
New cards
antagonist
De tegenspeler die de hoofdrolspeler naar de crisis leidt.
30
New cards
tournee
Een voorstelling waarmee men in verschillende zalen gaat spelen.
31
New cards
play-in-the-play
Een toneel dat wordt opgevoerd in het eigenlijke toneel, zoals bijvoorbeeld het stuk Masscheroen dat wordt gespeeld in Mariken van
Nieumeghen.
32
New cards
typecasting
De specialisatie van aan acteur, het ‘geknipt’ zijn voor een rol (b.v. Jan Decleir is meer geschikt voor dramatische dan voor komische rollen.
33
New cards
twijfelwerk
De eerste kennismaking met de nieuwe toneeltekst: de regisseur laat de
acteurs hun tekst voorlezen en geeft hen informatie over het stuk, hun
rol, de manier waarop ze de tekst moeten zeggen, enz.
34
New cards
protagonist
De hoofdrolspeler die de intrige ondergaat.
35
New cards
grime
Het schminken, wat door beroepsacteurs zelf wordt gedaan.
36
New cards
KVS
Het officiële Nederlandstalig gezelschap in Brussel.
37
New cards
dramaturg
De persoon die zich bezighoudt met de keuze en de bewerking
(vertaling, aanpassing) van de stukken. Hij levert ook de informatie voor
de affiche, programmaboekjes, persmap, enz.
38
New cards
figurant
Iemand die een kleine rol vervult in het stuk, meestal zonder tekst.
39
New cards
rekwisiteur
De persoon die verantwoordelijk is voor alle voorwerpen die in de voorstelling worden gebruikt.
40
New cards
NTGent
Het grootste gezelschap in Gent.