bio: deel 1 en deel 2: Nucleïnezuren, celcyclus en celdelingen

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
Locked
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/214

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 3:44 PM on 2/27/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai
Chat

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

215 Terms

1
New cards
2
New cards
3
New cards
4
New cards
5
New cards
Wat zijn nucleïnezuren?
Polymeren opgebouwd uit nucleotiden; de belangrijkste zijn DNA en RNA.
6
New cards
Uit welke drie componenten bestaat een nucleotide?
Fosfaatgroep, suiker (pentose) en organische base.
7
New cards
Welke vijf basen komen voor in nucleïnezuren?
Cytosine (C), thymine (T), uracil (U), adenine (A), guanine (G).
8
New cards

Welke basen zijn pyrimidines? één ringstructuur

Cytosine (C), thymine (T) en uracil (U).

9
New cards

Welke basen zijn purines? dubbele ringstructuur (twee ringen).


Adenine (A) en guanine (G).

Ezelsbrugje:
“PURe As Gold”PUrines = A en G.

10
New cards
Wat is het verschil tussen ribose en desoxyribose?
Ribose heeft een -OH op C2’; desoxyribose heeft H op C2’.
11
New cards
Wat zijn fosfodiësterbindingen?
Verbindingen tussen de fosfaatgroep van het ene nucleotide en het C3’-atoom van een ander nucleotide.
12
New cards
Wat bepaalt de primaire structuur van een nucleïnezuur?
De volgorde van nucleotiden in de keten.
13
New cards
Welke oriëntatie hebben nucleïnezuurketen altijd?
5’ → 3’ of 3’ → 5’.
14
New cards
Wat is het pentose in DNA?
Desoxyribose.
15
New cards
Welke base komt niet voor in DNA?
Uracil (U).
16
New cards
Wat betekent dat basen complementair zijn?
Adenine (A) bindt altijd met Thymine (T) via 2 waterstofbruggen, Cytosine (C) altijd met Guanine (G) via 3 waterstofbruggen.
17
New cards
Hoeveel strengen heeft DNA en hoe heten ze samen?
Twee polynucleotide-strengen, samen de DNA-ladder.
18
New cards
Wat is antiparallel in DNA?
Eén streng loopt 5’ → 3’, de andere 3’ → 5’.
19
New cards
Wat is de tertiaire structuur van DNA?
De dubbele helix (gespiraliseerde ladder).
20
New cards
Wat is de breedte van een DNA-helix?
2 nm.
21
New cards
Wat is de afstand tussen basenparen?
0,34 nm.
22
New cards
Hoeveel omwentelingen van de helix per 3,4 nm?
Eén volledige omwenteling.
23
New cards
Wie ontdekten de structuur van DNA in 1953?
James Watson en Francis Crick; Rosalind Franklin leverde cruciale röntgenfoto’s.
24
New cards
Wat is RNA?
Ribonucleïnezuur, opgebouwd uit ribose, meestal enkelstrengs, bevat uracil (U) in plaats van thymine (T).
25
New cards
Waar komt RNA voor?
In de kern en het cytoplasma.
26
New cards
Welke soorten RNA zijn er?
Messenger-RNA (mRNA), transfer-RNA (tRNA), ribosomaal-RNA (rRNA).
27
New cards
Wat is de functie van mRNA?
Brengt genetische code van DNA naar cytoplasma voor eiwitsynthese.
28
New cards

Wat is de functie van tRNA?

Brengt aminozuren naar ribosomen volgens de codons van mRNA.

🔹 Brengt de juiste aminozuren naar het ribosoom.
🔹 Heeft een anticodon dat bindt aan het codon van mRNA.
Functie: transport van aminozuren.

29
New cards

Wat is de functie van rRNA?

Bouwt de ribosomen, plaats waar eiwitsynthese gebeurt.

(rRNA = fabriek (ribosoom))


