Studietaak 2.1 Trait theory of personality
Vragen die in dit hoofdstuk worden behandeld
Een blik op de trektheoretici
De visie van de trektheorie op de persoon
De visie van de trektheorie op de wetenschap van persoonlijkheid
Trektheorieën van persoonlijkheid: basisperspectieven die trektheoretici delen
De trektheorie van Gordon W. Allport (1897-1967)
Primaire trekdimensies identificeren: factoranalyse
De factoranalytische trektheorie van Raymond B. Cattell (1905-1998)
De driefactorentheorie van Hans J. Eysenck (1916-1997)
Belangrijke begrippen
Herhaling
Focus van het hoofdstuk
Chris is net afgestudeerd aan de universiteit en is begonnen met een baan in een nieuwe stad. Hij voelt zich eenzaam en wil graag nieuwe mensen ontmoeten. Na enige aarzeling besluit hij een contactadvertentie te plaatsen. Hij staart naar het lege computerscherm: wat moet hij schrijven? Welke persoonlijkheidskenmerken zou jij kiezen om jezelf te beschrijven? Hij kiest: “Onconventioneel, gevoelig, levenslustig, gelukkig, humoristisch, aardig, slank, afgestudeerd, 22, zoekt soortgelijke eigenschappen in een verstandige soulmate.” Iemand die zo kan worden beschreven, kan inderdaad een aantrekkelijke date zijn!
De persoonlijkheidskenmerken die Chris heeft beschreven, staan bekend als persoonlijkheidstrekken. Persoonlijkheidstrekken zijn psychologische kenmerken die stabiel zijn in de tijd en over situaties heen. De kans is groot dat iemand die vandaag gevoelig en aardig is, dat over een maand ook nog is. Dit hoofdstuk gaat over trekken, gedefinieerd als brede disposities om zich op bepaalde manieren te gedragen.
Concreet leer je in dit hoofdstuk over drie theorieën over persoonlijkheidstrekken en de bijbehorende onderzoeksprogramma’s. Twee van deze theorieën — die van Hans Eysenck en Raymond Cattell — proberen de basisdimensies van persoonlijkheidstrekken te identificeren: basiskenmerken die iedereen in meer of mindere mate bezit. De twee bijbehorende onderzoeksprogramma’s steunen op een specifieke statistische procedure: factoranalyse. Deze procedure wordt gebruikt om de meest fundamentele individuele verschillen in persoonlijkheidstrekken vast te stellen.
Historisch gezien is de trekbenadering populair geweest in de Amerikaanse en Britse psychologie en, in de recentere periode van het vakgebied, ook binnen de persoonlijkheidspsychologie in Europa. Een deel van die populariteit weerspiegelt de methodologische verfijning van factoranalytische onderzoeksmethoden en de relatief consistente onderzoeksresultaten die deze opleveren. Een ander deel van de populariteit is geworteld in het gezond-verstand-karakter van de trektheorie: wetenschappelijke theorieën over persoonlijkheidstrekken spreken intuïtief aan omdat hun basiseenheden van analyse — persoonlijkheidstrekken — lijken op eenvoudige, niet-wetenschappelijke, alledaagse opvattingen over persoonlijkheid.
Vragen die in dit hoofdstuk worden behandeld
Op welke belangrijkste manieren verschillen individuen van elkaar in gevoelens, gedachten en gedrag? Hoeveel verschillende trekken zijn nodig om deze persoonlijkheidsverschillen adequaat te beschrijven?
Heeft ieder mens een unieke set persoonlijkheidstrekken, of is het mogelijk een universele set trekken te identificeren die kan dienen als taxonomie van individuele verschillen?
Als individuen kunnen worden beschreven aan de hand van hun kenmerkende trekken, hoe verklaren we dan variatie in gedrag over tijd en situaties heen?
Als we geen nauwkeurige metingen hadden, zou er geen hedendaagse wetenschap zijn. In de geschiedenis van de natuurkunde hadden Galileo en Newton meer nodig dan verfijnde wiskunde. Zij hadden ook relatief precieze metingen van tijd en massa nodig om de juistheid van hun wiskundig onderbouwde voorspellingen te verifiëren.
Hedendaagse psychologische wetenschappers begrijpen de waarde van meten. Sterker nog: de formele studie van meetpraktijken vormt een afzonderlijke tak binnen het vakgebied (bijv. Flake & Fried, 2020; Uher, 2021). Maar vroeg in de geschiedenis van de persoonlijkheidspsychologie ontbrak aandacht voor meting. Zoals een auteur het formuleerde: “Er is geen enkele meting te vinden in het werk van ... Sigmund Freud, Alfred Adler en Carl Jung.... Wanneer Jung vertelt dat patiënt X steeds meer het contact verloor met zijn ‘archetypisch onbewuste’, worden er geen metingen aangeboden om dit te verifiëren, zoals we die wel zouden eisen wanneer een arts zou beweren dat de ziekte van een patiënt voortkwam uit een aanhoudende verhoging van zijn bloedsuiker” (Cattell, 1965, p. 15).
Die auteur, Raymond Cattell, was een grondlegger van een theoretische benadering die bekendstaat als de trektheorie.
Trektheoretici pleitten voor een alternatief voor psychodynamische speculaties. Zij wilden een persoonlijkheidstheorie bouwen op een fundament van gegevens: betrouwbare cijfers die de structuur van persoonlijkheid zichtbaar zouden maken. Dit hoofdstuk en het volgende bespreken de vooruitgang die zij boekten.
Een blik op de trektheoretici
Er is niet één trektheoreticus van uitzonderlijk belang — geen “Freud van de trektheorie”. De trekbenadering is precies dat: een benadering. Talloze wetenschappers hebben eraan bijgedragen. Toch springen drie twintigste-eeuwse onderzoekers eruit: Gordon Allport, Raymond Cattell en Hans Eysenck. Biografische schetsen van ieder van hen introduceren hun ideeën in de tekst hieronder. Hoofdstuk 8 introduceert daarnaast hedendaagse onderzoekers die substantieel aan de trekbenadering hebben bijgedragen.
Hoewel er veel theoretici zijn, hebben hun bijdragen veel gemeen.
Op hoofdlijnen overlappen hun ideeën. Laten we daarom naar het grotere geheel kijken: de visie van de trektheorie op de persoon. Die visie kan je bekend voorkomen. De variabelen van de trektheorie lijken namelijk op woorden die je zelf zou gebruiken wanneer je over persoonlijkheid praat.
De visie van de trektheorie op de persoon
Mensen praten graag over persoonlijkheid. We kunnen uren discussiëren over iemands kenmerken.
Onze baas is chagrijnig; onze huisgenoot slordig; onze professor gevat. (Nou ja, we hopen dat je professor eerder gevat is dan slordig en chagrijnig.) We bespreken zelfs de trouw van onze hond en de luiheid van onze kat. Wanneer we over mensen praten, gebruiken we vaak termen voor persoonlijkheidstrekken: woorden die iemands typische manieren van ervaren en handelen beschrijven. Blijkbaar vinden mensen trekken centraal voor persoonlijkheid. Ook persoonlijkheidsonderzoekers binnen de trekbenadering zien trekken als de belangrijkste eenheden van persoonlijkheid. Uiteraard omvat persoonlijkheid meer dan alleen trekken, maar trekken hebben door de geschiedenis van de persoonlijkheidspsychologie heen een grote rol gespeeld.
Het trekbegrip
Wat is een ‘trek’ dan precies? Termen voor persoonlijkheidstrekken verwijzen naar consistente stijlen van gedrag, gevoelens of denken. Stel dat je iemand als ‘aardig’ beschrijft (een trekterm). Dan bedoel je dat diegene zich vrij consequent aardig gedraagt en aardige gedachten en gevoelens laat zien. Je bedoelt ook dat, als je die persoon over langere tijd observeert (weken of maanden) en in verschillende situaties (met vrienden, familie, onbekenden enzovoort), die persoon duidelijk aardig zou zijn: aardiger dan de gemiddelde persoon. Anders zou je diegene niet ‘aardig’ hebben genoemd.
Trektermen hebben dus twee betekenisaspecten: consistentie en onderscheidendheid.
1. Consistentie betekent dat de trek een regelmaat in het gedrag beschrijft. De persoon lijkt geneigd te zijn te handelen op een manier die door de trekterm wordt beschreven; trekken worden dan ook vaak ‘disposities’ of ‘dispositionele constructen’ genoemd (bijv. McCrae & Costa, 1999, 2008). Trektheoretici erkennen dat iemand niet in alle contexten volledig trekconsistent zal zijn. De Nederlandse trekpsycholoog De Raad (2005) legt uit dat trektermen impliciet verwijzen naar gedrag binnen typen sociale contexten. Van een ‘sociaal’ persoon verwacht je bijvoorbeeld dat diegene consequent sociaal is tegenover andere mensen in situaties waarin sociaal gedrag volgens de geldende sociale normen is toegestaan, maar niet sociaal tegenover bijvoorbeeld levenloze objecten of wanneer sociale normen sociaal gedrag verbieden.
2. Onderscheidendheid betekent dat de trektheorie zich vooral bezighoudt met psychologische kenmerken die mensen van elkaar onderscheiden — met andere woorden: kenmerken die mensen uniek maken. Trektheoretici onderzoeken psychologische kenmerken waarin mensen duidelijk van elkaar verschillen. Daardoor is er binnen de trektheorie weinig aandacht voor psychologische vermogens die alle mensen bezitten, zoals het vermogen om taal te gebruiken en bewust op zichzelf te reflecteren.
Als je besluit een persoonlijkheidstheorie op te bouwen rond trekconstructen, neem je impliciet een bepaalde visie op personen aan. Je zegt dan dat de kern van personen ligt in hun consistentie in gedrag. Binnen de trektheorie laten gemiddelde gedragsstijlen zien hoe iemand is. Deze visie is aantrekkelijk eenvoudig. Ze maakt persoonlijkheidsmeting ook makkelijker: om mensen te leren kennen, moet je hun typische gedragsmatige en emotionele neigingen meten. Let er wel op hoe deze visie verschilt van vrijwel elke andere persoonlijkheidstheorie die in dit boek wordt besproken. Freud (hoofdstuk 3) dacht dat psychodynamische structuren zich juist tonen in variabel gedrag, niet in gedragsconsistentie. Het oedipuscomplex zou bijvoorbeeld verschillend gedrag tegenover de ene ouder dan tegenover de andere ouder veroorzaken. Behavioristen (hoofdstuk 9) verwachtten dat gedrag varieert tussen situaties met verschillende bekrachtigingscontingenties. De persoonlijke-constructtheorie (hoofdstuk 10) en de sociaal-cognitieve theorie (hoofdstukken 11 en 12) stellen een cognitieve structuur voor die variatie in gedrag tussen verschillende rollen en contexten van het sociale leven kan verklaren. De evolutionaire psychologie (hoofdstuk 14) gaat uit van domeingebonden mentale modules.
Trektheoretici erkennen uiteraard dat het gedrag van mensen van situatie tot situatie varieert.
