Studietaak 2.1 Trait theory of personality

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/92

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 3:54 PM on 7/20/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

93 Terms

1
New cards
Persoonlijkheidstrek / trek
Een relatief stabiel psychologisch kenmerk dat verwijst naar consistente patronen in gedrag, gevoelens of denken over tijd en situaties heen. Een trek beschrijft geen losse handeling, maar een brede dispositie: een algemene neiging om op een bepaalde manier te reageren. Trekken onderscheiden mensen van elkaar en worden gebruikt om persoonlijkheid te beschrijven, voorspellen en soms te verklaren.
2
New cards
Dispositie / dispositioneel construct
Een onderliggende neiging of aanleg om bepaald gedrag, bepaalde gevoelens of bepaalde gedachten te vertonen. Binnen de trektheorie betekent dit dat iemand waarschijnlijker is om trekconsistent gedrag te laten zien, zonder dat dit in elke afzonderlijke situatie hoeft te gebeuren.
3
New cards
Consistentie
Het betekenisaspect van trekken dat verwijst naar regelmaat in gedrag, gevoelens of denken. Een persoon die hoog scoort op een bepaalde trek vertoont gemiddeld genomen vaker gedrag dat bij die trek past, over langere tijd en in meerdere relevante situaties.
4
New cards
Onderscheidendheid
Het betekenisaspect van trekken dat aangeeft dat trektheorie vooral gaat over psychologische kenmerken waarin mensen van elkaar verschillen. Trekken beschrijven individuele verschillen, niet algemene menselijke vermogens die vrijwel iedereen bezit.
5
New cards
Trektheorie
Een benadering binnen de persoonlijkheidspsychologie die persoonlijkheid verklaart vanuit relatief stabiele trekken of predisposities. Trektheoretici gaan ervan uit dat mensen verschillen in brede neigingen tot gedrag, emotie en denken, en dat deze verschillen systematisch gemeten en geordend kunnen worden.
6
New cards
Beschrijving
Een wetenschappelijke functie van trekconstructen waarbij trekken worden gebruikt om iemands typische gedrag en persoonlijkheidsstijl samen te vatten. Beschrijving vormt binnen de wetenschap een eerste stap: vaststellen hoe personen gemiddeld genomen verschillen.
7
New cards
Voorspelling
Een wetenschappelijke functie van trekken waarbij scores op persoonlijkheidstrekken worden gebruikt om toekomstige of externe uitkomsten te voorspellen, zoals prestaties op het werk, gezondheidsuitkomsten, studiegedrag of kenmerken van iemands persoonlijke omgeving.
8
New cards
Verklaring
Een wetenschappelijke functie waarbij men probeert te begrijpen waarom bepaald gedrag optreedt. Binnen de trektheorie is dit omstreden: sommige theoretici zien trekken vooral als beschrijvende constructen, terwijl anderen proberen onderliggende biologische of causale mechanismen te identificeren.
9
New cards
Persoonlijkheidstaxonomie
Een classificatiesysteem waarmee personen worden geordend op basis van persoonlijkheidstrekken. Een trektaxonomie probeert een overzichtelijke set dimensies te bieden waarmee individuele verschillen systematisch beschreven kunnen worden.
10
New cards
Hiërarchische organisatie van trekken
Het idee dat persoonlijkheid op meerdere niveaus kan worden geordend, van specifieke reacties naar gewoonten, van gewoonten naar trekken en van trekken naar hogere-ordefactoren of superfactoren.
11
New cards
Specifieke reactie
Een concreet, afzonderlijk gedragsmoment op het laagste niveau van Eysencks trekkenhiërarchie. Meerdere samenhangende specifieke reacties kunnen samen een gewoonte vormen.
12
New cards
Gewoonte
Een herhaald patroon van specifieke reacties dat vaker voorkomt bij een persoon. Binnen Eysencks hiërarchie vormen groepen samenhangende gewoonten de basis voor bredere trekken.
