Nederlands 2.2 Irregular Verbs

0.0(0)
Studied by 2 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/96

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Last updated 1:47 PM on 9/2/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

97 Terms

1
New cards

aandoen - deed aan / deden aan - hebben aangedaan

put on - takmak

2
New cards

aankomen - kwam aan / kwamen - zijn aangekomen

arrive - gelmek

3
New cards

aflopen - liep af / liepen af - zijn afgelopen

expire - bitmek

4
New cards

aanvragen - vroeg aan / vroegen aan - hebben aangevraagd

applicate - başvurmak

5
New cards

afwassen - waste af / wasten af - hebben afgewassen

do the dishes

6
New cards

bakken - bakte / bakten - hebben gebakken

pişirmek

7
New cards

beginnen - begon / begonnen - zijn begonnen

begin - başlamak

8
New cards

begrijpen - begreep / begrepen - hebben begrepen

to understand

9
New cards

bewegen - bewoog / bewogen - hebben bewogen

move - hareket etmek

10
New cards

bezoeken - bezocht / bezochten - hebben bezocht

visit

11
New cards

bijten - beet / beten - hebben gebeten

bite - ısırmak

12
New cards

blazen - blies / bliezen - hebben geblazen

blow - üflemek

13
New cards

blijven - bleef / bleven - zijn gbleven

stay - kalmak

14
New cards

breken - brak / braken - hebben gebroken

break - kırmak

15
New cards

brengen - brak / braken - hebben gebroken

bring - getirmek

16
New cards

denken - dacht / dachten - gedronken

think - düşünmek

17
New cards

doen - deed / deden - hebben gedaan

to do

18
New cards

dragen - droeg / droegen - hebben gedragen

wear - giymek

19
New cards

drinken - dronk / dronken - hebben gedronek

drink

20
New cards

eten - at / aten - heben gegeten

yemek

21
New cards

gaan - ging / gingen - zijn gegaan

to go

22
New cards

genezen - genas / genazen - hebben genenzen

heal - iyileşmek

23
New cards

geven - gaf / gaven - hebben gegeven

to give - vermek

24
New cards

gieten - goot / goten - hebben gegoten

pour - dökem

25
New cards

hangen - hing / hingen - hebben gehangen

to hang - asmak

26
New cards

hebben - had / hadden - hebben gehad

to have

27
New cards

helpen - hielp / hielpen - hebben geholpen

to help

28
New cards

houden (van) - hield / hielden - hebben gehouden

to love

29
New cards

innemen - nam in / namen in - hebben ingenomen

to take - almak

30
New cards

kiezen - koos / kozen - hebben gekozen

choose - seçmek

31
New cards

kijken - keek / keken - hebben gekeken

to look

32
New cards

komen - kwam / kwamen - zijn gekomen

to come

33
New cards

kopen - kocht / kochten - hebben gekocht

to buy

34
New cards

krijgen - kreeg / kregen - hebben gekregen

receive - almak

35
New cards

kunnen - kon / konden - hebben gekund

to can

36
New cards

laten - liet / lieten - hebben gelaten

to let - bırakmak

37
New cards

lezen - las / lazen - hebben gelezen

read

38
New cards

liggen - lag / lagen - hebben gelegen

uzanmak

39
New cards

lopen - liep / liepen - hebben/zijn gelopen

walk - yürümek

40
New cards

meenemen - nam mee / namen mee - hebben meegenomen

ake along - takeaway - götürmek, yanına almak - paket yapmak

41
New cards

moeten - moest / moesten - hebben gemoeten

have to

42
New cards

mogen - mocht / mochten - hebben gemogen

may

43
New cards

nakijken - keek na / keken na - hebben nagekeken

check - kontrol etmek

44
New cards

nemen - nam / namen - hebben genomen

to take

45
New cards

onderzoeken - onderzocht / onderzochten - hebben onderzocht

research - araştırmak

46
New cards

ontbijten - ontbeet / ontbeten - hebben ontbeten

to have a breakfast

47
New cards

opkomen - kwam op / kwamen op - zijn opgekomen

appear - ortaya çıkmak

48
New cards

opnemen - nam op / namen op - hebben opgenomen

