Nederlands functiewoorden havo 5 CE

0.0(0)
Studied by 1 person
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/54

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Last updated 5:10 PM on 4/29/24
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

55 Terms

1
New cards

Aanbeveling

de schrijver geeft een goede raad; de schrijver geeft een suggestie of tip voor een oplossing.

2
New cards

Aanleiding

de schrijver geeft aan welke gebeurtenis hem ertoe heeft gebracht dit stuk te schrijven.

3
New cards

aanval

de schrijver valt de mening, het standpunt of de opvatting van iemand anders aan.

4
New cards

afweging

Nadenken over wat het beste is - vergelijking

5
New cards

Analyse

de schrijver beschrijft hoe volgens hem een verschijnsel in elkaar zit.

6
New cards

Anekdote

Verhaaltje dat de schrijver vertelt als illustratie bij het onderwerp van de tekst, komt vaak in de inleiding voor.

7
New cards

Argument

de schrijver geeft een of meer redenen voor een bepaalde (subjectieve) mening; hij legt dan uit waarom hij of iemand anders iets denkt of vindt. (Een reeks argumenten noem je een argumentatie.)

8
New cards

Bewering

de schrijver stelt iets, zegt dat iets waar is of klopt (een bewering is te controleren via onderzoek).

9
New cards

Bewijs

de schrijver probeert met feiten (of, bij een mening, minder keihard/feitelijk: met argumenten) aan te tonen dat een theorie of stelling (of mening) klopt.

10
New cards

Commentaar

de schrijver geeft zijn mening of kritiek op/bij een gebeurtenis of verschijnsel.

11
New cards

Conclusie

Resultaat van waarnemingen en overdenkingen van de schrijver

12
New cards

Constatering

Vaststelling van een feit of verschijnsel

13
New cards

definitie

Samenvattende omschrijving van de kenmerken van een begrip

14
New cards

doel

dat wat de schrijver of iemand wil bereiken.

15
New cards

effect

het gevolg of het resultaat van iets.

16
New cards

Gevolg(en)

de schrijver geeft aan wat voortvloeit uit een verschijnsel of maatregel.

17
New cards

Historisch overzicht

de schrijver zet een aantal historische feiten op een rijtje.

18
New cards

Historische achtergrond

de schrijver schetst de historische omgeving waarin een verschijnsel zich heeft voorgedaan.

19
New cards

Hypothese

Een X is een veronderstelling, een aanname: het zal wel zo in elkaar zitten. In de rest van het verhaal onderzoekt de schrijver bijvoorbeeld of die veronderstelling juist is, of probeert te bewijzen dat die veronderstelling juist is.

20
New cards

Inleiding

introductie of aankondiging van een (deel)onderwerp aan het begin van een tekst(gedeelte).

21
New cards

Kritiek

de schrijver geeft aan waar hij of anderen het niet eens mee zijn.

22
New cards

Middel

manier of methode.

23
New cards

Nuancering

Het verduidelijken van iets door meer details te geven en/of de mening iets minder scherp te maken.

24
New cards

Onderbouwing

de schrijver geeft een argumentatie (= een reeks argumenten) bij een standpunt/mening, of een ondersteunende argumentatie bij een argument.

25
New cards

Oordeel

de schrijver geeft zijn of iemand anders mening over een verschijnsel weer.

26
New cards

Oorzaak

de schrijver vertelt waardoor iets is ontstaan, waardoor iets is zoals het is. Dat iets is het gevolg van de oorzaak.

27
New cards

Oplossing(en)

nadat de schrijver een probleem heeft geschetst, vertelt hij hoe het moet worden opgelost.

28
New cards

Opvatting

mening

29
New cards

Opsomming

Wat op een rijtje gezet is.

30
New cards

Overeenkomst

in een tekst betekent dit meestal een ‘gelijkenis’. Er is bijvoorbeeld een overeenkomst tussen de mening van de ene partij en die van de andere partij.

