1/207
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
acer
fel, scherp, spits, hevig
opem ferre
hulp brengen
constitui
pf. van constituere (= besluiten)
constituere
besluiten
tergum
rug
invasi
pf. van invadere (= aanvallen), ik heb aangevallen
invadere
aanvallen
oppidum
stad, stadje, vestingstad, vestingstadje
erupi
pf. van erumpere (= uitbreken), ik ben uitgebroken
erumpere
uitbreken
urgēre
in het nauw brengen
metuere
vrezen
pauci (meervoud) (groep 2)
enkele, weinige
patēre
openstaan
irrupi
pf. van irrumpere (= binnendringen), ik ben binnengedrongen
irrumpere
binnendringen
lignum
hout, stuk hout
singuli (meervoud) (groep 2)
telkens één, stuk voor stuk
incendi
pf. van incendere (= aansteken, in brand steken), ik heb aangestoken, ik heb in brand gestoken
incendere
aansteken, in brand steken
auxi
pf. van augēre (= vermeerderen, vergroten), ik heb vermeerderd, ik heb vergroot
augēre
vermeerderen, vergroten
animus
hart, geest, moed
expugnare
veroveren
ferre
brengen, dragen, verdragen
mulier (+ meervoud?)
vrouw (meervoud: mulieres)
eo (bijw.)
daar, daarheen
ingens (+ meervoud?)
heel groot, geweldig (meervoud: ingentes)
agmen (+ meervoud?)
stoet, colonne (meervoud: agmina)
recusare
weigeren
tremere
trillen
priusquam
voordat
utrum ... an
of ... of, ... of (het eerste 'of' kun je weglaten) (in vraagzin)
vastare
verwoesten
genui
pf. van gignere (= baren, voortbrengen), ik heb gebaard, ik heb voortgebracht
gignere
baren, voortbrengen
alui
pf. van alere (= voeden), ik heb gevoed
intra
binnen
dimisi
pf. van dimittere (= weg laten gaan), ik heb weg laten gaan
dimittere
weg laten gaan
castra movēre
het kamp verplaatsen, opbreken
legio (+ meervoud?)
legioen (meervoud: legiones)
abduxi
pf. van abducere (= wegvoeren) ik heb weggevoerd
abducere
wegvoeren
ager (+ meervoud?)
akker, akkerland (meervoud: agri) (groep 2)
paulo
een beetje
post (bijw.)
later
post (+ acc.) (voorz.)
na, achter
hospes (+ meervoud?)
gast, gastvriend (meervoud: hospites)
nullus
geen
defendere
verdedigen
pax (+ accusativus?)
vrede (accusativus: pacem)
afferre
brengen naar
condicio (+ meervoud?)
voorwaarde, toestand (meervoud: condiciones)
adimere
ontnemen
argentum
zilver
privatus
persoonlijk, privé-
publicus
van de staat, staats-
conferre
bij elkaar brengen, bijeen brengen
exire
weggaan, naar buiten gaan
primores
de eersten, voornaamsten
concilium
vergadering
contuli
pf. van conferre (= bij elkaar brengen, bijeen brengen), ik heb bij elkaar gebracht, ik heb bijeen gebracht
accendi
pf. van accendere (= aansteken, in brand steken), ik heb aangestoken, ik heb in brand gestoken
accendere
aansteken, in brand steken
primum (bijw.)
eerst
ieci
pf. van iacere (= werpen, gooien), ik heb geworpen, ik heb gegooid
iacere (-io)
werpen, gooien
tumultus, -us (groep 4)
tumult, onrust, rumoer
turris (+ meervoud?)
toren, toren op een muur (meervoud: turres)
ruina
puinhoop, ruïne
exercitus, -us (groep 4)
leger
circa (+ acc.)
rond, rondom
insignis
opvallend
eques (+ meervoud?)
ruiter (meervoud: equites)
cecidi
pf. van caedere (= neerslaan, vellen, in de pan hakken), ik heb neergeslagen, ik heb geveld, ik heb in de pan gehakt
caedere
neerslaan, vellen, in de pan hakken
hasta
lans, speer
lacus
(het) meer
pavor (+ meervoud?)
angst (meervoud: pavores)
angustus
nauw
arduus
steil
evadere
ontsnappen
deesse (+ dat.)
ontbreken (aan)
palus (+ meervoud?)
moeras (meervoud: paludes)
caput (+ meervoud?)
hoofd (meervoud: capita)
equitatus, -us (groep 4)
ruiterij, ridderstand
posterus
volgend
dies (groep 5)
dag
fides (groep 5)
trouw, erewoord
milia (meervoud) (groep 3)
duizend
servare
redden, bewaren
vinculum
band, boei
res (groep 4)
zaak, ding
rem gerere
oorlog voeren
sedes (+ meervoud?)
zetel, woonplaats (meervoud: sedes)
ac
en
contra (bijw.)
daarentegen
contra (+ acc.) (voorz.)
tegen
inimicus
vijand (zelfstandig naamwoord), vijandig (bijvoeglijk naamwoord)