1/51
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
inhoud
1 — bouw
2 — functies
1 — BOUW
opbouw — fluid mosaic model
membraan lipiden
eiwitten
suikers

membraanlipiden
40%
amphiphatische molecules = hydrofiel + hydrofoob
lipden dubbellaag (bi-layer); spontane formatie
functies/eigenschappen;
bouwsteen membraan
selectieve barrière
zelf-herstellend (‘kleine’ lekken)
membraanlipiden — types (3)
glycero-fosfolipiden
glycerol + 2 vetzuurstaarten + fosfaat
vb. fosfatidylcholine
sphingo-lipiden
ceramide = sphingosine + vetzuur
(polaire groep)
vb. ceramide, sphingomyeline …
sterolen
vb. cholesterol
lipiden — rigiditeit vs fluïditeit factoren (3)
fluïditeit ↗ | rigiditeit ↗ | |
lengte vetzuurstaarten | kort | lang |
verzadigdheid | onverzadigd
| verzadigd
|
cholesterol | bij lage temp. | bij hoge temp. |
aanmaak membraan
synthese membraanlipiden;
uit glycerol, vetzuren, fosfaatgroepen …
door enzymen aan cytosolzijde GER
modificatie;
membraanlipiden en membraaneiwitten
in Golgi (inwendig)
aanmaak membraan
scramblasen
verdelen lipiden willekeurig over beide membraanlagen
passief, ATP-onafhankelijk
in ER en plasmamembraan
flippasen / floppasen
flip; extra → intra
flop; intra → extra
ATP-afhankelijk
in Golgi-apparaat en plasmamembraan
asymmetrisch membraan
= verschillende lipiden aan binnen- en buitenkant
beïnvloedt buiging (curvature) en vloeibaarheid membraan
intracellulair; negatief geladen
extracellulair; glyco-lipiden/-eiwitten voor herkenning
eiwitten
55%
2 soorten;
integraal
perifeer

eiwitten — types (8)
kanaal; transport moleculen/ionen
aspecifiek
transport; actief/passief
specifiek
drager; endocytose
receptor; signalen
cel herkenning; immuniteit
enzymen; vb. cAMP
verankering; CAM & integrines
celcortex
eiwitten — celcortex
= submembranair netwerk van fibreuze eiwitten dat membraan verstevigt
types filamenten;
spectrine (RBC)
actine / myosine
→ vorm & stevigheid cel
→ ‘vasthouden’ membraan EW
organisatie van membraan-domeinen (4)
A: koppeling aan de celcortex
B: koppeling aan extracellulaire eiwitten
C: koppeling aan de transmembraaneiwitten van een andere cel
D: gebruik maken van een tight-junction band
lipid rafts

lipid rafts
= zones in celmembraan met bijzondere samenstelling
veel cholesterol
veel verzadigde fosfolipiden
→ weinig fluïditeit
suikers
5%
geen basistructuur; hangen vast aan
proteïnen = glycoproteïnes
lipiden = glycolipiden
indien bovenstaande rijkelijk aanwezig; glycocalix
suikers — functies
celherkenning, celvasthechting, receptor
bescherming
vb.
suikers op RBC; bepaling bloedgroep
suikers op WBC; herkenning van ontstekingshaard door lectine (= eiwit op oppervlaktecellen bloedvlaten)
2 — FUNCTIES
functies (3)
stevigheid & vasthechting / barrière
transport / passage / uitwisseling
signalisatie in/out → “effect”
stevigheid & vasthechting / barrière
celmembraan an sich; weinig invloed
cytoskelet
cel-celverbindingen
molecules; CAM’s
gespecialiseerde
CAM’s = cel-adhesie moleculen — types
“lijmen” cellen aan;
elkaar; cel-cel transmembranair
vb. cadherines
ECM; cel-interstitiële matrix
vb. integrines
basale membraan; cel-basale membraan
vb. integrines
CAM’s = cel-adhesie moleculen — types
structuur;
1 intracellulair domein, 1 transmembranaire α-helix en 1 extracellulair domein
onderverdeling;
Ca-dependent; cadherines + selectines
Ca-independent; Ig-Superfamily-CAMs + integrines
gespecialiseerde cel-celverbindingen
tight junction = zonula occludens
adhering junction = zonula adherens
gap junction
desmosomen = macula adherens
tight junction = zonula occludens
wat? membranen v. twee cellen komen samen → vormen barrière tegen vloeibare stoffen
doel? barrrière + selectieve “poorten” + grenslaag tss apicaal en basolateraal domein
proteïne? claudines + occludines
adhering junction = zonula adherens
wat? eiwitcomplex dat hechte verbinding tussen verschillende cellen in een weefsel vormt
doel? stevigheid in weefsels die onder mechanische belasting staan, zoals epitheel- en hartspierweefsel
proteïne? cadherines
gap junction
wat? kanaalvormige verbindingen tussen naburige cellen
doel? uitwisseling van ionen en kleine moleculen; communicatie tss cellen, vooral in hartspiercellen en neuronen; elektrische en chemische signalen
proteïne? connexonen
desmosomen = macula adherens
wat? sterke, puntvormige cel-celverbindingen die zorgen voor mechanische stevigheid in weefsels die veel rek en druk ondergaan
doel? voorkomt dat cellen uit elkaar getrokken worden bij mechanische stress, zoals in de huid en het hart
proteïne?
schijfdesmosomen; cadherines
hemi-desmosomen; integrines
gespecialiseerde cel-celverbindingen — samengevat

