Onregelmatige Werkwoorden Vol. 2 | Quizlet

0.0(0)
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
Card Sorting

1/128

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Study Analytics
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced

No study sessions yet.

129 Terms

1
New cards

bevallen

beviel, bevielen, bevallen

2
New cards

bevinden

bevond, bevonden, bevonden

3
New cards

bewegen

bewoog, bewogen, bewogen

4
New cards

bewijzen

bewees, bewezen, bewezen

5
New cards

bezitten

bezat, bezaten, bezeten

6
New cards

bezoeken

bezocht, bezochten, bezocht

7
New cards

bidden

bad, baden, gebeden

8
New cards

binden

bond, bonden, gebonden

9
New cards

blijken

bleek, bleken, gebleken

10
New cards

breken

brak, braken, gebroken

11
New cards

buigen

boog, bogen, gebogen

12
New cards

deelnemen

nam deel, namen deel, deelgenomen

13
New cards

doorbrengen

bracht door, brachten door, doorgebracht

14
New cards

doordringen

drong door, drongen door, doorgedrongen

15
New cards

doorgaan

ging door, gingen door, doorgegaan

16
New cards

doorlopen

liep door, liepen door, doorgelopen

17
New cards

drijven

dreef, dreven, gedreven

18
New cards

dringen

drong, drongen, gedrongen

19
New cards

dwingen

dwong, dwongen, gedwongen

20
New cards

ervaren

ervoer, ervoeren, ervaren

21
New cards

gelden

gold, golden, gegolden

22
New cards

genieten

genoot, genoten, genoten

23
New cards

glijden

gleed, gleden, gegleden

24
New cards

glimmen

glom, glommen, geglommen

25
New cards

grijpen

greep, grepen, gegrepen

26
New cards

hangen

hing, hingen, gehangen

27
New cards

inhouden

hield in, hielden in, ingehouden

28
New cards

ingaan

ging in, gingen in, ingegaan

29
New cards

innemen

nam in, namen in, ingenomen

30
New cards

inzien

zag in, zagen in, ingezien

31
New cards

klimmen

klom, klommen, geklommen

32
New cards

klinken

klonk, klonken, geklonken

33
New cards

liegen

loog, logen, gelogen

34
New cards

lijden

leed, leden, geleden

35
New cards

meebrengen

bracht mee, brachten mee, meegebracht

36
New cards

meedoen

deed mee, deden mee, meegedaan

37
New cards

meegaan

ging mee, gingen mee, meegegaan

38
New cards

meevallen

viel mee, vielen mee, meegevallen

39
New cards

nadenken

dacht na, dachten na, nagedacht

40
New cards

omdraaien

draaide om, draaiden om, omgedraaid

41
New cards

omgaan

ging om, gingen om, omgegaan

42
New cards

omkeren

keerde om, keerden om, omgekeerd

43
New cards

onderzoeken

onderzocht, onderzochten, onderzocht

44
New cards

ontbreken

ontbrak, ontbraken, ontbroken

45
New cards

onthouden

onthield, onthielden, onthouden

46
New cards

ontstaan

ontstond, ontstonden, ontstaan

47
New cards

ontvangen

ontving, ontvingen, ontvangen

48
New cards

opbrengen

bracht op, brachten op, opgebracht

49
New cards

opeten

at op, aten op, opgegeten

50
New cards

opgaan

ging op, gingen op, opgegaan

51
New cards

opgeven

gaf op, gaven op, opgegeven

52
New cards

opheffen

hief op, hieven op, opgeheven

53
New cards

ophouden

hield op, hielden op, opgehouden

54
New cards

opkijken

keek op, keken op, opgekeken

55
New cards

opkomen

kwam op, kwamen op, opgekomen

56
New cards

oplopen

liep op, liepen op, opgelopen

57
New cards

opnemen

nam op, namen op, opgenomen

58
New cards

opschieten

schoot op, schoten op, opgeschoten

59
New cards

opstaan

stond op, stonden op, opgestaan

60
New cards

optreden

trad op, traden op, opgetreden

61
New cards

optrekken

trok op, trokken op, opgetrokken

62
New cards

opvallen

viel op, vielen op, opgevallen

63
New cards

opzoeken

zocht op, zochten op, opgezocht

64
New cards

overblijven

bleef over, bleven over, overgebleven

65
New cards

overgaan

ging over, gingen over, overgegaan

66
New cards

overlijden

overleed, overleden, overleden

67
New cards

overteken

tekende over, tekenden over, overgetekend

68
New cards

overtrekken

trok over, trokken over, overgetrokken

69
New cards

overwegen

overwoog, overwogen, overwogen

70
New cards

plaatsvinden

vond plaats, vonden plaats, plaatsgevonden

71
New cards

rijden

reed, reden, gereden

72
New cards

scheppen

schiep, schiepen, geschapen

73
New cards

schieten

schoot, schoten, geschoten

74
New cards

schijnen

scheen, schenen, geschenen

75
New cards

schrijven

schreef, schreven, geschreven

76
New cards

schrikken

schrok, schrokken, geschrokken

77
New cards

schuiven

schoof, schoven, geschoven

78
New cards

slaan

sloeg, sloegen, geslagen

79
New cards

slapen

sliep, sliepen, geslapen

80
New cards

spijten

speet, speten, gespeten

81
New cards

springen

sprong, sprongen, gesprongen

82
New cards

steken

stak, staken, gestoken

83
New cards

sterven

stierf, stierven, gestorven

84
New cards

stijgen

steeg, stegen, gestegen

85
New cards

strijken

streek, streken, gestreken

86
New cards

tegenvallen

viel tegen, vielen tegen, tegengevallen

87
New cards

thuiskomen

kwam thuis, kwamen thuis, thuisgekomen

88
New cards

toegeven

gaf toe, gaven toe, toegegeven

89
New cards

toelaten

liet toe, lieten toe, toegelaten

90
New cards

toenemen

nam toe, namen toe, toegenomen

91
New cards

treffen

trof, troffen, getroffen

92
New cards

treden

trad, traden, getreden

93
New cards

trekken

trok, trokken, getrokken

94
New cards

uitdoen

deed uit, deden uit, uitgedaan

95
New cards

uitgaan

ging uit, gingen uit, uitgegaan

96
New cards

uitgeven

gaf uit, gaven uit, uitgegeven

97
New cards

uitkijken

keek uit, keken uit, uitgekeken

98
New cards

uitkomen

kwam uit, kwamen uit, uitgekomen

99
New cards

uitspreken

sprak uit, spraken uit, uitgesproken

100
New cards

uitsteken

stak uit, staken uit, uitgestoken