Toch is de trektheorie uniek onder de persoonlijkheidstheorieën doordat zij centrale theoretische variabelen hanteert — trekvariabelen — die overeenkomen met consistente, gemiddelde gedragsneigingen die mensen in uiteenlopende sociale situaties laten zien.
Door deze variabelen te gebruiken, zegt de trektheoreticus eigenlijk het volgende. Het hedendaagse sociale leven kan veel veranderingen met zich meebrengen: mensen veranderen van school en baan, ontmoeten nieuwe vrienden, trouwen, scheiden, hertrouwen en verhuizen naar andere gemeenschappen, zo niet naar andere landen. En op een bepaald moment kan het sociale leven ons in verschillende rollen plaatsen: student, werknemer, zoon of dochter, ouder, lid van een gemeenschap. Maar ondanks al deze variaties bestaat er ergens ‘vanbinnen’ een consistente persoonlijkheid. Mensen bezitten psychologische kwaliteiten die blijven bestaan door tijd en plaats heen.
De visie van de trektheorie op de wetenschap van persoonlijkheid
De belangrijkste visie van trektheoretici op de persoonlijkheidswetenschap blijkt uit de eerdere opmerkingen over meting. De eerste stap in het bouwen van een theorie is het vaststellen van valide en betrouwbare metingen van persoonlijkheidstrekken. Trektheoretici vonden dat meting theorievorming moet begrenzen en bepalen. Zij namen alleen een persoonlijkheidsstructuur aan als statistische analyse van zorgvuldig geconstrueerde meetinstrumenten het bestaan van die structuur suggereerde.
Een tweede opvallend standpunt betreft het bewijs dat wordt gebruikt om wetenschappelijke theorie te valideren. Historisch heeft de trektheorie vooral correlatief bewijs benadrukt. Onderzoekers hebben vastgesteld of gemeten persoonlijkheidstrekken gedrag voorspellen (Wiggins, 1973). Deze op correlaties gebaseerde voorspellingen vormden een belangrijke bron van steun voor theoretische claims. Trektheoretici besteedden minder aandacht aan experimentele methoden, zoals methoden waarbij trekniveaus worden gemanipuleerd om hun effecten op psychologische uitkomsten vast te stellen. Bleidorn et al. (2019) leggen uit dat deze nadruk mogelijk berustte op een misvatting: ‘Er is een neiging geweest om persoonlijkheidstrekken op te vatten als een stabiele oorzaak van levensuitkomsten’ — dus om trekken als onveranderlijk te zien — maar ‘het veld van de persoonlijkheidspsychologie heeft inmiddels een grote hoeveelheid bewijs verzameld waaruit blijkt dat persoonlijkheidstrekken gedurende de hele levensloop blijven veranderen’ (p. 1057, cursivering toegevoegd). Als je trekken als onveranderlijk ziet, ben je natuurlijk minder geneigd om experimentele methoden te gebruiken om ze te proberen veranderen.
Daarentegen opent de erkenning dat persoonlijkheidstrekken kunnen veranderen (Roberts et al., 2006; Roberts & Mroczek, 2008) de deur naar meer gebruik van experimentele methoden binnen de trekpsychologie.
Wetenschappelijke functies van trekconstructen
Een hoofdvraag bij de visie van de trektheorie op wetenschap is: waarom zouden we trekconstructen veronderstellen? Met andere woorden: wat doen trekconstructen binnen een wetenschap van persoonlijkheid? Trektheoretici gebruiken trekconstructen voor minstens twee, en soms drie, wetenschappelijke functies: beschrijving, voorspelling en verklaring.
Beschrijving
Alle theoretici van persoonlijkheidstrekken gebruiken trekconstructen beschrijvend. Trekken vatten iemands typische gedrag samen en beschrijven zo hoe iemand doorgaans is. Omdat beschrijving een cruciale eerste stap is in elke wetenschappelijke onderneming, kunnen trektheorieën worden gezien als het bieden van fundamentele beschrijvende feiten die door elke persoonlijkheidstheorie verklaard moeten worden.
De meeste trektheoretici proberen niet alleen individuele personen één voor één te beschrijven; zij proberen juist een algemeen beschrijvend schema vast te stellen waarmee alle personen kunnen worden beschreven. Met andere woorden: zij proberen een persoonlijkheidstaxonomie op te stellen. In elke wetenschap is een taxonomie een manier van wetenschappers om de onderzochte zaken te classificeren. Omdat trekconstructen verwijzen naar consistente stijlen van ervaring en gedrag, is een trektaxonomie een manier om mensen te classificeren op basis van hun kenmerkende, gemiddelde soorten ervaringen en handelingen.
Voorspelling
Een tweede functie van trekvariabelen is de hierboven al genoemde: voorspelling. Metingen van individuele verschillen in het niveau van persoonlijkheidstrekken voorspellen vaak belangrijke levensuitkomsten. Denk aan enkele voorbeelden (uit de honderden die men zou kunnen kiezen). Zelfbeoordelingen van studenten op trekken zoals extraversie en consciëntieusheid voorspellen aspecten van hun persoonlijke omgeving, zoals de inrichting en mate van netheid van hun kantoorruimte of studentenkamer (Gosling, Ko, Mannarelli, & Morris, 2002). Persoonlijkheidstrekken voorspellen gezondheidsuitkomsten, waaronder het ontstaan van ziekten (Weston et al., 2015). In zakelijke omgevingen kunnen metingen van persoonlijkheidstrekken prestaties op het werk voorspellen (Roberts & Hogan, 2001). Controversiëler is dat bij een recente Amerikaanse verkiezing metingen van persoonlijkheidstrekken uit sociale-mediabronnen werden gebruikt om stemgedrag van burgers en reacties op campagnemateriaal te voorspellen, ter ondersteuning van de campagne van Donald J. Trump (Gonzales, 2017).
Verklaring
Naast beschrijving en voorspelling is verklaring een derde wetenschappelijke taak. Let erop dat voorspelling en verklaring verschillende dingen zijn. Zoals filosoof Toulmin (1961) opmerkte, konden de oude Babyloniërs astronomische gebeurtenissen zoals maansverduisteringen voorspellen, maar ze konden ze niet verklaren; zij hadden geen wetenschappelijk inzicht in waarom deze gebeurtenissen plaatsvonden. In een tegengesteld geval verklaarde Darwin hoe organismen evolueerden door natuurlijke selectie, maar hij voorspelde niet letterlijk de evolutionaire gebeurtenissen uit het verleden.
Sommige trektheoretici suggereren dat trekconstructen kunnen worden gebruikt om iemands gedrag te verklaren.
Je zou bijvoorbeeld kunnen zeggen dat een student op tijd in de les verschijnt en goede collegeaantekeningen maakt omdat die persoon hoog scoort op de trek consciëntieusheid. Anderen beperken zich echter tot een beschrijvend gebruik van persoonlijkheidsconstructen. Zij zien een trektaxonomie als vergelijkbaar met een kaart: een beschrijvende gids van het terrein dat men wil begrijpen (Caprara, 1996). Een kaart van continenten en oceanen verklaart niet waarom de continenten en oceanen zich precies op die plek bevinden; voor die verklaring is aanvullend wetenschappelijk werk nodig, zoals een theorie van platentektoniek. Toch is de kaart een cruciale stap in wetenschappelijke vooruitgang.
Zoals je in dit hoofdstuk en opnieuw in hoofdstuk 8 zult zien, proberen sommige psychologen van beschrijving naar verklaring te gaan door biologische factoren te identificeren die aan een bepaalde trek ten grondslag liggen. Mensen die hoog versus laag scoren op een persoonlijkheidstrek-test kunnen systematisch verschillen in een neuraal of biochemisch systeem; dat kan worden geïnterpreteerd als de causale basis van de trek en trekgerelateerd gedrag. Deze mogelijkheid, die veel trektheoretici onderzoeken, brengt een ander aspect van de visie van de trektheorie op de persoon naar voren. Die visie is sterk biologisch. De meeste trektheoretici geloven dat erfelijke biologische factoren een primaire determinant zijn van individuele verschillen in trekken. We bespreken deze mogelijkheid, en het bijbehorende wetenschappelijke bewijs, zowel in dit hoofdstuk als in hoofdstuk 14.
Kortom, trektheoretici verschillen in hun claims over de verklarende status van trekconstructen. Dit brengt een belangrijk punt naar voren om in gedachten te houden: er is niet één trektheorie. De trektheorieën vormen een familie van verwante, maar niet identieke, perspectieven. In de volgende sectie bespreken we kenmerken die de meeste, zo niet alle, trektheorieën delen.
Trektheorieën van persoonlijkheid: basisperspectieven die trektheoretici delen
Een reeks gedeelde aannames definieert samen de trekbenadering. De meest fundamentele aanname is dat mensen brede predisposities bezitten, trekken genoemd, om op bepaalde manieren te reageren. Zoals we opmerkten in de sectie ‘De visie van de trektheorie op de persoon’, wordt aangenomen dat persoonlijkheid kan worden gekarakteriseerd in termen van iemands consistente waarschijnlijkheid om zich op een bepaalde manier te gedragen, te voelen of te denken. Alle trektheoretici zijn het erover eens dat deze gegeneraliseerde neigingen om op de ene of andere manier te handelen de fundamentele bouwstenen van persoonlijkheid vormen.
Een verwante aanname is dat er een directe overeenkomst bestaat tussen iemands (a) uitvoering van trekgerelateerde handelingen en (b) bezit van de bijbehorende trek. Als iemand bijvoorbeeld vaker angstige ervaringen rapporteert, scoort diegene hoger op de trek angst. Iemand die zich vaker extravert gedraagt, scoort hoger op extraversie. Deze overeenkomstige aanname lijkt misschien vanzelfsprekend. Maar let erop hoe zij contrasteert met andere mogelijkheden.
De psychodynamische theorie (hoofdstuk 3) herinnert ons eraan dat iemand die weinig angst rapporteert, mogelijk angst onderdrukt die feitelijk hoog is (vgl. Myers, 2010). Psycholoog Brian R. Little (2008) legt uit dat sommige mensen zich extravert gedragen, niet omdat ze extravert zijn, maar omdat ze strategisch een gedragsstijl aannemen om een doel te bereiken, bijvoorbeeld een goede indruk maken op anderen.
Een andere gedeelde aanname is dat menselijk gedrag en persoonlijkheid hiërarchisch kunnen worden georganiseerd. Een bekende hiërarchische analyse is afkomstig van Eysenck (figuur 7.1), wiens theoretische bijdragen hieronder uitvoerig worden besproken. Eysenck stelde dat specifieke reacties zich op het laagste hiërarchische niveau bevinden. Sommige van deze reacties hangen met elkaar samen en vormen algemene gewoonten. Groepen gewoonten die vaak samen voorkomen, vormen trekken. Mensen die bijvoorbeeld socializen verkiezen boven lezen, blijken vaak ook feestjes leuk te vinden; zulke gewoonten kunnen daarom worden gegroepeerd onder de trek sociabiliteit. Tot slot kunnen trekken op het hoogste organisatieniveau met elkaar samenhangen en Eysenckiaanse hogere-ordefactoren of superfactoren vormen. Dit zijn ook trekken, maar dan op het hoogste generalisatieniveau.