13
New cards
Factoranalyse
Een statistische techniek waarmee patronen in correlaties tussen veel variabelen, items of gedragingen worden samengevat in een kleiner aantal factoren. Binnen de trektheorie wordt factoranalyse gebruikt om onderliggende trekdimensies te identificeren, maar de techniek zelf verklaart niet waarom variabelen samenhangen.
14
New cards
Correlatie
Een statistische samenhang tussen twee variabelen. Positieve correlatie betekent dat hoge scores op de ene variabele samengaan met hoge scores op de andere; negatieve correlatie betekent dat hoge scores op de ene variabele samengaan met lage scores op de andere.
15
New cards
Factor
Een wiskundige dimensie die via factoranalyse wordt gevonden en een cluster van samenhangende items of gedragingen samenvat. Psychologen geven factoren vervolgens een psychologisch label, zoals sociabiliteit, extraversie of neuroticisme.
16
New cards
Primaire trekdimensie
Een basale persoonlijkheidsdimensie waarmee individuele verschillen op een fundamenteel niveau kunnen worden beschreven. Trekpsychologen proberen zulke dimensies te identificeren om de grote hoeveelheid mogelijke trektermen te vereenvoudigen.
17
New cards
Allport
Een vroege en invloedrijke trektheoreticus die trekken zag als basiseenheden van persoonlijkheid, geworteld in het zenuwstelsel. Hij benadrukte individuele uniciteit, verschillende soorten trekken en het belang van functionele autonomie.
18
New cards
Kardinale trek
Een zeer overheersende trek die zo doordringend is dat vrijwel iemands hele gedrag ermee in verband kan worden gebracht. Volgens Allport hebben de meeste mensen weinig of geen kardinale trekken.
19
New cards
Centrale trek
Een belangrijke, relatief algemene persoonlijkheidstrek die iemands gedrag in meerdere situaties beschrijft, maar minder allesoverheersend is dan een kardinale trek. Voorbeelden zijn eerlijkheid, vriendelijkheid en assertiviteit.
20
New cards
Secundaire dispositie
Een minder opvallende, minder algemene en minder consistente trek. Secundaire disposities komen vooral tot uiting in specifieke situaties of voorkeuren en hebben een beperkter bereik dan centrale trekken.
21
New cards
Frequentie, intensiteit en bereik
Drie kenmerken waarmee Allport trekken beschreef. Frequentie gaat over hoe vaak trekgedrag voorkomt, intensiteit over de sterkte ervan en bereik over de variatie aan situaties waarin de trek zichtbaar wordt.
22
New cards
Functionele autonomie
Allports idee dat volwassen motieven zelfstandig kunnen worden ten opzichte van hun oorspronkelijke kinderlijke of spanningsreducerende oorsprong. Een activiteit die eerst middel was om goedkeuring, veiligheid of behoeftebevrediging te bereiken, kan later een intrinsiek doel op zichzelf worden.
23
New cards
Idiografische benadering
Een onderzoeksstrategie die zich richt op het unieke individu en op de specifieke organisatie van trekken binnen één persoon. Allport gebruikte deze benadering omdat diepgaande casusstudies volgens hem ook algemene inzichten over persoonlijkheid kunnen opleveren.
24
New cards
Nomothetische benadering
Een onderzoeksstrategie die grote groepen mensen onderzoekt met dezelfde set variabelen of trekken. Het doel is algemene wetmatigheden en universele persoonlijkheidsdimensies te vinden.
25
New cards
Cattell
Een invloedrijke trektheoreticus die factoranalyse gebruikte om de basiselementen van persoonlijkheid te identificeren. Hij onderscheidde oppervlaktetrekken en brontrekken, ontwikkelde de 16PF-vragenlijst en gebruikte L-data, Q-data en OT-data als gegevensbronnen.
26
New cards
Oppervlaktetrek
Een waarneembare groep gedragsneigingen of trektermen die aan de oppervlakte zichtbaar is en onderling samenhangt. Bij Cattell vormen oppervlaktetrekken het beschrijvende niveau waarop gedrag wordt geordend.
