Woordenlijst Ecologie 4V

0.0(0)
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
Card Sorting

1/77

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Biologie Voor Jou

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced

No study sessions yet.

78 Terms

1
New cards

abiotische factoren

Alle invloeden uit de levenloze natuur.

2
New cards

atmosfeer

Dampkring / lucht om aarde heen

3
New cards

areaal

Verspreidingsgebied

4
New cards

autotroof

M.b.v. zonlicht in staat zijn chemische energie vast te leggen met fotosynthese / uit anorganische stoffen organische stoffen kunnen maken.

5
New cards

beperkende factor

  1. Factor die de snelheid van een proces laag houdt.

  2. Factor die het aantal individuen in een populatie laag houdt (bijv. voedsel).

6
New cards

biodiversiteit

Verscheidenheid, dat is de soortenrijkdom binnen een ecosysteem.

7
New cards

biologisch evenwicht

Toestand waarbij de grootte van elke populatie in een ecosysteem schommelt om een bepaalde waarde.

8
New cards

biomassa

Totale hoeveelheid energierijk materiaal in een organisme (meestal het drooggewicht genomen).

9
New cards

biosfeer

Alle ecosystemen op aarde samen (= systeem aarde).

10
New cards

biotische factoren

Alle invloeden uit de levende natuur.

11
New cards

broekbos

Een ecosysteem waarvan de vegetatie sterk wordt bepaald door de stand van het grondwater, meestal is er sprake van kwel. Elzen of berken vormen er de boomlaag.

12
New cards

bruto primaire productie (BPP)

Alle energie die in een ecosysteem door producenten wordt vastgelegd in biomassa (in organische stoffen).

13
New cards

climaxstadium

Laatste stadium na successie, waarbij abiotische factoren en soortensamenstelling min of meer constant zijn. de populaties zijn in evenwicht, de diversiteit is hoog en het ecosysteem is stabiel.

14
New cards

commensalisme

Type van symbiose, waarbij de individuen van de ene soort voordeel hebben en de individuen van de andere soort geen nadeel.

15
New cards

competitie

Concurrentieproces waarbij individuen elkaar in hun bestaan nadelig beïnvloeden als gevolg van een gemeenschappelijke beperkende milieufactor. Competitie kan binnen de soort en tussen soorten optreden.

16
New cards

complexiteit

De ingewikkeldheid van de relaties tussen de diverse soorten.

17
New cards

concurrentie

Competitie tussen individuen van dezelfde populatie (bijv. voor voedsel, voortplanting of beschikbare ruimte / licht).

18
New cards

consument

Organisme, dat andere organismen als voedselbron gebruikt. Een consument is dus een heterotroof organisme.

19
New cards

coöperatie

Samenwerking tussen individuen van dezelfde populatie.

20
New cards

cuticula

Waslaagje aan de buitenkant van een blad.

21
New cards

detritus

Dode resten van planten en dieren.

22
New cards

draagkracht

  1. Maximale grootte van een populatie die een ecosysteem aan kan.

  2. Maximale beïnvloeding van een ecosysteem door invloeden van buitenaf waarbij een ecosysteem zich nog kan handhaven.

23
New cards

ecologie

Bestudeert de dynamiek van de wisselwerking tussen organismen, populaties of levensgemeenschappen (de biotische milieufactoren) en de relaties tussen organismen, populaties, levensgemeenschappen of landschappen en de niet-biologische omgeving (de abiotische milieufactoren).

24
New cards

ecosysteem

Min of meer begrensd gebied met bepaalde eigenschappen waarbinnen de abiotische en biotische factoren een eenheid vormen.

25
New cards

emergente eigenschap

Op elk hoger organisatieniveau verschijnen nieuwe eigenschappen.

26
New cards

emigratie

Individuen die wegtrekken uit een populatie.

27
New cards

erosie

Door regen of wind spoelt de bovenste laag van de bodem (met o.a. humus) weg.

28
New cards

exoten

Individuen van een andere soort die een bepaald gebied binnendringen.

29
New cards

exponentieel

Exponentiële groei is een wiskundige term die een toename aangeeft die evenredig aan de eigen omvang. Iedere grootheid die elk jaar (of elke maand, dag, uur, etc.) met hetzelfde percentage groeit, ondergaat een exponentiële groei. Zo is de groei van een populatie waarin het aantal geboortes per individu (of per echtpaar) constant blijft, evenredig met het aantal individuen, en dus exponentieel.

30
New cards

facilitatie

Een ondersteunende rol spelen.

31
New cards

fytoplankton

Plantaardig plankton.

32
New cards

geboortecijfer

Aantal individuen dat per tijdseenheid door voortplanting ontstaat in een populatie.

33
New cards

genoom

De volledige set genen van een organisme inclusief niet-coderend DNA.

34
New cards

habitat

Leefomgeving van een organisme.

35
New cards

heterotroof

Andere organismen nodig voor organische stoffen (niet zelf kunnen maken uit anorganische stoffen).

36
New cards

homoiotherm

Warmbloedige dieren, met een constante lichaamstemperatuur.

37
New cards

humus

Organisch materiaal, ontstaan door gedeeltelijke afbraak van plantaardige en dierlijke resten op de bodem.

38
New cards

immigratie

Individuen die een populatie binnen trekken.

39
New cards

J-curve

Grafiek die het verband weergeeft tussen de populatiegrootte en de tijd bij onbelemmerde exponentiële groei.