Samengevat stellen trektheorieën dat mensen brede predisposities laten zien om op bepaalde manieren te reageren, dat deze disposities hiërarchisch georganiseerd zijn en dat het trekbegrip een fundament kan vormen voor een wetenschappelijke persoonlijkheidstheorie.
De trektheorie van Gordon W. Allport (1897-1967)
Een figuur van groot historisch belang voor de trektheorie, en voor de persoonlijkheidspsychologie in het algemeen, was de Harvard-psycholoog Gordon W. Allport. De geschiedenis herinnert Allport vooral om de kwesties die hij aankaartte en de principes die hij bevorderde, meer dan om een specifieke theorie die hij creëerde.
Allport benadrukte de gezonde en georganiseerde aspecten van menselijk gedrag — in contrast met de nadruk van de psychodynamische theorie (hoofdstuk 3) op conflicten en psychisch lijden. Voor Allport was dit contrast zowel intellectueel als persoonlijk. Hij vertelde dat hij, toen hij op 22-jarige leeftijd door Europa reisde, Freud in Wenen wilde bezoeken. Hij ging Freuds kantoor binnen en werd ontvangen met een verwachtingsvolle stilte, terwijl Freud wachtte tot Allport uitlegde wat zijn doel was. Omdat Allport zich ongemakkelijk voelde bij die stilte, vertelde hij het verhaal van een vierjarig jongetje met een vuilfobie dat hij in de trein naar Wenen had ontmoet. Nadat hij het verhaal had afgerond, vroeg Freud: ‘En was jij dat jongetje?’ Allport beschrijft zijn reactie:
Verbijsterd en met een licht schuldgevoel probeerde ik van onderwerp te veranderen. Hoewel Freuds misverstand over mijn motivatie vermakelijk was, zette het me ook diep aan het denken. Ik realiseerde me dat hij gewend was aan neurotische afweermechanismen en dat mijn manifeste motivatie — een soort onbeleefde nieuwsgierigheid en jeugdige ambitie — hem ontging. Voor therapeutische vooruitgang zou hij door mijn afweer heen moeten breken, maar in dit geval was therapeutische vooruitgang helemaal niet aan de orde. Deze ervaring leerde mij dat de dieptepsychologie, ondanks al haar verdiensten, soms te diep kan duiken en dat psychologen er goed aan doen manifeste motieven volledig te erkennen voordat zij het onbewuste onderzoeken.
Een grappige kanttekening is dat Allport persoonlijk nauwgezet, punctueel, netjes en ordelijk was — kenmerken die openstaan voor een Freudiaanse interpretatie. Freuds vraag zat er mogelijk minder ver naast dan Allport suggereerde!
Allports eerste publicatie, geschreven met zijn oudere broer Floyd, draaide om trekken als belangrijk aspect van persoonlijkheidstheorie (Allport & Allport, 1921). Allport geloofde dat trekken de basiseenheden van persoonlijkheid zijn. Volgens hem bestaan trekken daadwerkelijk en zijn ze gebaseerd in het zenuwstelsel. Ze vertegenwoordigen gegeneraliseerde persoonlijkheidsdisposities die regelmatigheden verklaren in het functioneren van een persoon over situaties en tijd heen. Trekken kunnen worden gedefinieerd aan de hand van drie eigenschappen: frequentie, intensiteit en bereik van situaties. Een zeer onderdanig persoon zou bijvoorbeeld vaak zeer onderdanig zijn in een breed scala aan situaties.
Trekken: persoonlijkheidsstructuur in Allports theorie
In een klassieke analyse van persoonlijkheidsbeschrijvingen maakten Allport en Odbert (1936) onderscheid tussen persoonlijkheidstrekken en andere analyse-eenheden binnen persoonlijkheidsonderzoek. Zij definieerden trekken als ‘gegeneraliseerde en gepersonaliseerde bepalende neigingen — consistente en stabiele manieren waarop een individu zich aanpast aan zijn omgeving’ (1936, p. 26). Trekken verschillen van psychologische toestanden of gedragsactiviteiten die tijdelijk zijn en worden opgeroepen door externe omstandigheden. Chaplin, John en Goldberg (1988) repliceerden Allport en Odberts indeling van persoonlijkheidsbeschrijvingen in drie categorieën: trekken, toestanden en activiteiten. Zo kan iemand gedurende zijn of haar hele leven zachtaardig zijn, terwijl verliefdheid — een interne toestand — meestal niet blijvend is en zelfs het leukste gefeest — een activiteit — uiteindelijk tot een einde komt.
Nadat trekken zijn onderscheiden van toestanden en activiteiten, is de volgende vraag of er verschillende soorten trekken bestaan. Allport maakte onderscheid tussen kardinale trekken, centrale trekken en secundaire disposities. Een kardinale trek drukt een dispositie uit die zo doordringend en opvallend aanwezig is in iemands leven dat vrijwel elke handeling aan de invloed ervan kan worden toegeschreven. Zo spreken we over een machiavellistisch persoon, genoemd naar Niccolò Machiavelli’s beschrijving van de succesvolle renaissanceheerser; over een sadistische persoon, genoemd naar markies De Sade; en over de autoritaire persoonlijkheid die vrijwel alles op een zwart-witte, stereotiepe manier ziet. Over het algemeen hebben mensen weinig of zelfs geen van zulke kardinale trekken. Centrale trekken (bijvoorbeeld eerlijkheid, vriendelijkheid, assertiviteit) drukken disposities uit die een beperkter bereik aan situaties bestrijken dan kardinale trekken. Secundaire disposities zijn trekken die het minst opvallend, gegeneraliseerd en consistent zijn. Met andere woorden: mensen bezitten trekken met verschillende graden van betekenis en algemeenheid.
Allport beweerde niet dat een trek in alle situaties tot uiting komt, ongeacht de kenmerken van die situatie. Hij erkende dat ‘trekken vaak in de ene situatie worden geactiveerd en in een andere niet’ (Allport, 1937, p. 331). Zo kan zelfs van de meest agressieve mensen worden verwacht dat zij hun gedrag aanpassen als de situatie om niet-agressief gedrag vraagt, en kan zelfs de meest introverte persoon zich in bepaalde situaties extravert gedragen. Een trek drukt uit wat iemand doorgaans doet over veel situaties heen, niet wat iemand in één specifieke situatie zal doen. Volgens Allport zijn zowel trek- als situatieconcepten nodig om gedrag te begrijpen. Het trekbegrip is nodig om de consistentie van gedrag te verklaren, terwijl erkenning van het belang van de situatie nodig is om de variatie in gedrag te verklaren.
Functionele autonomie
Allport analyseerde niet alleen stabiele trekken, maar ook motivationele processen. Hij benadrukte de functionele autonomie van menselijke motieven. Dit betekent dat de motieven van een volwassene wel hun wortels kunnen hebben in de spanningsreducerende motieven van het kind, zoals Freud suggereerde, maar dat de volwassene boven die vroege motieven uitstijgt. In het volwassen leven worden motieven onafhankelijk van, of autonoom ten opzichte van, eerdere spanningsreducerende driften. Wat oorspronkelijk begon als een poging om honger of angst te verminderen, kan op zichzelf een bron van plezier en motivatie worden. Wat begon als een activiteit om in het levensonderhoud te voorzien, kan plezierig worden en een doel op zichzelf vormen. Hoewel hard werken en streven naar excellentie oorspronkelijk gemotiveerd kunnen zijn door een verlangen naar goedkeuring van ouders en andere volwassenen, kunnen ze uitgroeien tot waardevolle doelen op zichzelf — nagestreefd ongeacht of anderen er nadruk op leggen. Zo geldt: ‘wat ooit extrinsiek en instrumenteel was, wordt intrinsiek en aandrijvend. De activiteit diende ooit een drift of een eenvoudige behoefte; nu dient zij zichzelf of, in bredere zin, het zelfbeeld (zelfideaal) van de persoon. De kindertijd zit niet langer in het zadel; volwassenheid wel’ (Allport, 1961, p. 229). Dit onderscheidt Allports werk uiteraard van dat van Freud, omdat Freud volwassen gedrag verklaarde vanuit vroege kinderdriften waarvan de fundamentele motivationele kracht gedurende de volwassenheid bleef bestaan.
Idiografisch onderzoek
Een laatste onderscheidend kenmerk van Allports bijdragen is zijn nadruk op de uniciteit van het individu. In tegenstelling tot de andere trektheoretici die we zullen bespreken, onderschreef Allport vooral een idiografische benadering van onderzoek. Een idiografische strategie richt zich, zoals we in hoofdstuk 2 hebben uitgelegd, op het mogelijk unieke individu. Diepgaande studies van individuele personen worden gezien als een manier om over mensen in het algemeen te leren. Deze benadering contrasteert met die van andere trektheoretici, die doorgaans nomothetische procedures hanteren waarbij grote aantallen individuen worden beschreven aan de hand van een gemeenschappelijke, universele set persoonlijkheidstrekken.
Een voorbeeld van Allports idiografische procedures was zijn analyse van materiaal dat uniek was voor een individuele casus. Zo publiceerde Allport 172 brieven van één specifieke vrouw. De brieven vormden de basis voor een klinische karakterisering van haar persoonlijkheid en ook voor kwantitatieve analyse. Dit soort idiografisch onderzoek benadrukt het patroon en de organisatie van meerdere trekken binnen één persoon, in plaats van iemands positie ten opzichte van anderen op afzonderlijke trekvariabelen.
Commentaar op Allport
Binnen de persoonlijkheidspsychologie wordt Allport doorgaans hoog gewaardeerd. Een biografie (Nicholson, 2002) benadrukt zijn blijvende bijdragen aan het vakgebied. Toch waren Allports empirische bijdragen beperkt. Hij verduidelijkte het trekbegrip, maar deed weinig onderzoek om het nut ervan vast te stellen. Hij geloofde dat veel trekken erfelijk waren, maar verrichtte geen onderzoek naar hun genetische basis. Hij documenteerde dat mensen onderscheidende patronen van trekgerelateerd gedrag vertonen en dat trekken interacteren met situationele invloeden, maar bood geen gedetailleerd verwerkingsmodel dat deze observaties kon verklaren (Zuroff, 1986).
Bovendien pakte Allports idiografische nadruk deels averechts uit. Sommigen vonden deze antiscientistisch, omdat zij dachten dat de studie van individuele eigenaardigheden botste met de zoektocht van de wetenschap naar algemene wetten. Achteraf gezien was dit een verkeerde lezing van Allports idiografische inspanningen. Om een adequate wetenschap van mensen op te bouwen, kan het nodig zijn individuele personen gedetailleerd te bestuderen. Idiografische strategieën kunnen het algemene begrip van personen juist bevorderen in plaats van belemmeren. Allport erkende, net als psychodynamische theoretici en net als de persoonlijke-constructtheorie en hedendaagse sociaal-cognitieve theoretici (hoofdstukken 10-12), dat gedetailleerde analyses van individuele personen inzicht kunnen opleveren in algemene principes die in afzonderlijke casussen terug te vinden zijn.