27
New cards
Brontrek
Een onderliggende, interne persoonlijkheidsstructuur die volgens Cattell de samenhang tussen oppervlaktetrekken verklaart. Brontrekken worden via factoranalyse geïdentificeerd en vormen in Cattells theorie de kernstructuren van persoonlijkheid.
28
New cards
Bekwaamheidstrek
Een type brontrek bij Cattell dat verwijst naar vaardigheden en vermogens die iemand helpen effectief te functioneren. Intelligentie is een voorbeeld van een bekwaamheidstrek.
29
New cards
Temperamenttrek
Een type brontrek bij Cattell dat betrekking heeft op iemands emotionele leven en gedragsstijl, zoals kalm versus emotioneel reageren, snel versus langzaam werken of impulsief versus bedachtzaam handelen.
30
New cards
Dynamische trek
Een type brontrek bij Cattell dat verwijst naar motivatie, streven en het motivationele leven van het individu. Dynamische trekken verklaren verschillen in waar mensen energie, inzet en doelgerichtheid op richten.
31
New cards
L-data
Levensloopgegevens of gedragsgegevens uit echte alledaagse situaties, zoals schoolprestaties, sociale interacties of gedragsbeoordelingen. Cattell gebruikte L-data als één van de drie bronnen om persoonlijkheidstrekken te identificeren.
32
New cards
Q-data
Zelfrapportagegegevens uit vragenlijsten waarin mensen uitspraken over zichzelf beoordelen. Q-data zijn nuttig voor het meten van trekken, maar kunnen beïnvloed worden door zelfbedrog, sociale wenselijkheid of gemotiveerde vertekening.
33
New cards
OT-data
Objectieve-testgegevens uit gedragsmatige minisituaties waarin de proefpersoon meestal niet weet welk persoonlijkheidskenmerk wordt gemeten. Cattell zag OT-data als belangrijk omdat ze minder afhankelijk zijn van zelfrapportage.
34
New cards
16PF-vragenlijst
Cattells Sixteen Personality Factor Questionnaire, een vragenlijst die zestien persoonlijkheidsfactoren meet. De 16PF is ontwikkeld vanuit factoranalytisch onderzoek en bevat factoren die deels overeenkomen met L-data en deels specifiek zijn voor vragenlijstmethoden.
35
New cards
Toestand
Een tijdelijke emotie, stemming of psychologische conditie op een specifiek moment, zoals angst, depressie, vermoeidheid, arousal of nieuwsgierigheid. Cattell benadrukte dat gedrag niet alleen door trekken, maar ook door actuele toestanden wordt bepaald.
36
New cards
Rol
De sociale positie of functie die iemand in een bepaalde situatie vervult en die gedrag mede bepaalt. Rollen verklaren waarom iemand zich in verschillende contexten anders kan gedragen, bijvoorbeeld als werknemer, student, vriend of sporttegenstander.
37
New cards
Eysenck
Een trektheoreticus die met factoranalyse en secundaire factoranalyse een eenvoudige persoonlijkheidsstructuur formuleerde. Zijn model bestaat uit drie onafhankelijke superfactoren: psychoticisme, extraversie en neuroticisme.
38
New cards
Secundaire factoranalyse
Een factoranalyse van eerder gevonden factoren. Eysenck gebruikte deze methode om hogere-ordefactoren te identificeren die de samenhang tussen lagere trekfactoren samenvatten.
39
New cards
Superfactor
Een hoge-ordetrek op het hoogste niveau van een trekkenhiërarchie. Bij Eysenck zijn superfactoren brede, onafhankelijke dimensies die meerdere lagere trekken ordenen, zoals extraversie en neuroticisme.
40
New cards
PEN-model
Eysencks model van persoonlijkheid met drie superfactoren: Psychoticisme, Extraversie en Neuroticisme. Het model probeert persoonlijkheid spaarzaam te beschrijven met een kleine set brede, biologisch relevante dimensies.