30
New cards
Wat zijn de stappen van eiwitsynthese?
Transcriptie (DNA → RNA) en translatie (RNA → eiwit).
31
New cards
Wat is het verschil in pentose tussen DNA en RNA?
DNA = desoxyribose, RNA = ribose.
32
New cards
Wat is het verschil in basen tussen DNA en RNA?
DNA = A, T, C, G; RNA = A, U, C, G.
33
New cards
Hoeveel strengen heeft DNA versus RNA?
DNA = dubbele streng; RNA = enkele streng.
34
New cards
Wat is de functie van DNA?
Drager van genetische informatie; bepaalt eigenschappen van de cel en erfelijkheid.
35
New cards
Wat is de functie van RNA?
Betrokken bij eiwitsynthese en vertaling van DNA-code naar eiwit.
36
New cards
Waar bevindt DNA zich bij eukaryoten?
In de celkern.
37
New cards
Waar bevindt RNA zich?
mRNA en tRNA in het cytoplasma, rRNA in ribosom
38
New cards
Waar ligt DNA in prokaryoten?
Los in het cytoplasma, niet geassocieerd met histonen.
\n\n Wat is de vorm van het chromosoom in prokaryoten?
39
New cards
Waar ligt DNA bij prokaryoten?
Los in het cytoplasma, niet geassocieerd met histonen.
40
New cards
Welke vormen van DNA komen voor in prokaryoten?
Chromosoom (grote cirkelvormige streng) en plasmiden (kleine extrachromosomale cirkels).
41
New cards
Wat is een plasmide?
Een klein, circulair DNA-molecuul dat onafhankelijk van het chromosoom kan repliceren.
42
New cards
Waarom zijn plasmiden belangrijk in biotechnologie?
Ze worden gebruikt om vreemd DNA in cellen in te brengen.
43
New cards
Waar zit het meeste DNA in eukaryoten?
In de celkern, verpakt als chromatine.
44
New cards
Uit welke componenten bestaat chromatine?
DNA en specifieke proteïnen, vooral histonen.
45
New cards
Wat is een nucleosoom?
DNA gewonden rond een octomeer van histonen, vormt de "parelsnoer"-structuur van chromatine.
46
New cards
Wat is euchromatine?
Losser opgerolde chromatinevezels die actief zijn voor transcriptie.
47
New cards
Wat is heterochromatine?
Compacte, dicht opgerolde chromatinevezels die moeilijk bereikbaar zijn en inactief zijn.
48
New cards
Waar komt extrachromosomaal DNA in eukaryoten voor?
In mitochondriën en chloroplasten.
49
New cards
Wat is het doel van DNA-condensatie bij celdeling?
Het DNA compact oprollen zodat het makkelijker gelijkmatig over dochtercellen verdeeld kan worden.
50
New cards
Wat is een chromosoom?
Dubbele, sterk opgerolde chromatinedraad; zichtbaar als korte staafjes bij celdeling.
51
New cards
Hoeveel chromosomen hebben menselijke lichaamscellen?
46 chromosomen (2n).
52
New cards
Hoeveel chromosomen hebben menselijke gameten?
23 chromosomen (n).
53
New cards
Wat is een karyogram?
Een foto van chromosomen gerangschikt op grootte en vorm tijdens celdeling.
54
New cards
Wat zijn geslachtschromosomen?
Chromosomen die het geslacht bepalen, aangeduid als X en Y.
55
New cards
Wat is het verschil tussen autosomen en heterosomen?
Autosomen dragen lichaamskenmerken; heterosomen dragen geslachtskenmerken.
56
New cards
Wat is het diploïde aantal chromosomen (2n)?
Het totaal aantal chromosomen in lichaamscellen met homologe paren.
57
New cards
Wat is het haploïde aantal chromosomen (n)?
Het aantal chromosomen in gameten, zonder homologe paren.
58
New cards
Wat zijn homologe chromosomen?
Chromosomenparen in diploïde cellen met gelijke lengte, vorm, centromeerpositie en genen.
59
New cards
Zijn homologe chromosomen identiek?
Nee, ze bevatten dezelfde soort informatie (genen), maar de allelen kunnen verschillen.
60
New cards
Hoe erven mensen homologe chromosomen?
Eén chromosoom van de vader via de zaadcel en één van de moeder via de eicel.
61
New cards
Wat betekent polyploïde?
Cellen met meer dan twee sets chromosomen (bv. 3n, 4n, 5n…).
62
New cards
Hoeveel paar homologe chromosomen heeft een vrouwelijk mens?
23 paar (46 chromosomen).
63
New cards
Hoeveel paar homologe chromosomen heeft een mannelijk mens?
22 paar autosomen + 1 heterosoompaar XY (totaal 46 chromosome
64
New cards
Wat is de celcyclus?
Het proces waarbij een cel in omvang toeneemt (groei) en zich vervolgens deelt (celdeling).
65
New cards
Welke fasen omvat de celcyclus grofweg?
Interfase (groei en voorbereiding) en celdeling.
66
New cards
Wat is de interfase?
De periode tussen twee celdelingen waarin de cel in delingsrust is.
67
New cards