In de praktijk is deze idiografische route echter niet de weg die de meeste latere trektheoretici hebben gevolgd. Er zijn uitzonderingen geweest (bijv. Beck & Jackson, 2020). Historisch gezien onderzochten de meeste andere trektheoretici echter individuele verschillen binnen grote populaties van individuen, in plaats van analyses van afzonderlijke casussen uit te voeren.
Voordat we deze andere theorieën presenteren, leggen we eerst de belangrijkste wetenschappelijke uitdaging uit die wordt aangepakt door de trektheorieën in de rest van dit hoofdstuk en in hoofdstuk 8, inclusief het statistische hulpmiddel dat zij hebben gebruikt om deze uitdaging aan te gaan. Daarna presenteren we de trektheorieën van Raymond B. Cattell en Hans J. Eysenck.
Primaire trekdimensies identificeren: factoranalyse
Met uitzondering van Allport hebben trekpsychologen over het algemeen geprobeerd een universele set trekken te identificeren: een set trekken die iedereen in meer of mindere mate bezit. Lichamelijk is iedereen in zekere mate lang, zwaar of dun, jong of oud, enzovoort; lengte, gewicht en leeftijd zijn universele dimensies waarmee iedere persoon kan worden beschreven. Zou er psychologisch gezien ook een set universele trekdimensies kunnen bestaan waarmee de persoonlijkheidskenmerken van iedere persoon beschreven kunnen worden? Zo ja, hoe kunnen we die trekken identificeren? Het identificeren van een set basale, universele trekken is een wetenschappelijke uitdaging die fundamenteel is voor de geschiedenis van trektheorieën van persoonlijkheid.
Deze uitdaging wordt bemoeilijkt doordat er zoveel trekken lijken te zijn. Sommige mensen zijn verstrooid. Anderen zijn meegaand. Sommigen zijn agressief, altruïstisch, antagonistisch of twistziek. Er zijn zoveel trekken — en we zitten nog maar bij de A! Hoe kun je ooit een eenvoudige, maar toch volledige set basale trekken identificeren?
Het belangrijkste inzicht dat nodig is om dit probleem op te lossen, is dat sommige trekken samengaan: ze komen vaak samen voor. Bij lichamelijke kenmerken raakt niemand in verwarring door het grote aantal fysieke eigenschappen: lange linkerarmen, lange rechterarmen, lange linkerbenen, lange rechterbenen, lange vingers, enzovoort. We herkennen dat deze kwaliteiten samen voorkomen en vatten hun samenhang samen in een eenvoudige dimensie: lengte (of lichaamsgrootte). Lengte is dus een fundamenteler lichamelijk kenmerk dan ‘lengte van het linkerbeen’; de lengtes van afzonderlijke lichaamsdelen zijn slechts uitingen van iemands totale lengte.
Psychologische trekken komen ook samen voor. Denk aan onze lijst met trekken van twee alinea’s geleden. Meestal is het onwaarschijnlijk dat iemand die extreem twistziek en extreem agressief is, óók extreem altruïstisch en extreem meegaand is. Intuïtie vertelt ons dat bepaalde trekken samen voorkomen, wat suggereert dat sommige trekken uitingen kunnen zijn van andere, meer basale trekken. De vraag is dan: hoe kun je die basale trekken identificeren? Het is duidelijk dat je niet alleen op intuïtie kunt vertrouwen. Er is een nauwkeurig hulpmiddel nodig om een basisstructuur van persoonlijkheidstrekken te identificeren.
Het hulpmiddel waarop trektheoretici hebben vertrouwd, is een statistische techniek: factoranalyse. Factoranalyse is een statistisch hulpmiddel om samen te vatten op welke manieren een groot aantal variabelen met elkaar samengaan of samen voorkomen. Zoals je in hoofdstuk 2 hebt geleerd, is een correlatie een getal dat aangeeft in welke mate twee variabelen samenhangen. Als trektheoretici slechts in twee variabelen geïnteresseerd zouden zijn, dan zou correlatie voldoende zijn. De trektheoreticus is echter geïnteresseerd in veel variabelen. Er lijken honderden mogelijke trekken te zijn om te meten. Zodra je die meet, ontstaan er honderden correlaties tussen de ene variabele en de andere. Factoranalyse is een statistische methode om patronen in deze grote hoeveelheid correlaties te identificeren. Idealiter identificeert een factoranalyse (dat wil zeggen: een specifieke toepassing van de algemene techniek factoranalyse) een klein aantal factoren dat de onderlinge correlaties tussen het grote aantal variabelen samenvat.
In een typische factoranalytische studie wordt een groot aantal testitems voorgelegd aan veel proefpersonen. Onvermijdelijk zijn sommige van deze items positief met elkaar gecorreleerd. Mensen die een vraag (bijvoorbeeld: ‘Ga je vaak naar luide en drukke feesten?’) op een bepaalde manier beantwoorden, beantwoorden andere vragen (bijvoorbeeld: ‘Vind je het leuk om tijd door te brengen met grote groepen mensen?’) op een vergelijkbare manier.
Sommige items zijn negatief gecorreleerd (bijvoorbeeld: antwoorden op ‘Blijf je ’s avonds liever thuis dan dat je uitgaat?’ kunnen negatief samenhangen met antwoorden op de twee vorige vragen in deze alinea). In principe kunnen grote clusters van items op deze manier met elkaar samenhangen. Deze clusters kunnen de invloed weerspiegelen van een onderliggende factor: iets dat verantwoordelijk is voor de correlaties tussen de items (zoals lengte verantwoordelijk is voor de correlaties tussen lange benen, lange armen enzovoort in ons eerdere voorbeeld). Factoranalyse identificeert deze patronen, clusters of correlaties. De techniek factoranalyse vereenvoudigt dus de informatie in een grote correlatietabel door een kleine set factoren te identificeren, waarbij elke factor één cluster van correlaties vertegenwoordigt.
Technisch gezien zijn factoren slechts wiskundig. Factoranalyse is een techniek uit de wiskundige statistiek, niet uit de psychologie. Psychologen geven factoren echter meestal psychologische labels op basis van hun kennis van persoonlijkheid. Die labels zijn bedoeld om de belangrijkste psychologische inhoud te benoemen van de testitems die met elkaar correleren. In ons voorbeeld (met drukke feesten, grote groepen mensen enzovoort) zou factoranalyse een wiskundige factor identificeren die de correlaties tussen de items vertegenwoordigt, en de psycholoog zou die factor een naam geven zoals ‘sociabiliteit’.
Factoranalyse is van het grootste belang voor trektheorieën. Het is het hulpmiddel waarmee zij persoonlijkheidsstructuren identificeren. Voor de meeste trektheoretici zijn de factoren die in factoranalytische studies worden gevonden de structuren van persoonlijkheid. Als een factoranalyse zes wiskundige factoren identificeert die correlaties tussen persoonlijkheidstestitems samenvatten, dan zal de trekpsycholoog de resulterende zesdimensionale wiskundige structuur meestal aanduiden als de ‘structuur van persoonlijkheid’. Het gebruik van factoranalyse om persoonlijkheidsstructuren te identificeren heeft enkele belangrijke voordelen ten opzichte van de procedures die eerdere theoretici gebruikten. Eerder vertrouwden theoretici (bijvoorbeeld Freud, Jung of Rogers) sterk op hun intuïtie. Zij observeerden klinische casussen en vermoedden intuïtief dat bepaalde persoonlijkheidsstructuren verantwoordelijk waren voor het gedrag van hun cliënten. Maar menselijke intuïtie kan feilbaar zijn (Nisbett & Ross, 1980). In plaats van op intuïtie te vertrouwen om persoonlijkheidsstructuren te identificeren, vertrouwt de trektheoreticus op een objectieve statistische procedure: factoranalyse.
Let erop dat de statistische procedure patronen van covariatie in testantwoorden identificeert. Zij beantwoordt niet de vraag waarom de antwoorden covariëren. Het is de onderzoeker die, op basis van psychologische kennis en theoretische overtuigingen, het bestaan van een gemeenschappelijke entiteit (de factor) afleidt en interpreteert. Verschillende psychologen kunnen verschillende interpretaties geven. In het hedendaagse veld concluderen sommige onderzoekers bijvoorbeeld dat de kern van extraversie beloningsgevoeligheid is: extraverte mensen zijn sterk gemotiveerd om positieve, doelgerelateerde beloningen te verkrijgen (Lucas, Diener, Grob, Suh, & Shao, 2000). Anderen, die vergelijkbare correlationele en factoranalytische methoden gebruiken, zijn het daar niet mee eens en concluderen in plaats daarvan dat de kern van extraversie sociale aandacht is; extraverte mensen lijken het prettig te vinden om het middelpunt van aandacht te zijn (Ashton, Lee, & Paunonen, 2002).
Ook de precieze aard en het aantal factoren dat men vindt, hangt deels af van subjectieve keuzes over hoe de analyse precies wordt uitgevoerd. Factoranalyse is een complexe verzameling technieken, geen eenvoudig rekenkundig algoritme. De onderzoeker moet dus kiezen hoe hij of zij precies te werk gaat. Daarom zul je nu zien dat verschillende onderzoekers, die allemaal factoranalytische methoden gebruiken, uitkomen op enigszins verschillende factoren en verschillende aantallen factoren in hun persoonlijkheidstheorieën.
De factoranalytische trektheorie van Raymond B. Cattell (1905-1998)
Raymond B. Cattell werd in 1905 geboren in West Bromwich, Engeland (Boyle, 2020). Hij studeerde scheikunde aan de University of London en stapte daarna over naar de psychologie. In 1929 behaalde hij aan dezelfde universiteit zijn PhD. Na onderzoek te hebben gedaan en klinische ervaring te hebben opgedaan in Groot-Brittannië, verhuisde Cattell in 1937 naar de Verenigde Staten. In 1941 nodigde Allport hem uit naar Harvard, waar hij bleef tot 1945. Daarna verhuisde hij naar de University of Illinois (Horn & Cattell, 2020). Daar was hij hoogleraar en directeur van het Laboratory of Personality Assessment. Zijn loopbaan in deze functie was buitengewoon productief: Cattell publiceerde meer dan 200 artikelen en 15 boeken.
Hij geldt als een van de invloedrijkste psychologische wetenschappers van de twintigste eeuw (Haggbloom et al., 2002). Vroeg in zijn loopbaan maakte Cattell kennis met de toen pas ontwikkelde techniek van factoranalyse. Hij benutte de mogelijkheden daarvan al snel. Door zijn achtergrond in de scheikunde herkende Cattell specifiek het belang voor wetenschappelijke vooruitgang van een taxonomie van ‘basiselementen’ — zoals in het periodiek systeem. Cattell oordeelde dat factoranalyse de psychologische basiselementen van persoonlijkheid kon identificeren.