record - kaydetmek

49
New cards

opstaan - stond op / stonden op - zijn opgestaan

get up

50
New cards

opzoeken - zocht op / zochten op - hebben opgezocht

look up - aramak

51
New cards

oversteken - stak over / staken over - zijn overgestoken

cross - (karşıya) geçmek

52
New cards

rijden - reed / reden - hebben / zijn gereden

drive

53
New cards

roepen - riep / riepen - hebben geroepen

to call - seslenmek - çağırmak

54
New cards

scheiden - scheidde / scheidden - zijn geschenen

divorce - ayrılmak

55
New cards

schijnen - de zon scheen - de zon heeft geschenen

-

56
New cards

slapen - sliep / sliepen - hebben geslapen

sleep

57
New cards

sluiten - sloot / sloten - hebben gesloten

to close

58
New cards

snijden - sneed / sneden - hebben gesneden

cut - kesmek

59
New cards

spreken - sprak / spraken - hebben gesproken

speak

60
New cards

springen - sprong / sprongen - hebben gesprongen

to jump

61
New cards

staan - stond / stonden - hebben gestaan

stand

62
New cards

sterven - stierf / stierven - zijn gestroven

to die - ölmek

63
New cards

strijken - streek / streken - hebben gestreken

ütülemek

64
New cards

treffen - trof / toffen - hebben getroffen

to meet - buluşmak

65
New cards

trekken - trok / trokken - hebben getrokken

pull - çekmek

66
New cards

uitdoen - deed uit / deden uit - hebben uitgedaan

take off - çıkarmak

67
New cards

uitgaan - ging uit / gingen uit - zijn uitgegaan

to go out - dışarı çıkmak

68
New cards

uittrekken - trok uit / trokken uit - hebben uitgetrokken

pull out - çıkarmak

69
New cards

vallen - viel / vielen - zijn gevallen

to fall - düşmek

70
New cards

verbieden - verbood / verboden - hebben verboden

prohibit - yasaklamak

71
New cards

vergeten - vergat / vergaten - hebben / zijn vergeten

forget

72
New cards

verkopen - verkocht / verkochten - hebben verkocht

to sell - satmak

73
New cards

verliezen - verloor / verloren - hebben verloren

to lose - kaybetmek

74
New cards

vermijden - vermeed / vermeden - hebben vermeden

avoid - önlemek

75
New cards

verstaan - verstond / verstonden - hebben verstaan

understand - anlamak

76
New cards

vertrekken - vertrok / vertrokken - zijn vertrokken

to leave

77
New cards

vervangen - verving / vervingen - hebben vervangen

to replace - değiştirmek

78
New cards

vinden - vond / vonden - hebben gevonden

to find

79
New cards

vliegen - vloog / vlogen - hebben / zijn gevlogen

to fly - uçmak

80
New cards

voorkomen - voorkwam / voorkwamen - hebben voorkomen

to prevent - önlemek

81
New cards

vragen - vroeg / vroegen - hebben gevraagd

to ask

82
New cards

vriezen - het vroor - het heeft gevroren

freeze - donmak

83
New cards

wassen - waste / wasten - hebben gewassen

to wash

84
New cards

wegen - woog / wogen - hebben gewogen

to weigh - tartmak - wegen isim olarak yollar demek

85
New cards

weten - wist / wisten - hebben geweten

to know

86
New cards

wijzen - wees / wezen - hebben gewezen

to point - işaret etmek

87
New cards

willen - wou / wilde / wilden - hebben gewild

to want

88
New cards

winnen - won / wonnen - hebben gewonnen

to win

89
New cards

worden - werd / werden - zijn geworden

to become - olmak

90
New cards

zeggen - zei / zeiden - hebben gezegd

to say

91
New cards

zien - zag / zagen - hebben gezien

to see

92
New cards

zijn - was / waren - zijn geweest

to be

93
New cards

zingen - zong / zongen - hebben gezongen

to sing

94
New cards

zitten - zong / zongen - hebben gezeten

oturmak

95
New cards

zoeken - zocht / zochten - hebben gezetten

aramak - bakmak

96
New cards

zullen - zou / zouden -

will gelecek zaman

97
New cards

zwemmen - zwom / zwommen - hebben / zijn gezwommen

to swim