41
New cards
Extraversie
Een persoonlijkheidsdimensie die bij Eysenck samenhangt met sociabiliteit, activiteit, levendigheid en behoefte aan stimulatie. Extraverten zoeken gemiddeld vaker sociale en prikkelrijke situaties op en ervaren volgens Eysenck bij dezelfde stimulus minder corticale arousal dan introverten.
42
New cards
Introversie
De lage pool van de introversie-extraversiedimensie. Introverte personen zijn gemiddeld stiller, minder gericht op sociale stimulatie en volgens Eysenck sneller corticaal geprikkeld, waardoor intense prikkels eerder als overprikkelend kunnen worden ervaren.
43
New cards
Neuroticisme
Een superfactor die verwijst naar emotionele instabiliteit, angstigheid, depressiviteit, verlegenheid en humeurigheid. Eysenck koppelde neuroticisme aan snelle en sterke reacties van het autonome zenuwstelsel en het limbisch systeem op stress.
44
New cards
Psychoticisme
Een superfactor in Eysencks model die in extreme vorm samenhangt met agressiviteit, gebrek aan empathie, interpersoonlijke kilte en antisociale gedragsneigingen. De biologische basis ervan werd onder meer gezocht in genetische factoren, testosteron en dopamine.
45
New cards
Citroendruppeltest
Een objectieve test van Eysenck waarbij een standaardhoeveelheid citroensap op de tong wordt aangebracht en de hoeveelheid speeksel wordt gemeten. De test werd gebruikt om verschillen tussen introverte en extraverte personen te onderzoeken.
46
New cards
Corticale arousal
De mate van activatie of prikkeling van de hersenschors. Eysenck stelde dat introverte mensen bij dezelfde prikkel meer corticale arousal ervaren dan extraverte mensen, wat verschillen in sociale stimulatiebehoefte kan verklaren.
47
New cards
Limbisch systeem
Een lager gelegen hersensysteem dat betrokken is bij emotionele arousal. Eysenck koppelde neuroticisme aan het functioneren van het limbisch systeem en de regulatie van lichamelijke stressreacties.
48
New cards
Autonoom zenuwstelsel
Het deel van het zenuwstelsel dat lichamelijke arousal reguleert, zoals hartslag en zweetklieractiviteit. Volgens Eysenck reageren mensen met hoog neuroticisme sterker en langduriger via dit systeem op stress.
49
New cards
Biologische grondslag van trekken
Het idee dat individuele verschillen in persoonlijkheidstrekken mede voortkomen uit erfelijke, neurale of biochemische systemen. Vooral Eysenck probeerde trekken te koppelen aan hersenactiviteit, arousal, genetische factoren, hormonen en neurotransmitters.
50
New cards
Erfelijkheid
De mate waarin individuele verschillen in trekken samenhangen met genetische factoren. Binnen de trektheorie betekent een biologische basis niet dat gedrag volledig vastligt; ervaringen en situaties blijven mede bepalend.
51
New cards
Dopamine
Een neurotransmitter die in de tekst wordt genoemd als mogelijk betrokken bij psychoticisme. Hogere psychoticismescores zijn in onderzoek in verband gebracht met meer dopamine-gerelateerde neurale activiteit.
52
New cards
Testosteron
Een hormoon dat in de tekst wordt genoemd als mogelijke biologische factor bij agressiviteit, een component van psychoticisme. Eysenck koppelde psychoticisme deels aan mannelijkheid en genetische invloeden.
53
New cards
Leugenschaal
Een onderdeel van sommige persoonlijkheidsvragenlijsten waarmee wordt geprobeerd te detecteren of iemand antwoorden geeft die sociaal wenselijk zijn of bedoeld zijn om beter over te komen.
54
New cards
Gemotiveerde vertekening
Vertekening in vragenlijstreacties doordat iemand zichzelf bewust of onbewust gunstiger, consistenter of anders presenteert dan feitelijk het geval is. Cattell zag dit als een beperking van Q-data.