Oppervlaktetrekken en brontrekken: persoonlijkheidsstructuur in Cattells theorie
Cattell introduceerde twee conceptuele onderscheidingen die beide waardevol zijn om de veelheid aan persoonlijkheidstrekken te ordenen. Eén onderscheid maakt verschil tussen oppervlaktetrekken en brontrekken. Oppervlaktetrekken en brontrekken vertegenwoordigen verschillende analyseniveaus; in dat opzicht steunde Cattell op het idee dat er hiërarchische relaties bestaan tussen trekconcepten. Oppervlaktetrekken vertegenwoordigen gedragsneigingen die letterlijk oppervlakkig zijn: ze bestaan ‘aan de oppervlakte’ en kunnen worden waargenomen. Door patronen van onderlinge correlaties tussen een groot aantal termen voor persoonlijkheidstrekken te onderzoeken, kon Cattell ongeveer 40 groepen trektermen identificeren die sterk met elkaar samenhingen. Voor Cattell vertegenwoordigde elke groepering een oppervlaktetrek.
De psycholoog wil gedrag natuurlijk niet alleen ‘aan de oppervlakte’ beschrijven. De psycholoog wil psychologische structuren identificeren die aan waarneembare gedragsneigingen ten grondslag liggen. Daarom probeerde Cattell brontrekken te identificeren: interne psychologische structuren die de bron, of onderliggende oorzaak, vormen van de waargenomen onderlinge correlaties tussen oppervlaktetrekken.
Om dit samengaan van trekken te begrijpen, gebruikte Cattell de techniek van factoranalyse. Hij ontwikkelde systematische metingen van elk van de oppervlaktetrekken, nam deze metingen af bij grote groepen mensen en gebruikte factoranalyse om patronen te identificeren in de onderlinge correlaties tussen de oppervlaktetrekken. De factoren — de wiskundige dimensies die via factoranalyse worden geïdentificeerd — die de correlaties tussen oppervlaktetrekken samenvatten, zijn in Cattells systeem de brontrekken. Deze brontrekken, die door factoranalyse zichtbaar worden, vormen de kernstructuren van persoonlijkheid in Cattells persoonlijkheidstheorie.
En wat zijn deze brontrekken precies? Cattell identificeerde 16 brontrekken. Hij groepeerde deze 16 brontrekken in drie categorieën: bekwaamheidstrekken, temperamenttrekken en dynamische trekken. Bekwaamheidstrekken verwijzen naar vaardigheden en vermogens die iemand in staat stellen effectief te functioneren. Intelligentie is een voorbeeld van een bekwaamheidstrek. Temperamenttrekken hebben betrekking op het emotionele leven en op de stijl van gedrag. De neiging om snel of langzaam te werken, kalm of emotioneel te reageren, impulsief te handelen of juist pas na overleg te handelen, zijn allemaal temperamentkwaliteiten. Tot slot gaan dynamische trekken over het streven en het motivationele leven van het individu. Personen die meer of minder gemotiveerd zijn, verschillen dus in dynamische trekken. Bekwaamheid, temperament en dynamische trekken worden gezien als de belangrijkste stabiele elementen van persoonlijkheid.
Bronnen van bewijs: L-data, Q-data en OT-data
Hoe identificeerde Cattell deze trekken? Wat was precies zijn wetenschappelijke gegevensbasis? Een grote verdienste van Cattells werk is dat er niet één gegevensbasis was. Cattell gebruikte drie verschillende typen — of drie verschillende bronnen — van gegevens over persoonlijkheid. Zijn onderscheid tussen drie typen gegevens is blijvend waardevol voor de persoonlijkheidswetenschap. Cattells onderscheid, dat hier wordt gepresenteerd, zal bekend voorkomen: het vormt een basis voor de LOTS-classificatie van gegevensbronnen die in hoofdstuk 2 is besproken. Cattell maakte onderscheid tussen (1) levensloopgegevens of gedragsgegevens uit het dagelijks leven (L-data), (2) zelfrapportagevragenlijstgegevens (Q-data) en (3) objectieve-testgegevens (OT-data).
De eerste categorie, L-data, heeft betrekking op gedrag in echte, alledaagse situaties, zoals schoolprestaties of interacties met leeftijdsgenoten. Het kan gaan om daadwerkelijke tellingen van gedragingen of om beoordelingen die op basis van zulke observaties worden gemaakt. De tweede categorie, Q-data, omvat zelfrapportagegegevens of antwoorden op vragenlijsten, zoals de Eysenck Personality Inventory die later in dit hoofdstuk wordt besproken. De derde categorie, OT-data, omvat gedragsmatige minisituaties waarin de proefpersoon zich niet bewust is van het verband tussen de reactie en het persoonlijkheidskenmerk dat wordt gemeten. Cattell ontwikkelde zelf een groot aantal van zulke minisituaties. Een neiging tot assertiviteit kon bijvoorbeeld tot uiting komen in gedrag zoals een lange verkenningsafstand in een vingerdoolhoftest, een snel tempo in arm-schouderbewegingen en een hoge snelheid bij lettervergelijkingen. Idealiter zouden uit de drie soorten gegevens dezelfde factoren of trekken naar voren moeten komen.
Oorspronkelijk begon Cattell met factoranalyses van L-data en vond hij 15 factoren die het grootste deel van iemands persoonlijkheid leken te verklaren. Daarna wilde hij vaststellen of vergelijkbare factoren ook in Q-data gevonden konden worden. Duizenden vragenlijstitems werden opgesteld en afgenomen bij grote groepen mensen. Vervolgens werden factoranalyses uitgevoerd om te zien welke items bij elkaar hoorden.
Het belangrijkste resultaat van dit onderzoek is een vragenlijst die bekendstaat als de Sixteen Personality Factor Questionnaire (16PF). Aanvankelijk bedacht Cattell neologismen, zoals ‘surgency’, om zijn persoonlijkheidsfactoren te benoemen en misinterpretaties te voorkomen. Toch geven de termen in tabel 7.1 grofweg de betekenis van deze trekfactoren weer. Zoals te zien is, bestrijken ze een brede variëteit aan aspecten van persoonlijkheid, vooral op het gebied van temperament (bijvoorbeeld emotionaliteit) en attitudes (bijvoorbeeld conservatisme). Over het algemeen leken de factoren die met Q-data werden gevonden op de factoren uit L-data, maar sommige factoren waren uniek voor elk type gegevens.
Cattell was sterk voorstander van het gebruik van vragenlijsten, met name vragenlijsten die waren ontwikkeld vanuit een factoranalytisch perspectief, zoals de 16PF-vragenlijst. Tegelijkertijd maakte hij zich zorgen over problemen als gemotiveerde vertekening en zelfbedrog bij vragenlijstreacties. Ook vond hij dat vragenlijsten bij psychiatrische patiënten soms van twijfelachtige bruikbaarheid konden zijn. Vanwege de problemen met L-data en Q-data, en omdat de oorspronkelijke onderzoeksstrategie ook onderzoek met OT-data vereiste, richtten Cattells latere inspanningen zich meer op de persoonlijkheidsstructuur zoals die uit OT-data werd afgeleid. De brontrekken zoals die tot uiting kwamen in objectieve tests vormden volgens hem de ‘echte munt’ voor persoonlijkheidsonderzoek.
De resultaten uit L-data- en Q-dataonderzoek waren belangrijk voor de ontwikkeling van miniatuurtestsituaties. Het doel was namelijk objectieve tests te ontwikkelen die de reeds ontdekte brontrekken zouden meten. Daarom werden meer dan 500 tests geconstrueerd om de veronderstelde persoonlijkheidsdimensies te bestrijken. Deze tests werden afgenomen bij grote groepen proefpersonen, en herhaalde factoranalyses van gegevens uit verschillende onderzoekssituaties leidden uiteindelijk tot de aanduiding van 21 brontrekken op basis van OT-data.
Tabel 7.1 Cattells 16 persoonlijkheidsfactoren afgeleid uit vragenlijstgegevens
Gereserveerd Extravert
Minder intelligent Intelligenter
Stabiel, egosterkte Emotionaliteit/neuroticisme
Bescheiden Assertief
Nuchter Zorgeloos/vrolijk
Pragmatisch Consciëntieus
Verlegen Avontuurlijk
Hardvochtig Teergevoelig
Vertrouwend Achterdochtig
Praktisch Verbeeldingsrijk
Rechtuit Slim/gewiekst
Kalm Bezorgd
Conservatief Experimenteel
Groepsafhankelijk Zelfstandig
Ongedisciplineerd Beheerst
Ontspannen Gespannen
Zoals genoemd konden de brontrekken of factoren die in L-data en Q-data werden gevonden grotendeels aan elkaar worden gekoppeld. Maar hoe verhouden de OT-datafactoren zich tot de factoren die uit L-data en Q-data zijn afgeleid? Ondanks jarenlange onderzoeksinspanning waren de resultaten teleurstellend: hoewel er enkele relaties tussen alle drie de gegevensbronnen werden gevonden, was een directe één-op-éénkoppeling van factoren niet mogelijk.
Samenvattend hebben we vier stappen in Cattells onderzoek beschreven. (1) Hij wilde de structuur van persoonlijkheid definiëren binnen drie observatiegebieden, L-data, Q-data en OT-data genoemd. (2) Hij begon zijn onderzoek met L-data en kwam via factoranalyse van beoordelingen uit op 15 brontrekken. (3) Op basis van onderzoeksbevindingen ontwikkelde hij de 16PF-vragenlijst, die 12 trekken bevat die overeenkomen met trekken uit het L-dataonderzoek en vier trekken die uniek lijken te zijn voor vragenlijstmethoden. (4) Met behulp van deze resultaten als leidraad voor zijn onderzoek naar de ontwikkeling van objectieve tests vond Cattell 21 brontrekken in OT-data, die een complexe en zwakke relatie lijken te hebben met de trekken die in de andere gegevens zijn gevonden.
De brontrekken die in de drie typen observaties zijn gevonden, vormen nog niet de volledige formulering van Cattells persoonlijkheidsstructuur. De trekken die in deze sectie zijn besproken, beschrijven echter wel de algemene aard van de persoonlijkheidsstructuur zoals Cattell die formuleerde. Met andere woorden: hier hebben we de basis voor de ‘periodieke tabel’ van de psychologie — haar classificatieschema. Maar welk bewijs is er voor het bestaan van deze trekken? Cattell (1979) noemde het volgende: (1) de resultaten van factoranalyses van verschillende soorten gegevens, (2) vergelijkbare resultaten in verschillende culturen, (3) vergelijkbare resultaten in verschillende leeftijdsgroepen, (4) bruikbaarheid bij het voorspellen van gedrag in de natuurlijke omgeving en (5) bewijs voor aanzienlijke genetische bijdragen aan veel trekken.