Welke fasen horen bij de interfase?
G1-fase, S-fase, G2-fase.
68
New cards
Wat gebeurt in de G1-fase?
Groei van de cel, toename cytoplasma, productie van proteïnen en nucleotiden.
69
New cards
Wat bepaalt de duur van de celcyclus?
Vooral de G1-fase.
70
New cards
Wat gebeurt in de S-fase?
DNA-replicatie: verdubbeling van het DNA om identieke dochtercellen te garanderen.
71
New cards
Welke enzymen zijn belangrijk bij DNA-replicatie?
Helicase, DNA-polymerase, primase en ligase.
72
New cards
Wat doet helicase?
Ontrolt de DNA-spiraal en verbreekt waterstofbruggen tussen basen.
73
New cards
Wat is de replicatievork?
De V-vormige structuur die ontstaat bij het uit elkaar wijken van de DNA-strengen.
74
New cards
Wat is de functie van DNA-polymerase?
Verbindt vrije nucleotiden volgens complementaire base-paring en verlengt de DNA-streng.
75
New cards
Waarom verloopt DNA-replicatie met twee snelheden?
De leidende streng wordt continu gesynthetiseerd, de volgende streng (lagging strand) in Okazaki-fragmenten.
76
New cards
Wat is een primer en welk enzym maakt deze?
Korte RNA-keten die DNA-polymerase nodig heeft om te starten; gemaakt door primase.
77
New cards
Wat doet ligase tijdens DNA-replicatie?
Verbindt de Okazaki-fragmenten op de lagging strand door fosfodiësterbindingen te vormen.
78
New cards
Waarom is DNA-replicatie semi-conservatief?
Elke nieuwe DNA-molecule bestaat voor de helft uit de oorspronkelijke streng.
79
New cards
Wat gebeurt in de G2-fase?
Controle van DNA op fouten, herstel van schade, aanmaak van histonen en verdubbeling van organellen en celmembraan.
80
New cards
Wat is de G0-fase?
Rustfase waarin cellen niet delen maar differentiëren en hun functie vervullen.
81
New cards
Welke cellen gaan nooit terug naar de G1-fase?
Definitief gedifferentieerde cellen zoals neuronen, rode bloedcellen en zaadcellen.
82
New cards
Wat zijn stamcellen?
Ongedifferentieerde lichaamscellen met blijvende delingscapaciteit.
83
New cards
Wat is mitose?
Celdeling waarbij een diploïde cel (2n) twee genetisch identieke diploïde dochtercellen (2n) produceert.
84
New cards
Wat is het verschil tussen mitose en cytokinese?
Mitose = verdeling van de kern; cytokinese = verdeling van het cytoplasma.
85
New cards
Wat gebeurt tijdens profase van de mitose?
Chromatinedraden spiraliseren tot chromosomen, kernmembraan verdwijnt, asters en spoelfiguur vormen.
86
New cards
Wat gebeurt tijdens metafase?
Chromosomen liggen in het evenaarsvlak en binden aan de trekdraden.
87
New cards
Wat gebeurt tijdens anafase?
Zusterchromatiden worden uit elkaar getrokken naar de celpolen.
88
New cards
Wat gebeurt tijdens telofase?
Chromatiden despiraliseren tot chromatinedraden, kernmembraan en nucleoli hervormen, spoelfiguur verdwijnt.
89
New cards
Wat gebeurt tijdens cytokinese?
Cel wordt ingesnoerd in het evenaarsvlak en twee dochtercellen ontstaan.
90
New cards
Wat is het belang van mitose?
Groei, herstel van weefsels, vervanging van afgestorven cellen en vermenigvuldiging bij eencelligen.
91
New cards
Welke fysische factoren beïnvloeden mitose?
Temperatuur, licht en stralingen.
92
New cards
Welke chemische factoren beïnvloeden mitose?
Mitotica (stimuleren) zoals groeihormoon, antimitotica (remmen) zoals colchicine en taxol.
93
New cards
Wat is meiose?
Celdeling waarbij uit een diploïde cel (2n) vier haploïde dochtercellen (n) ontstaan die genetisch niet-identiek zijn.
94
New cards
Wat zijn de twee opeenvolgende delingen van meiose?
Meiose I en meiose II.
95
New cards
Wat gebeurt in profase I van de meiose?
Homologe chromosomen paren, crossing-over vindt plaats bij chiasmata, spoelfiguur vormt zich.
96
New cards
Wat is een chiasma?
Plaats waar niet-zusterchromatiden van homologe chromosomen elkaar kruisen en DNA uitwisselen.
97
New cards
Wat is het resultaat van crossing-over?
Genetische recombinatie: zusterchromatiden zijn niet langer identiek.
98
New cards
Wat gebeurt tijdens metafase I?
Homologe chromosomen liggen als paren in het evenaarsvlak.
99
New cards
Wat gebeurt tijdens anafase I?
Homologe chromosomen worden uit elkaar getrokken (disjunctie).
100
New cards
Wat gebeurt tijdens telofase I en cytokinese?
Twee haploïde dochtercellen ontstaan, elk chromosoom heeft twee zusterchromatiden.