55
New cards
Zelfbedrog
Een vorm van vertekening waarbij iemand oprecht gelooft aan een positief of onjuist zelfbeeld. Dit kan zelfrapportagegegevens beïnvloeden omdat mensen niet altijd volledig accuraat over zichzelf rapporteren.
56
New cards
Psychodynamische theorie
Een persoonlijkheidsperspectief dat gedrag mede verklaart vanuit onbewuste conflicten, afweer en vroege ervaringen. In dit hoofdstuk wordt dit perspectief gebruikt als contrast met de trektheorie, omdat psychodynamische theorie juist kan verwachten dat gerapporteerd gedrag niet direct overeenkomt met onderliggende motieven.
57
New cards
Strategisch extravert gedrag
Gedrag waarbij iemand zich extravert voordoet of extravert handelt om een doel te bereiken, zonder noodzakelijkerwijs hoog te scoren op extraversie. Dit nuanceert de trekveronderstelling dat gedrag direct overeenkomt met bezit van een trek.
58
New cards
Sociale normen
Gedeelde verwachtingen over welk gedrag in een bepaalde context gepast is. Trekken komen volgens de tekst niet los van context tot uiting; zelfs een sociaal persoon gedraagt zich sociaal binnen situaties waarin sociaal gedrag passend is.
59
New cards
Situationele invloed
De invloed van de directe context op gedrag. Trektheorie erkent dat gedrag varieert per situatie; trekken beschrijven gemiddelde neigingen, terwijl situaties verklaren waarom iemand niet altijd hetzelfde gedrag vertoont.
60
New cards
Gedragstherapie
Een therapeutische benadering die leerprincipes systematisch toepast om gedrag te veranderen. Eysenck was optimistisch over gedragsverandering, omdat genetische predisposities niet betekenen dat gedrag onveranderlijk is.
61
New cards
Trekterm
Een woord waarmee een persoonlijkheidstrek wordt benoemd, zoals aardig, sociaal, consciëntieus, agressief of introvert. Trektermen beschrijven typische manieren van denken, voelen en handelen en verwijzen naar gedragspatronen die relatief consistent zijn over tijd en situaties.
62
New cards
Trekconsistent gedrag
Gedrag dat past bij de persoonlijkheidstrek die aan iemand wordt toegeschreven. Trektheoretici verwachten geen volledige consistentie in elke situatie, maar wel dat iemand gemiddeld genomen vaker gedrag vertoont dat overeenkomt met de betreffende trek.
63
New cards
Predispositie
Een algemene aanleg of neiging om op een bepaalde manier te reageren. In de trektheorie vormen predisposities de fundamentele bouwstenen van persoonlijkheid: ze vergroten de kans op bepaald gedrag, maar bepalen gedrag niet volledig.
64
New cards
Individuele verschillen
Systematische verschillen tussen personen in gedrag, gevoelens, gedachten of psychologische kenmerken. De trektheorie richt zich vooral op zulke verschillen, omdat trekken bedoeld zijn om te beschrijven waarin mensen relatief stabiel van elkaar verschillen.
65
New cards
Universele trekdimensies
Persoonlijkheidsdimensies waarop alle mensen in meer of mindere mate kunnen worden geplaatst. Cattell en Eysenck probeerden zulke universele dimensies te identificeren om een algemene taxonomie van persoonlijkheidsverschillen te ontwikkelen.
66
New cards
Basisdimensies van persoonlijkheid
Fundamentele persoonlijkheidsdimensies die een groot deel van de variatie tussen mensen samenvatten. In factoranalytische trektheorieën worden basisdimensies gezocht door patronen van samenhang tussen veel trektermen of testitems te analyseren.
67
New cards
Correlatief bewijs
Wetenschappelijk bewijs dat gebaseerd is op samenhangen tussen gemeten variabelen. Binnen de trektheorie is correlatief bewijs belangrijk omdat onderzoekers nagaan of gemeten trekken samenhangen met gedrag, levensuitkomsten of biologische indicatoren.