Stabiliteit en variabiliteit in gedrag
Cattell zag personen niet als statische entiteiten die zich in alle situaties hetzelfde gedragen. Sociaal handelen hangt niet alleen af van trekken, maar ook van andere factoren. Cattell benadrukte twee andere determinanten: toestanden en rollen. Een toestand verwijst naar emotie en stemming op een specifiek, afgebakend moment in de tijd. Iemands psychologische toestand wordt deels bepaald door de directe situatie. Voorbeelden van toestanden zijn angst, depressie, vermoeidheid, arousal en nieuwsgierigheid. Volgens Cattell vereist een exacte beschrijving van een individu op een bepaald moment dat zowel trekken als toestanden worden gemeten: ‘Elke praktiserende psycholoog — sterker nog, elke intelligente waarnemer van de menselijke natuur en menselijke geschiedenis — beseft dat de toestand van een persoon op een bepaald moment zijn of haar gedrag evenzeer bepaalt als zijn of haar trekken’ (1979, p. 169).
Wat rollen betreft merkte Cattell op dat sommige gedragingen eerder voortkomen uit de sociale rollen die iemand vervult dan uit diens persoonlijkheidstrekken. Sociale rollen, en niet persoonlijkheidstrekken, verklaren waarom mensen schreeuwen bij voetbalwedstrijden maar niet in kerken (Cattell, 1979). Twee mensen kunnen in verschillende omgevingen, met verschillende rollen, anders met elkaar omgaan. Rivalen op een sportveld kunnen daarbuiten vrienden zijn.
Samengevat: hoewel Cattell geloofde dat trekken stabiliteit in gedrag over situaties heen bevorderen, erkende hij ook dat iemands stemming (toestand) en stijl van zelfpresentatie in een bepaalde situatie (rol) bijdragen aan gedrag: ‘Hoe krachtig Smith zijn maaltijd aanvalt, hangt niet alleen af van hoe hongerig hij op dat moment is, maar ook van zijn temperament en van de vraag of hij dineert met zijn werkgever of alleen thuis eet’ (Nesselroade & Delhees, 1966, p. 583).
Commentaar op Cattell
De omvang van Cattells inspanningen is zeer indrukwekkend. Hij behandelde alle belangrijke aspecten van persoonlijkheidstheorie en voerde systematisch onderzoek uit dat een fundament legde voor generaties onderzoekers die vanuit trekken werkten. Een observator concludeerde dat ‘Cattells theorie een veel indrukwekkendere prestatie blijkt te zijn dan algemeen is erkend... Cattells oorspronkelijke blauwdruk voor persoonlijkheidsonderzoek heeft geleid tot een buitengewoon rijke theoretische structuur’ (Wiggins, 1984, pp. 177, 190). Zijn belangrijkste persoonlijkheidsinstrument, de 16PF-vragenlijst, wordt vandaag de dag nog steeds veel gebruikt.
Toch zou Cattell, als hij vandaag nog had geleefd, misschien teleurgesteld zijn over de relatief beperkte invloed die zijn ideeën tegenwoordig hebben. Meer trekonderzoekers gebruiken vandaag namelijk een vijffactorenmodel van persoonlijkheid (hoofdstuk 8) dan Cattells zestienfactorenkader. De redenen daarvoor zijn deels praktisch. In de praktijk is het voor zowel de fundamentele als de toegepaste psycholoog lastig om zo’n groot aantal persoonlijkheidsfactoren te meten en zelfs in gedachten te houden. Latere onderzoekers zochten daarom vaak naar eenvoudigere trekstructuren.
Sommigen plaatsen vraagtekens bij Cattells volledige vertrouwen op meting. Ja, goede meetinstrumenten zijn nodig. Maar bij het formuleren van theorie kan meer nodig zijn. Er kunnen persoonlijkheidskwaliteiten bestaan die belangrijk zijn voor het functioneren van individuen, maar die buiten het op dat moment beschikbare meetsysteem vallen. De meeste mensen hebben bijvoorbeeld een ‘levensverhaal’ (McAdams, 2006): een narratieve voorstelling van hun levensloop. Het is helemaal niet duidelijk dat numerieke metingen van het soort dat Cattell gebruikte de gecontextualiseerde, historisch gesitueerde nuances van levensverhalen kunnen vangen. Als je in een literatuurles wordt gevraagd de betekenis van een verhaal te analyseren, zouden we niet voorstellen dat je dat doet met de statistische techniek factoranalyse.
De driefactorentheorie van Hans J. Eysenck (1916-1997)
In onze afsluitende opmerkingen over Cattell merkten we op dat zijn zestienfactorentheorie een praktisch nadeel had: in toepassingen is zij omslachtig. Het is lastig om zestien factoren te meten en bij te houden. Bovendien is er een mogelijke wetenschappelijke beperking. Zestien factoren kunnen, puur wetenschappelijk gezien, te veel zijn. Het kan zijn dat achter de zestien factoren een eenvoudigere en nog fundamentelere structuur van persoonlijkheidstrekken schuilgaat. Als men deze eenvoudigere trekstructuur kan identificeren, kan die dienen als basis voor een wetenschappelijk model dat spaarzaam is én voor toepassingen die eenvoudig en praktisch zijn. Deze mogelijkheid werd met uitzonderlijke creativiteit en energie onderzocht door een van de grootheden van de twintigste-eeuwse psychologie: Hans Eysenck.
Hans J. Eysenck werd in 1916 in Duitsland geboren en vluchtte later naar Engeland om aan de nazivervolging te ontkomen. Net als Cattell werd zijn werk beïnvloed door vooruitgang in statistische technieken, vooral factoranalyse. Ook werd hij intellectueel beïnvloed door het werk van Europese psychologen die persoonlijkheidstypen bestudeerden (vooral Jung en Kretschmer), door onderzoek naar de erfelijkheid van psychologische kenmerken en door het experimentele werk over klassieke conditionering van de Russische fysioloog Pavlov (zie hoofdstuk 9).
Net als Cattell was Eysenck een uitzonderlijk productieve onderzoeker en schrijver die geldt als een van de invloedrijkste psychologische wetenschappers van de twintigste eeuw (Haggbloom et al., 2002). In de jaren tachtig richtte hij het tijdschrift Personality and Individual Differences op en was hij daarvan redacteur; dit internationale tijdschrift was vooral gewijd aan onderzoek naar persoonlijkheidstrekken, temperament en de biologische grondslagen van persoonlijkheid — allemaal thema’s die Eysenck zeer belangrijk vond. Eysenck overleed in 1997, nadat hij de herpublicatie van drie van zijn vroege boeken had begeleid en kort nadat hij zijn laatste boek, Intelligence: A New Look (Eysenck, 1998), had voltooid.
Eysencks rol in het vakgebied was zowel opbouwend als kritisch. Naast het ontwikkelen van een trektheorie bekritiseerde hij andere theorieën die hij gebrekkig vond, vooral de psychoanalyse. Net als Cattell geloofde Eysenck dat het ontbreken van precieze, betrouwbare metingen van psychologische constructen bij psychoanalytici een ernstig tekort was. Bij het ontwikkelen van een trektheorie probeerde Eysenck dit probleem te vermijden door betrouwbare metingen van individuele verschillen te gebruiken. Volgens hem waren zulke metingen ook nodig om de veronderstelde biologische grondslagen van elke trek te identificeren.
Eysencks nadruk op biologische grondslagen van persoonlijkheidstrekken is bijzonder opmerkelijk. Hij besefte dat trekverklaringen zonder inzicht in de biologie van trekken circulair konden worden: verklaringen die in een conceptuele cirkel ronddraaien, waarbij een trekbegrip wordt gebruikt om precies het gedrag te verklaren dat in eerste instantie de basis vormde om het bestaan van die trek af te leiden. Denk bijvoorbeeld aan een vriendin die vaak op een vriendelijke en open manier met andere mensen praat. Hoe zou je haar gedrag beschrijven? Je zou kunnen zeggen dat zij ‘sociaal’ is. Stel nu een andere vraag: hoe zou je haar gedrag verklaren? Je zou kunnen zeggen dat zij sociaal handelt omdat zij de trek sociabiliteit bezit. Maar daarmee geef je geen erg goede verklaring; sterker nog, zo’n verklaring schendt basisprincipes van wetenschappelijke verklaring. Het probleem is dat je alleen weet dat je vriendin de trek sociabiliteit heeft omdat je haar sociaal hebt zien handelen. Je verklaring draait dus in een logische cirkel: je gebruikt een woord (‘sociaal’) om een gedragspatroon te beschrijven en gebruikt vervolgens hetzelfde woord om het bestaan van dat beschreven gedragspatroon te verklaren. Eysenck besefte dat de trektheorie uit zulke conceptuele cirkels kan breken door verder te gaan dan louter woordgebruik en biologische systemen te identificeren die overeenkomen met trekken. Op de volgende pagina’s bekijken we in hoeverre hij erin slaagde zulke systemen te identificeren.
‘Superfactoren’: persoonlijkheidsstructuur in Eysencks theorie
Om een persoonlijkheidstheorie te construeren, voerde Eysenck factoranalyses uit op de antwoorden van deelnemers, net als Cattell. Maar Eysenck zette ook een extra stap: een secundaire toepassing van de factoranalytische methode. Hij voerde secundaire factoranalyses uit. Een secundaire factoranalyse is een statistische analyse van een eerste set factoren die onderling met elkaar correleren. Met andere woorden: bij het analyseren van een breed spectrum aan persoonlijkheidstrekken kan een eerste factoranalyse wijzen op het bestaan van een redelijk groot aantal factoren. In Cattells geval was dat aantal bij analyses van zelfrapportagegegevens 16. Deze factoren zijn echter niet statistisch onafhankelijk. Wanneer men zoveel factoren verkrijgt, blijken verschillende factoren vaak met elkaar samen te hangen; mensen die laag (hoog) scoren op de ene factor, scoren vaak ook laag (hoog) op een andere factor. (Een blik terug op tabel 7.1 suggereert intuïtief dat dit geldt voor sommige van Cattells factoren, zoals ‘gereserveerd’ en ‘verlegen’.) Omdat de factoren correleren, en factoranalyse een hulpmiddel is om patronen in een reeks correlaties te identificeren, kunnen de onderlinge correlaties tussen de factoren opnieuw factoranalytisch worden onderzocht. Dit wordt een secundaire factoranalyse genoemd.
Dit is precies wat Eysenck deed. Hij gebruikte secundaire factoranalyse om een eenvoudige set factoren te identificeren die onafhankelijk waren, dat wil zeggen: niet met elkaar correleerden. Deze secundaire factoren zijn uiteraard ook trekken: het zijn consistente stijlen van emotie of gedrag die mensen van elkaar onderscheiden. De superfactoren zijn continue dimensies, met een hoge en een lage kant, waarbij de meeste mensen ergens in het midden vallen. Maar het zijn factoranalytische trekdimensies op het hoogste niveau van een trekkenhiërarchie. Daarom noemde Eysenck ze superfactoren (‘super’ in de betekenis van ‘hoog’).
