1/128
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced |
---|
No study sessions yet.
bevallen
beviel, bevielen, bevallen
bevinden
bevond, bevonden, bevonden
bewegen
bewoog, bewogen, bewogen
bewijzen
bewees, bewezen, bewezen
bezitten
bezat, bezaten, bezeten
bezoeken
bezocht, bezochten, bezocht
bidden
bad, baden, gebeden
binden
bond, bonden, gebonden
blijken
bleek, bleken, gebleken
breken
brak, braken, gebroken
buigen
boog, bogen, gebogen
deelnemen
nam deel, namen deel, deelgenomen
doorbrengen
bracht door, brachten door, doorgebracht
doordringen
drong door, drongen door, doorgedrongen
doorgaan
ging door, gingen door, doorgegaan
doorlopen
liep door, liepen door, doorgelopen
drijven
dreef, dreven, gedreven
dringen
drong, drongen, gedrongen
dwingen
dwong, dwongen, gedwongen
ervaren
ervoer, ervoeren, ervaren
gelden
gold, golden, gegolden
genieten
genoot, genoten, genoten
glijden
gleed, gleden, gegleden
glimmen
glom, glommen, geglommen
grijpen
greep, grepen, gegrepen
hangen
hing, hingen, gehangen
inhouden
hield in, hielden in, ingehouden
ingaan
ging in, gingen in, ingegaan
innemen
nam in, namen in, ingenomen
inzien
zag in, zagen in, ingezien
klimmen
klom, klommen, geklommen
klinken
klonk, klonken, geklonken
liegen
loog, logen, gelogen
lijden
leed, leden, geleden
meebrengen
bracht mee, brachten mee, meegebracht
meedoen
deed mee, deden mee, meegedaan
meegaan
ging mee, gingen mee, meegegaan
meevallen
viel mee, vielen mee, meegevallen
nadenken
dacht na, dachten na, nagedacht
omdraaien
draaide om, draaiden om, omgedraaid
omgaan
ging om, gingen om, omgegaan
omkeren
keerde om, keerden om, omgekeerd
onderzoeken
onderzocht, onderzochten, onderzocht
ontbreken
ontbrak, ontbraken, ontbroken
onthouden
onthield, onthielden, onthouden
ontstaan
ontstond, ontstonden, ontstaan
ontvangen
ontving, ontvingen, ontvangen
opbrengen
bracht op, brachten op, opgebracht
opeten
at op, aten op, opgegeten
opgaan
ging op, gingen op, opgegaan
opgeven
gaf op, gaven op, opgegeven
opheffen
hief op, hieven op, opgeheven
ophouden
hield op, hielden op, opgehouden
opkijken
keek op, keken op, opgekeken
opkomen
kwam op, kwamen op, opgekomen
oplopen
liep op, liepen op, opgelopen
opnemen
nam op, namen op, opgenomen
opschieten
schoot op, schoten op, opgeschoten
opstaan
stond op, stonden op, opgestaan
optreden
trad op, traden op, opgetreden
optrekken
trok op, trokken op, opgetrokken
opvallen
viel op, vielen op, opgevallen
opzoeken
zocht op, zochten op, opgezocht
overblijven
bleef over, bleven over, overgebleven
overgaan
ging over, gingen over, overgegaan
overlijden
overleed, overleden, overleden
overteken
tekende over, tekenden over, overgetekend
overtrekken
trok over, trokken over, overgetrokken
overwegen
overwoog, overwogen, overwogen
plaatsvinden
vond plaats, vonden plaats, plaatsgevonden
rijden
reed, reden, gereden
scheppen
schiep, schiepen, geschapen
schieten
schoot, schoten, geschoten
schijnen
scheen, schenen, geschenen
schrijven
schreef, schreven, geschreven
schrikken
schrok, schrokken, geschrokken
schuiven
schoof, schoven, geschoven
slaan
sloeg, sloegen, geslagen
slapen
sliep, sliepen, geslapen
spijten
speet, speten, gespeten
springen
sprong, sprongen, gesprongen
steken
stak, staken, gestoken
sterven
stierf, stierven, gestorven
stijgen
steeg, stegen, gestegen
strijken
streek, streken, gestreken
tegenvallen
viel tegen, vielen tegen, tegengevallen
thuiskomen
kwam thuis, kwamen thuis, thuisgekomen
toegeven
gaf toe, gaven toe, toegegeven
toelaten
liet toe, lieten toe, toegelaten
toenemen
nam toe, namen toe, toegenomen
treffen
trof, troffen, getroffen
treden
trad, traden, getreden
trekken
trok, trokken, getrokken
uitdoen
deed uit, deden uit, uitgedaan
uitgaan
ging uit, gingen uit, uitgegaan
uitgeven
gaf uit, gaven uit, uitgegeven
uitkijken
keek uit, keken uit, uitgekeken
uitkomen
kwam uit, kwamen uit, uitgekomen
uitspreken
sprak uit, spraken uit, uitgesproken
uitsteken
stak uit, staken uit, uitgestoken