68
New cards
Experimentele methode
Een onderzoeksmethode waarbij variabelen actief worden gemanipuleerd om causale effecten vast te stellen. De tekst benadrukt dat trektheoretici historisch vooral correlatief werk deden, maar dat erkenning van veranderbaarheid van trekken ruimte biedt voor meer experimenteel onderzoek.
69
New cards
Causale basis
De onderliggende oorzaak of het mechanisme waardoor een trek tot bepaald gedrag leidt. In biologische trektheorieën wordt gezocht naar neurale, genetische of biochemische systemen die als causale basis van individuele verschillen kunnen dienen.
70
New cards
Covariatie
Het samen variëren van twee of meer variabelen. Factoranalyse identificeert patronen van covariatie tussen testitems of gedragingen, maar verklaart op zichzelf niet waarom die variabelen samen variëren.
71
New cards
Subjectieve keuzes bij factoranalyse
Keuzes van de onderzoeker over hoe factoranalyse precies wordt uitgevoerd en geïnterpreteerd, bijvoorbeeld over het aantal factoren en de psychologische labels. Daardoor kunnen verschillende onderzoekers met vergelijkbare methoden toch tot verschillende trekmodellen komen.
72
New cards
Betrouwbare en valide meting
Meting die consistent is en daadwerkelijk meet wat zij beoogt te meten. Trektheoretici benadrukken dat persoonlijkheidstheorie moet worden gebaseerd op zorgvuldige meetinstrumenten en niet alleen op klinische intuïtie of speculatie.
73
New cards
LOTS-classificatie
Een indeling van gegevensbronnen in persoonlijkheidsonderzoek. De tekst koppelt Cattells onderscheid tussen L-data, Q-data en OT-data aan deze bredere classificatie van manieren waarop persoonlijkheidsgegevens kunnen worden verzameld.
74
New cards
Eysenck Personality Questionnaire
Een zelfrapportagevragenlijst van Eysenck om individuele verschillen in psychoticisme, extraversie en neuroticisme te meten. De vragenlijst bevat ook items die sociaal wenselijk of vervalst antwoorden moeten helpen opsporen.
75
New cards
Eysenck Personality Inventory
Een eerdere vragenlijst van Eysenck die persoonlijkheidsverschillen via zelfrapportage meet, vooral op dimensies zoals extraversie en neuroticisme. In de tekst wordt deze genoemd als voorbeeld van Q-data.
76
New cards
Introversie-extraversie
Een continue persoonlijkheidsdimensie met introversie en extraversie als polen. Bij Eysenck is dit een superfactor die onder meer sociale gerichtheid, activiteit en behoefte aan stimulatie ordent.
77
New cards
Emotionele stabiliteit versus instabiliteit
Een alternatieve aanduiding voor de neuroticismedimensie. Emotionele stabiliteit verwijst naar relatief kalm en evenwichtig functioneren, terwijl emotionele instabiliteit verwijst naar angstigheid, humeurigheid en sterke stressreacties.
78
New cards
P, E en N
De afkorting voor de drie superfactoren in Eysencks model: psychoticisme, extraversie en neuroticisme. Samen vormen zij het PEN-model van persoonlijkheidsstructuur.
79
New cards
Sociabiliteit
De neiging om sociaal contact op te zoeken en plezier te hebben in omgang met anderen. In Eysencks hiërarchie kan sociabiliteit een lagere trek zijn die samen met activiteit en levendigheid onder de superfactor extraversie valt.
80
New cards
Consciëntieusheid
Een persoonlijkheidstrek die verwijst naar ordelijkheid, betrouwbaarheid, plichtsbesef en doelgerichtheid. In de tekst wordt consciëntieusheid gebruikt als voorbeeld van een trek die gedrag kan beschrijven en levensuitkomsten kan voorspellen.