Aanvankelijk identificeerde Eysenck twee van zulke superfactoren, die hij (1) introversie-extraversie en (2) neuroticisme noemde (ook wel emotionele stabiliteit versus instabiliteit genoemd). Het overkoepelende begrip extraversie ordent lagergelegen trekken zoals sociabiliteit, activiteit, levendigheid en prikkelbaarheid. Neuroticisme ordent trekken zoals angstig, depressief, verlegen en humeurig.
Een interessant kenmerk van Eysencks systeem is dat het individuele verschillen omvat die al in de oudheid werden onderscheiden. De Griekse artsen Hippocrates (rond 400 v.Chr.) en Galenus (rond 200 n.Chr.) stelden het bestaan voor van vier basale persoonlijkheidstypen: melancholisch, flegmatisch, cholerisch en sanguinisch. Deze vier basale persoonlijkheidstypen kunnen worden weergegeven aan de hand van iemands positie op de dimensies introversie (I), extraversie (E) en stabiel-instabiel (N). Een melancholisch persoon zou bijvoorbeeld een combinatie laten zien van humeurige, angstige, rustige en weinig sociale trekken, terwijl een sanguinisch persoon een combinatie zou laten zien van sociale, extraverte, zorgeloze en gemakkelijke trekken. De oude Griekse theorieën over de oorzaken van persoonlijkheidstypen zijn inmiddels verworpen. Toch herkenden oude geleerden, zoals Eysenck inzag, wel degelijk belangrijke verschillen tussen mensen. Mensen die de Grieken zagen als behorend tot een bepaald persoonlijkheidstype, bleken daadwerkelijk veel samenhangende persoonlijkheidstrekken te hebben. Het feit dat deze persoonlijkheidsvariaties zowel in de oudheid als in de hedendaagse samenleving zichtbaar zijn, suggereert dat zij fundamentele kenmerken van de menselijke natuur kunnen zijn, met een biologische basis die tijd en plaats overstijgt.
Eysencks eerste werk identificeerde dus twee dimensies van normale variatie in persoonlijkheid: variaties die duidelijk zichtbaar zijn in de persoonlijkheidskwaliteiten van mensen die we in het dagelijks leven kennen. We herkennen allemaal dat vrienden en familie verschillen in de mate waarin zij kalm versus angstig zijn, verlegen versus sociaal, en Eysencks model ordent deze intuïties wetenschappelijk. Nadat hij deze twee dimensies had vastgesteld, voegde Eysenck echter een derde dimensie toe. Die ordent persoonlijkheidstrekken die we in extreme vorm als ‘abnormaal’ zouden kunnen bestempelen: agressiviteit, gebrek aan empathie, interpersoonlijke kilte en antisociale gedragsneigingen. Deze superfactor wordt psychoticisme genoemd. De drie resulterende factoren — psychoticisme, extraversie en neuroticisme — vormen samen Eysencks volledige model van persoonlijkheidsstructuur. De factoren zijn zo bekend in de persoonlijkheidspsychologie dat er vaak simpelweg naar wordt verwezen met hun beginletters: P, E en N.
De factoren meten
Met dit model in handen is vervolgens een beoordelingsinstrument nodig om individuele verschillen in P, E en N te meten. Ook daarin voorzag Eysenck. Hij ontwikkelde vragenlijstmetingen (bijvoorbeeld de Eysenck Personality Questionnaire) met eenvoudige zelfrapportage-items die bedoeld waren om elk van de factoren te meten (figuur 7.2). De typische extraverte persoon zal ‘ja’ antwoorden op vragen als: Vinden andere mensen jou erg levendig? Zou je ongelukkig zijn als je meestal niet veel mensen om je heen kon zien? Verlang je vaak naar spanning? De typische introverte persoon zal ‘ja’ antwoorden op vragen als: Geef je in het algemeen de voorkeur aan lezen boven mensen ontmoeten? Ben je meestal stil wanneer je met mensen bent? Stop je en denk je eerst goed na voordat je iets doet? Let erop dat Eysenck ook items voor een ‘leugenschaal’ opnam om personen te detecteren die antwoorden vervalsen om goed over te komen (figuur 7.2).
Een belangrijk kenmerk van Eysencks werk is dat hij, net als Cattell, objectieve metingen van trekken ontwikkelde: metingen die niet afhankelijk waren van subjectieve beoordelingen in vragenlijsten. Eén zo’n test, bedoeld om extraverte personen van introverte personen te onderscheiden, is Eysencks ‘citroendruppeltest’. Daarbij wordt een standaardhoeveelheid citroensap op de tong van de proefpersoon aangebracht. Introverte en extraverte personen (zoals vastgesteld met vragenlijsten) verschillen vervolgens in de hoeveelheid speeksel die wordt geproduceerd.
Waarom zou dat zo zijn (we hopen dat je jezelf die vraag stelt)? Het idee is dat er mogelijk een biologische basis is voor deze individuele verschillen.
Biologische grondslagen van persoonlijkheidstrekken
Eysenck gaf specifieke wetenschappelijke modellen voor de biologische grondslagen van individuele verschillen.
Let erop dat je, als je Eysenck bent, modellen nodig hebt — meervoud — en niet slechts één model. De trekken (P, E en N) zijn statistisch onafhankelijk. Daarom is voor elk van de drie trekken een afzonderlijk biologisch model nodig. De trek waarvoor Eysencks theorievorming over de onderliggende biologie het meest succesvol is gebleken, is extraversie.
Eysenck stelde dat individuele variaties in introversie-extraversie individuele verschillen weerspiegelen in het neurofysiologische functioneren van de hersenschors. Het idee is dat introverte mensen gemakkelijker geprikkeld raken; zij ervaren meer corticale arousal door gebeurtenissen in de wereld. Daardoor maken zeer intense sociale prikkels (bijvoorbeeld een luid feest) hen overgeprikkeld — een onaangename toestand die zij vermijden. Het sociale gedrag van introverte mensen is daardoor meer geremd, vanwege de relatief grotere arousal die zij ervaren. Omgekeerd ervaren extraverte mensen bij eenzelfde stimulus minder corticale arousal dan introverte mensen en zoeken zij daarom intensere sociale ervaringen op. Onderzoek dat de hersenactiviteit van introverte en extraverte mensen direct meet, biedt enige steun voor Eysencks theorievorming (Geen, 1997; zie ook de rubriek Persoonlijkheid en het brein in dit hoofdstuk).
Eysenck zelf leverde veel relevant bewijs over de biologie van deze dimensie, waaronder aanwijzingen dat introverte mensen sterker worden beïnvloed door straf bij leren, terwijl extraverte mensen sterker worden beïnvloed door beloning.
Omdat de trek een biologische basis heeft, zouden individuele verschillen in introversie-extraversie ten minste deels erfelijk moeten zijn. Let erop dat een biologische basis niet betekent dat een trek volledig erfelijk is, omdat ervaringen tijdens de ontwikkeling van een kind invloed hebben op iemands biologische gesteldheid. Studies met eeneiige en twee-eiige tweelingen suggereren doorgaans dat erfelijkheid inderdaad een grote rol speelt bij het verklaren van verschillen tussen individuen in E-scores (Krueger & Johnson, 2008; Loehlin, 1992; Plomin & Caspi, 1999). De volgende feiten zijn eveneens consistent met Eysencks biologische theorievorming: de dimensie introversie-extraversie wordt in verschillende culturen gevonden, individuele verschillen zijn stabiel over tijd en verschillende indicatoren van biologisch functioneren (bijvoorbeeld hersenactiviteit, hartslag, hormoonniveau, zweetklieractiviteit) correleren met E-scores (Eysenck, 1990).
Wat neuroticisme betreft, veronderstelde Eysenck dat de belangrijkste neurale systemen zijn: (a) het limbisch systeem, een lager gelegen hersengebied dat betrokken is bij emotionele arousal, en (b) het autonome zenuwstelsel, het deel van het zenuwstelsel dat lichamelijke arousal beïnvloedt (bijvoorbeeld hartslag en zweetklieractiviteit) en dat op zijn beurt wordt gereguleerd door het limbisch systeem. Eysenck voorspelde met name dat bij personen die hoog scoren op neuroticisme het autonome zenuwstelsel bijzonder snel zou reageren op stress en langzaam zou afnemen in activiteit nadat het gevaar is verdwenen.
De neurotische persoon lijkt daardoor ‘springerig’ en ‘gestrest’. Helaas voor de Eysenckiaanse theorie heeft onderzoek deze fysiologische theorie van neuroticisme niet consistent ondersteund, zoals Eysenck zelf volledig erkende (Eysenck, 1990). Recenter onderzoek met hersenbeeldvormingstechnieken die voor Eysenck nog niet beschikbaar waren, is echter veelbelovender geweest (zie de rubriek Persoonlijkheid en het brein in dit hoofdstuk).
Over de biologische basis van de dimensie psychoticisme (P) is minder bekend. Toch wordt hier een genetische samenhang gesuggereerd, met name een samenhang die verband houdt met mannelijkheid; agressiviteit, een component van P, is hoger bij mannen en kan worden beïnvloed door testosteronniveaus (Eysenck, 1990). Een recentere suggestie betreft een neurotransmitter in de hersenen, namelijk dopamine. Onderzoek suggereert dat mensen met hogere niveaus van psychoticisme hogere niveaus van dopamine-gerelateerde neurale activiteit hebben (Colzato, Slagter, van den Wildenberg, & Hommel, 2009). Dit resultaat is interessant omdat dopamine ook in verband is gebracht met de ernstige psychische stoornis schizofrenie.
Extraversie en sociaal gedrag
Verschillen mensen die uiteenlopen in extraversie-introversiescores ook in hun alledaagse sociale gedrag? Een grote hoeveelheid bewijs gaat op deze vraag in; extraversie is waarschijnlijk de meest uitgebreid onderzochte van alle trekken, deels omdat relevant gedrag relatief makkelijk te observeren is (Gosling, John, Craik, & Robins, 1998). Een overzicht van deze dimensie laat een indrukwekkende reeks bevindingen zien (Watson & Clark, 1997). Introverte mensen zijn bijvoorbeeld gevoeliger voor pijn dan extraverte mensen; ze raken sneller vermoeid dan extraverte mensen; opwinding verstoort hun prestatie, terwijl die de prestatie van extraverte mensen juist verbetert; en ze zijn doorgaans zorgvuldiger maar langzamer dan extraverte mensen. De volgende aanvullende verschillen zijn gevonden:
Introverte mensen doen het beter op school dan extraverte mensen, vooral in meer gevorderde vakken. Studenten die om academische redenen stoppen met hun studie zijn bovendien vaker extravert, terwijl studenten die om psychiatrische redenen stoppen vaker introvert zijn.
Extraverte mensen geven de voorkeur aan beroepen waarin interactie met andere mensen centraal staat, terwijl introverte mensen vaker de voorkeur geven aan meer solitaire beroepen. Extraverte mensen zoeken afleiding van werkroutine, terwijl introverte mensen minder behoefte hebben aan nieuwigheid.
Extraverte mensen genieten van expliciete seksuele en agressieve humor, terwijl introverte mensen de voorkeur geven aan meer intellectuele vormen van humor, zoals woordspelingen en subtiele grappen.