31
New cards

Probleemschets of probleemstelling

de schrijver omschrijft over welk probleem het tekstgedeelte gaat

32
New cards

Probleemstelling

Formulering van een probleem met de bedoeling het te gaan oplossen

33
New cards

Reden

bij een reden speelt de mens wel bewust een rol. Een oorzaak geeft aan waardoor iets zo is. Een reden geeft aan waarom iets zo is, waarbij de mens een beslissende rol speelt.

34
New cards

Relativering

De schrijver laat de betrekkelijkheid van iets zien, zwakt iets af.

35
New cards

Samenvatting

Korte weergave van de belangrijkste inhoud van een tekst

36
New cards

Situatieschets

de schrijver beschrijft een bepaalde toestand, een situatie. Een situatieschets is een uitgebreidere beschrijving van een constatering (vaststelling dat iets zo is).

37
New cards

Standpunt(en)

mening(en)

38
New cards

Stelling

Een bewering over iets of iemand omdat je dat vindt en die bewering probeer je te bewijzen.

39
New cards

Tegenargument(en)

de schrijver geeft een of meer argumenten (= redenen voor een mening) die tegen een bepaald standpunt kunnen worden aangevoerd.

40
New cards

Tegenstelling

een tegenstelling staat altijd tegenover een eerder beschreven verschijnsel of mening. Daarbij worden vaak de volgende signaalwoorden gebruikt: maar, echter, evenwel, daartegenover, (enerzijds ...) anderzijds.

41
New cards

Tegenwerping

Jouw opvatting over iets stellen tegenover de mening van een ander.

42
New cards

Toegeving (inperking/ relativering)

een bewering wordt verbonden met een toegeving, die meestal een inperking of relativering van de bewering is: hoewel, ofschoon, ondanks dat, weliswaar, tenzij.

43
New cards

toelichting

De schrijver geeft uitleg bij een bepaald verschijnsel. Hij probeert de lezer iets duidelijk te maken, iets te laten begrijpen. Let op: X is niet hetzelfde als een voorbeeld!

44
New cards

Toekomstverwachting

de schrijver geeft aan wat hij verwacht dat er gaat gebeuren. Dit is iets anders dan een aanbeveling!

45
New cards

Toepassing

Aangeven wat je aan iets hebt, hoe je het kunt gebruiken.

46
New cards

Uitspraak

de schrijver (of iemand anders) spreekt zich uit over een bepaalde situatie, doet een persoonlijke constatering, of geeft zijn mening erover.

47
New cards

Uitwerking

Extra, nauwkeuriger, uitgebreider omschreven informatie bij een onderwerp

48
New cards

Vaststelling

de schrijver constateert dat iets zo is; hij stelt een verschijnsel of ontwikkeling vast.

49
New cards

Vergelijking

de schrijver vergelijkt twee zaken met elkaar en wijst op overeenkomsten/verschillen.

50
New cards

Verklaring

uitleg (waarom iets is zoals het is, hoe het komt dat het zo is), waardoor een verschijnsel begrijpelijk wordt

51
New cards

Voorbeeld

de schrijver gebruikt een concreet geval om een verschijnsel, mening, stelling te illustreren/verduidelijken.

52
New cards

Voorbehoud

Voorwaarde of beperking bij een toezegging: de schrijver houdt ‘een slag om de arm’. Hij doet een uitspraak, maar geeft aan dat er nog iets kan veranderen, waardoor die uitspraak niet meer (helemaal) klopt.

53
New cards

Voorwaarde

Iets dat nodig is of eerst moet gebeuren voordat iets anders kan gebeuren.

54
New cards

Vraagstelling

de schrijver geeft dan aan op welke vraag of vragen hij in de rest antwoord(en) zal proberen te geven, aan het einde van de inleiding

55
New cards

Weerlegging

Laten zien dat een argument/argumentatie niet juist is.