gespecialiseerde cel-celverbindingen — schema

transport / passage / uitwisseling
passief
actief
passief transport
diffusie
gefaciliteerde diffusie
osmose
filtratie
passief transport — diffusie
hoge → lage conc
slechts enkele, kleine en ongeladen moleculen;
gassen; O2, CO2 …
hydrofobe moleculen
polaire moleculen
passief transport — gefaciliteerde diffusie
gebruikmakend van transmembranair eiwit
hoge → lage conc
2 manieren;
transporter eiwitten; specifiek
kanalen; aspecifiek
leakage channels
controlled channels
gefaciliteerde diffusie — beïnvloedende factoren
concentratie gradiënt
elektrochemische gradiënt
aantal transporteiwitten/kanalen
activatie status; on-off
afhankelijk chemische, elektrische en/of mechanische signalen
gefaciliteerde diffusie — types kanalen (3)
voltage-gated
ligand-gated
mechanically-gated
passief transport — osmose
vorm van diffusie
transport H2O
door semi-permeabel membraan
doel; concentratie aan opgeloste stoffen gelijk krijgen aan beide zijden
opm; water kan ook via specifieke kanaaltjes (=aquaporines) doorheen celmembraan bewegen
passief transport — filtratie
water en opgelosten stoffen worden door (hydrostatiche) druk doorheen membraan geperst
al dan niet via carrier / kanaal
actief transport
primair
enkelvoudige pompen
uitwisselingspompen
secundair
gekoppelde pompen
symport = zelfde richting
antiport = tegengestelde richting
endo-, exo-, pino- en fagocytose
soorten pompen
P-klasse
pompen ionen
F- en V-klasse
pompen protonen
ABC-klasse
pompen macromoleculen

(receptor gemedieerde) endocytose
liganden binden aan membraanreceptoren
“drijven” samen naar membraanoppervlak
instulpingen worden afgesnoerd
vorming vesikels in cytosol = endosomen
(receptor gemedieerde) endocytose — clathrine gemedieerde endocytose
afhankelijk van een heleboel eiwitten waaronder;
adaptine (eiwit) verbindt clathrine met de membraanreceptoren
dynamine (eiwit) essentieel voor afsnoeren vesikel
afgesnoerde vesikel is aanvankelijk nog ‘gecoat’ met eiwitten (o.a. clathrine)
komen los + gerecycleerd
cargo komt los receptor
we spreken over “early” endosoom
“early” endosoom splitst in;
“late” endosoom (met enkel cargo)
“recycling'“ endosoom = leeg vesikel
(receptor gemedieerde) endocytose — clathrine gemedieerde endocytose

“late” endosoom
moeten op juiste plaats terechtkomen;
“docking”
membraanfusie
gebeurt adhv eiwitten;
Rab = “adreskaartjes”
herkend door Rab-receptoren
SNARE
v-SNARE = vesikel
t-SNARE = target
(receptor gemedieerde) endocytose — types samengevat
clathrin-mediated endocytosis (CME)
lipid raft dependent endocytosis
caveolin-mediated
clathrin- and caveolin-independent

endocytose — pinocytose
opname opgeloste stoffen via vesikels
2 opties;
fuseren met lysosoom
“reizen” naar andere kant om via exocytose inhoud vrij te zetten in extracellulair milieu
= transcytose
endocytose — fagocytose
receptor gemedieerd endocytose
opname stoffen via vesikels (fagosomen)
gereguleerd door antistoffen (Y)
worden herkend door vb. neutrofielen, macrofagen …
fuseren met lysosoom → fagolysosoom
exocytose
vesikels zijn intracellulair gemaakt, maar geven inhoud aan extracellulaire milieu
2 types;
constitutief = automatisch
gemedieerd (door signalen)
vb. hormonen, neurotransmitters …
signalisatie in/out
werking via signaal-molecules en receptor eiwitten
soorten;
endocrien, hormonen
paracrien, lokale mediatoren
autocrien
synaptisch, neurotransmitter
juxatacrien = contact dependent
signaal ≠ effect
één signaalmolecule kan meerdere effecten hebben, afhankelijk van celtype
cel reageert maar op bepaalde signaalmoleculen; afhankelijk van aan- of afwezigheid signaal-receptor
vb. ACh
hart → vertraagde hartslag
speekselklier → speekselvorming
…
signaalreceptoren
signaalmoleculen die doorheen membraan kunnen;
intracellulaire receptor
signaalmoleculen die niet doorheen membraan kunnen;
membraanreceptor — 3 types;
ion-channel linked
G-protein linked
enzyme-linked
ion-channel linked receptor
signaalmolecule → openen ion-kanaal
gefaciliteerde diffusie
→ verschil in membraan potentiaal
→ spiercontractie
→ …
zenuwcellen; signalen = neurotransmitters

G-protein linked receptor
= GPLR
= “seven pass transmembrane receptors”
activatie G-proteine → activatie enzym / kanaal
vb. geursignalen, lichtsignalen, ontstekings-signalen …

enzyme-linked receptor — voorbeeld
insuline bindt op de insuline receptor;
activatie receptor
cascade-activatie
expressie GLUT-4
gefaciliteerde diffusie glucose