Extraverte mensen zijn seksueel actiever, in termen van frequentie en verschillende partners, dan introverte mensen.
Extraverte mensen zijn suggestibeler dan introverte mensen.
Deze laatste bevinding wordt geïllustreerd in een studie naar een hyperventilatie-epidemie in Engeland (Moss & McEvedy, 1966). Een eerste melding door enkele meisjes van flauwvallen en duizeligheid werd gevolgd door een uitbraak van vergelijkbare klachten, waarbij 85 meisjes per ambulance naar het ziekenhuis moesten worden gebracht: ‘ze vielen om als kegels’. Een vergelijking tussen de meisjes die getroffen waren en degenen die dat niet waren, liet zien dat de getroffen meisjes, zoals verwacht, hoger scoorden op zowel neuroticisme als extraversie. Met andere woorden: de individuen van wie de persoonlijkheid het meest vatbaar was voor suggestie, bleken het gevoeligst voor beïnvloeding door suggesties van een echte epidemie.
Tot slot kunnen de resultaten van een onderzoek naar studiegewoonten bij introverte en extraverte mensen bijzonder interessant zijn voor studenten. Het onderzoek bekeek of zulke persoonlijkheidsverschillen samengaan met verschillende voorkeuren voor waar en hoe men studeert, zoals Eysencks theorie zou voorspellen. In overeenstemming met Eysencks theorie over individuele verschillen werd het volgende gevonden: (1) extraverte mensen kozen vaker dan introverte mensen voor studeerplekken in de bibliotheek die externe stimulatie boden, (2) extraverte mensen namen meer studiepauzes dan introverte mensen, en (3) extraverte mensen rapporteerden een voorkeur voor een hoger geluidsniveau en meer mogelijkheden tot sociaal contact tijdens het studeren dan introverte mensen (Campbell & Hawley, 1982). Extraverte en introverte mensen verschillen in hun fysiologische reacties op hetzelfde geluidsniveau (introverte mensen laten een sterkere reactie zien), en ieder functioneert het best bij het geluidsniveau van zijn of haar voorkeur (Geen, 1984). Een belangrijke implicatie van dergelijk onderzoek is dat verschillende omgevingsontwerpen voor bibliotheken en woonunits mogelijk beter aansluiten bij de behoeften van introverte en extraverte mensen.
Psychopathologie en gedragsverandering
Eysenck ontwikkelde ook een theorie over abnormale psychologie en gedragsverandering. Een kernidee dat Eysenck verdedigde, is dat het type symptomen of psychologische moeilijkheden dat iemand ervaart samenhangt met basale persoonlijkheidstrekken en met het functioneren van het zenuwstelsel dat bij die trekken hoort.
Iemand ontwikkelt neurotische symptomen door de gezamenlijke werking van een biologisch systeem en omgevingservaringen die bijdragen aan het aanleren van sterke emotionele reacties op angstwekkende prikkels. In overeenstemming met deze suggestie van Eysenck heeft de overgrote meerderheid van neurotische patiënten doorgaans hoge scores op neuroticisme en lage scores op extraversie (Eysenck, 1982, p. 25). Criminelen en antisociale personen hebben daarentegen meestal hoge scores op neuroticisme, extraversie én psychoticisme. Zulke personen leren maatschappelijke normen zwak aan.
Ondanks de genetische component van persoonlijkheidstrekken en stoornissen was Eysenck optimistisch over behandeling: ‘Het feit dat genetische factoren een grote rol spelen bij het ontstaan en voortbestaan van neurotische stoornissen en ook van criminele activiteiten is zeer onwelkom voor veel mensen die geloven dat zo’n stand van zaken noodzakelijkerwijs tot therapeutisch nihilisme moet leiden. Als erfelijkheid zo belangrijk is, zeggen zij, dan moet gedragsverandering van welke aard dan ook duidelijk onmogelijk zijn. Dit is een volledig onjuiste interpretatie van de feiten. Wat genetisch bepaald is, zijn predisposities van een persoon om op een bepaalde manier te handelen en zich te gedragen wanneer hij of zij in bepaalde situaties wordt geplaatst’ (Eysenck, 1982, p. 29). Het is mogelijk dat iemand bepaalde potentieel traumatische situaties vermijdt, angstreacties afleert, passend sociaal gedrag leert en zo een persoonlijkheidsstijl bereikt die afwijkt van zijn of haar oorspronkelijke predisposities. Eysenck was daarmee een belangrijke voorstander van gedragstherapie: de systematische toepassing van leerprincipes en gedragsverandering binnen therapie (zie hoofdstuk 9).
Evaluatie van de Eysenckiaanse theorie
In veel opzichten zijn Eysencks bijdragen aan de persoonlijkheidswetenschap voorbeeldig. Hij hield vast aan de hoogste wetenschappelijke standaarden en theoretiseerde tegelijkertijd op een creatieve manier. Hij bracht uiteenlopende vormen van bewijs samen bij vragen over individuele verschillen. Zijn omvangrijke publicaties brachten zijn ideeën over persoonlijkheid niet alleen over aan collega-wetenschappers, maar ook aan een breder intellectueel publiek. Als de persoonlijkheidspsychologie tien Eysencks had gekend in plaats van één, zou het vakgebied vandaag veel sterker zijn.
Historisch gezien was Eysenck altijd bereid tegen de stroom in te zwemmen. ‘Meestal was ik tegen het establishment en vóór de rebellen’ (Eysenck, 1982, p. 298). Dit is uiteraard Eysencks visie op zichzelf. Veel hedendaagse wetenschappers zouden stellen dat de Eysenckiaanse strategie om individuele personen te beschrijven aan de hand van scores op een klein aantal universele persoonlijkheidsdimensies zelf een gevestigde procedure is waartegen een humanist in opstand zou kunnen komen.
Toch kun je je afvragen waarom Eysenck niet nóg invloedrijker is geweest (zie Lochlin, 1982). Sommige antwoorden hebben te maken met de sociale wereld van wetenschappelijke activiteit. Eysencks beslissing om een nieuw tijdschrift op te richten (zie hierboven) kan deels averechts hebben gewerkt. Wanneer een wetenschapper een wetenschappelijk tijdschrift begint, lezen aanhangers van diens positie het zorgvuldig, maar anderen mogelijk niet. Publicaties kunnen daardoor geïsoleerd raken van de hoofdstroom van het vakgebied. Andere antwoorden hebben te maken met de wetenschappelijke inhoud. Zoals je in het volgende hoofdstuk van dit boek zult zien, hebben sommige psychologen geoordeeld dat meer dan twee persoonlijkheidsfactoren nodig zijn om individuele verschillen te beschrijven, en anderen hebben gesteld dat zelfs Eysencks twee basisfactoren moeten worden aangepast om beter aan te sluiten bij kennis over hersensystemen (Gray, 1990).
Een recente review van Matthews (2016) stelt krachtig dat het, ondanks de historische betekenis van Eysencks inspanningen, tijd is voor persoonlijkheidstrekpsychologen om zijn kader los te laten. Matthews baseert zijn argument op een aantal kritieken op de Eysenckiaanse theorie, waaronder de volgende:
Metingen sloten niet aan op de theorie. Eysencks theorie ging over neurale factoren, zoals niveaus van corticale arousal. Zijn belangrijkste meetinspanningen waren echter gericht op de ontwikkeling van zelfrapportagevragenlijsten. Zelfrapportages zijn geen goede manier om hersenactiviteit te meten. Mensen kunnen niet rechtstreeks introspecteren over de werking van hun brein, en gedragsneigingen waarover zij rapporteren kunnen een interactie weerspiegelen tussen biologische factoren en sociaal-culturele ervaringen, in plaats van een directe indicator te zijn van activiteit in de hersenen.
De Eysenckiaanse theorie onderschatte de complexiteit van het brein. Hedendaagse hersenwetenschap laat zien dat hogere corticale systemen en lagergelegen perceptuele en emotionele systemen sterk met elkaar verbonden zijn en dus met elkaar interacteren. Eysencks focus op corticale arousal bood daardoor een te eenvoudig model van brein en persoonlijkheid.
Cognitieve factoren beïnvloeden prestaties. Bij het verklaren van gedrag richtte de Eysenckiaanse theorie zich op arousalniveaus van een klein aantal hersensystemen die mensen delen met veel andere zoogdiersoorten. Zelfs als we zouden aannemen dat deze arousalverklaring juist is, is zij duidelijk onvoldoende om individuele verschillen tussen mensen te verklaren. Mensen denken. Zoals Matthews benadrukt, onderscheiden mensen zich van andere dieren door ‘het gebruik van talige representaties die schema’s voor toekomstige gebeurtenissen en vooruitplanning ondersteunen’ (2016, p. 63).
Matthews’ centrale argument is dat persoonlijkheidstrekken deels de overtuigingen van individuen over zichzelf en de sociale wereld weerspiegelen. Dit inzicht, dat fundamenteel is voor de persoonlijke-constructtheorie (hoofdstuk 10) en de sociaal-cognitieve theorie (hoofdstukken 11 en 12), ‘staat haaks op het Eysenckiaanse perspectief’ (Matthews, 2016, p. 63).
Belangrijke begrippen
Bekwaamheids-, temperament- en dynamische trekken
Kardinale trek
Centrale trekken
Extraversie
Factoranalyse
Functionele autonomie
Introversie
L-data
Neuroticisme
OT-data
Psychoticisme
Q-data
Rol
Secundaire disposities
Brontrekken
Toestand
Superfactoren
Oppervlaktetrekken
Trek
Herhaling
Het trekbegrip verwijst naar brede disposities van mensen om bepaald gedrag te vertonen of bepaalde soorten emotionele ervaringen te hebben. Allport, een van de eerste trektheoretici, maakte onderscheid tussen kardinale trekken, centrale trekken en specifieke disposities. Hij stelde ook dat sommige trekken alleen kunnen worden geïdentificeerd via idiografische onderzoeksstrategieën: strategieën die gevoelig zijn voor mogelijk bijzondere kenmerken van specifieke individuen.
Veel trektheoretici gebruiken de statistische techniek factoranalyse om een classificatie van trekken te ontwikkelen. Met deze techniek worden groepen items of reacties gevormd (factoren), waarbij de items binnen één groep (factor) sterk met elkaar samenhangen en duidelijk verschillen van items in een andere groep (factor).
Cattell maakte onderscheid tussen bekwaamheids-, temperament- en dynamische trekken, en daarnaast tussen oppervlaktetrekken en brontrekken.
Volgens Eysenck zijn de basisdimensies van persoonlijkheid introversie-extraversie, neuroticisme en psychoticisme. Er zijn vragenlijsten ontwikkeld om mensen op deze trekdimensies te beoordelen. Onderzoek heeft zich vooral gericht op de trekdimensie introversie-extraversie, waarbij verschillen in activiteitsniveau en activiteitsvoorkeuren zijn gevonden. Eysenck stelt dat individuele verschillen in trekken een biologische en genetische (erfelijke) basis hebben.