1/29
Cartes mémoires de vocabulaire et d'instructions de classe en français avec leurs traductions en néerlandais.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Asseyez-vous.
Ga zitten.
Qui est absent ?
Wie is afwezig?
Sortez votre matériel.
Haal je materiaal boven.
Prenez votre cahier d'exercices.
Neem je oefenschrift.
On va corriger les exercices.
We gaan de oefeningen verbeteren.
Levez la main pour parler / pour répondre.
Steek je hand op om te praten / te antwoorden.
Je peux aller aux toilettes ?
Mag ik naar het toilet?
J'ai oublié mon livre / mon cahier.
Ik ben mijn boek / schrift vergeten.
Qu'est-ce que ça veut dire ?
Wat betekent dat?
Ça se prononce / s'écrit comment ?
Hoe spreek je dat uit / hoe schrijf je dat?
Je ne comprends pas.
Ik begrijp het niet.
Pouvez-vous expliquer encore une fois, s'il vous plaît ?
Kunt u het nog een keer uitleggen, alstublieft?
Ajoute(z).
Voeg toe.
Barre(z).
Doorstreep.
Coche(z).
Kruis aan.
Complète / complétez le cadre.
Vul het kader aan.
Entoure(z).
Omcirkel.
Souligne(z).
Onderstreep.
Traduis / traduisez.
Vertaal.
un point d'exclamation
een uitroepteken
un point d'interrogation
een vraagteken
des guillemets
aanhalingstekens
la compréhension écrite (CE)
de leesvaardigheid
la compréhension orale (CO)
de luistervaardigheid
l'expression écrite (EE)
de schrijfvaardigheid
l'expression orale (EO)
de spreekvaardigheid
un pronom
een voornaamwoord
le radical
de stam
un substantif
een zelfstandig naamwoord
une voyelle
een klinker