40
New cards

klimaat

Een combinatie van verschillende abiotische factoren zoals temperatuur, wind, licht en neerslag.

41
New cards

levensgemeenschap

Alle populaties die in een bepaald gebied leven.

42
New cards

mineralisatie

Dode organische resten worden door reducenten omgezet tot anorganische stoffen.

43
New cards

mutualisme

Type van symbiose waarbij de individuen van beide soorten voordeel hebben.

44
New cards

natuurlijke selectie

Verschijnsel dat individuen met een beter aan het milieu aangepast genotype een grotere overlevingskans en voortplantingskans hebben en daardoor meer in de populatie zullen voorkomen dan andere.

45
New cards

negatieve terugkoppeling

Verschijnsel dat een proces wordt beïnvloed door zijn eigen resultaat. Als de invloed remmend is spreekt met van een negatieve terugkoppeling, als de invloed stimulerend is spreekt met van een positieve terugkoppeling.

46
New cards

netto primaire productie (NPP)

Per tijdseenheid door producenten gevormde (meetbare) biomassa na aftrek van de door dissimilatie verbruikte organische stof. Dit is alle biomassa waarmee weefsels kunnen worden opgebouwd in autotrofe organismen.

47
New cards

niche

Ecologische nis - de rol die een soort in het geheel van relaties in een ecosysteem.

48
New cards

optimum (kromme)

Een kromme waarbij het verband tussen een factor en een activiteit is uitgezet. Bijv. verband tussen temperatuur en enzymactiviteit: er is een beste temperatuur (optimum), waarbij de enzymactiviteit het hoogst is.

49
New cards

parasitisme

Type van symbiose waarbij het ene individu voordeel heeft en het andere individu nadeel ondervindt, voordeel en nadeel in de zin van negatieve beïnvloeding van de levensverwachting.

50
New cards

pionierecosysteem

Ecosysteem dat als eerste ontstaat in een gebied, waar geen of vrijwel geen leven was.

51
New cards

plaag

Ongeremde vermenigvuldiging van een bepaald soort organisme: oorzaak is vaak voldoende voedsel en geen natuurlijke vijand.

52
New cards

plankton

Een verzamelnaam voor kleine organismen die voornamelijk zwevend in het water leven en zodoende voor hun verplaatsing vooral afhankelijk zijn van de heersende stromingen.

53
New cards

poikilotherm

Koudbloedige dieren met een wisselende lichaamstemperatuur.

54
New cards

populatie

Groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied die zich onderling voortplanten.

55
New cards

populatiedichtheid

Het gemiddelde aantal individuen per oppervlakte-eenheid.

56
New cards

predatie

Het doden en als voedsel gebruiken van dieren.

57
New cards

primaire productie

De hoeveelheid organische stoffen die producenten maken.

58
New cards

primaire successie

Successie waarbij de ondergrond vrijwel geen humus meer bevat en van voren af aan moet beginnen.

59
New cards

producent

Planten of autotrofe bacterie - organisme dar organische stoffen uitsluitend uit anorganische stoffen produceert met behulp van energie uit de levenloze natuur.

60
New cards

reducent

Schimmel of heterotrofe bacterie, die dood organisch materiaal omzet in mineralen.

61
New cards

schaduwplanten

Planten die het beste groeien bij een lage lichtintensiteit.

62
New cards

schakel

Een voedselketen die is opgebouwd uit schakels (organismen).

63
New cards

S-curve

Grafiek die het verband weergeeft tussen de populatiegrootte en de tijd, waarbij de populatiegroei na een periode van exponentiële groei wordt afgeremd en tenslotte tot stilstand komt.

64
New cards

soort

Organismen die onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen krijgen.

65
New cards

staat

Samenlevingsvorm bij insecten, met daarbinnen een duidelijke taakverdeling.

66
New cards

successie

Verandering in de loop van de tijd in de soortensamenstelling van een gemeenschap zodat deze geleidelijk overgaat in een andere soortensamenstelling.

67
New cards

symbiose

Langdurige samenleving van individuen van verschillende soorten. Er bestaan drie typen van symbiose: mutualisme, commensalisme en parasitisme.

68
New cards

territorium

Gebied dat door een of meerder individuen van een soort wordt bezet en tegen binnendringende soortgenoten wordt verdedigd.

69
New cards

tolerantiegrenzen

De uiterste waarde van een abiotische milieufactor, waarbij individuen van een soort nog net in leven blijven.

70
New cards

toppredator

Dier dat aan het eind van een voedselketen staat.

71
New cards

trofische niveau

Elke schakel van een voedselpiramide.

72
New cards

uitspoeling

Regenwater (met mineralen) spoelt snel weg naar diepere aardlagen.

73
New cards

voedselketen

Een reeks van soorten, te beginnen bij een producent, waarbij elke soort een voedselbron is voor de volgende.

74
New cards

voedselweb

Geheel van voedselrelaties binnen een levensgemeenschap.

75
New cards

windbloemen

Bloemen waarbij de wind zorgt voor de bestuiving.

76
New cards

zonplanten

Planten die het beste groeien bij een hoge lichtintensiteit.

77
New cards

zoöplankton

Dierlijk plankton.

78
New cards

secundaire successie

Successie waarbij de bovenste bodemlaag nog humus bevat, waardoor soorten zich er makkelijk kunnen vestigen.