81
New cards
Agressiviteit
Een gedragsneiging die samenhangt met vijandigheid of schadelijk optreden tegenover anderen. Bij Eysenck wordt agressiviteit genoemd als component van psychoticisme en mogelijk biologisch gerelateerd aan onder meer testosteron.
82
New cards
Antisociale gedragsneigingen
Neigingen tot gedrag dat ingaat tegen sociale normen, regels of belangen van anderen. In Eysencks theorie hangen antisociale gedragsneigingen in extreme vorm samen met psychoticisme en met zwakke aanleerprocessen van maatschappelijke normen.
83
New cards
Neurotische symptomen
Psychologische klachten zoals sterke angst, spanning of emotionele ontregeling. Eysenck koppelde neurotische symptomen aan hoge neuroticismescores en aan biologische systemen die sterke emotionele reacties op stress ondersteunen.
84
New cards
Psychopathologie
De studie en aanwezigheid van psychische stoornissen of abnormale psychologische patronen. Eysenck probeerde psychopathologie te verbinden met basale persoonlijkheidstrekken en onderliggende zenuwstelselprocessen.
85
New cards
Gedragsverandering
Verandering in aangeleerde gedragspatronen door nieuwe ervaringen, leerprocessen of therapie. Eysenck benadrukte dat erfelijke predisposities gedrag beïnvloeden, maar gedragsverandering niet onmogelijk maken.
86
New cards
Therapeutisch nihilisme
De opvatting dat behandeling of gedragsverandering zinloos zou zijn omdat problemen biologisch of erfelijk bepaald zijn. Eysenck verwierp dit: genetische invloeden betekenen volgens hem predisposities, geen onveranderlijke lotsbestemming.
87
New cards
Bekrachtigingscontingenties
Situatiegebonden verbanden tussen gedrag en de gevolgen ervan, zoals beloning of straf. Behavioristen gebruiken bekrachtigingscontingenties om variatie in gedrag tussen situaties te verklaren, als contrast met de nadruk van de trektheorie op gemiddelde consistentie.
88
New cards
Circulaire verklaring
Een schijnverklaring waarbij het gedrag wordt verklaard met dezelfde term waarmee het gedrag eerst is beschreven. Eysenck wilde dit probleem vermijden door trekken niet alleen beschrijvend te gebruiken, maar ook te koppelen aan onafhankelijke biologische mechanismen.
89
New cards
Zelfrapportage
Een methode waarbij personen zelf vragen beantwoorden over hun gedrag, gevoelens, gedachten of eigenschappen. Zelfrapportage is belangrijk in Q-data en vragenlijstonderzoek, maar kan worden beïnvloed door sociale wenselijkheid, zelfbedrog en gemotiveerde vertekening.
90
New cards
Objectieve meting
Een meting die minder afhankelijk is van subjectieve zelfbeoordeling, bijvoorbeeld gedragsmatige tests of fysiologische indicatoren. Cattell en Eysenck ontwikkelden objectieve metingen om persoonlijkheidstrekken onafhankelijker te kunnen onderzoeken.
91
New cards
Erfelijke biologische factoren
Genetisch beïnvloede biologische kenmerken die bijdragen aan individuele verschillen in persoonlijkheidstrekken. De tekst benadrukt dat zulke factoren belangrijk kunnen zijn, maar altijd samen werken met ontwikkelingservaringen en situaties.
92
New cards
Beloningsgevoeligheid
De mate waarin iemand gemotiveerd is om positieve, doelgerelateerde beloningen te verkrijgen. In de tekst wordt beloningsgevoeligheid genoemd als mogelijke interpretatie van de kern van extraversie binnen hedendaags factoranalytisch onderzoek.
93
New cards
Sociale aandacht
De mate waarin iemand het prettig vindt om aandacht van anderen te krijgen of in het middelpunt van sociale aandacht te staan. De tekst noemt sociale aandacht als alternatieve interpretatie van de kern van extraversie.