1/20
Hoe je kennis en vaardigheden kunt overbrengen op derden
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Wat is didactiek?
Didactiek houdt zich bezig met de vraag hoe kennis en vaardigheden kunnen worden overgedragen aan derden (leerlingen).
Didaktiek gaat over de kunst van het lesgeven, hoe je lessen organiseert, en hoe je leerlingen motiveerd.
Waarom rijden mensen paard?
Benoem verschillende motieven die mensen hebben om paard te rijden
Paardrijden is een fijne manier om vrije tijd door te brengen (ontspanning)
Paardrijden is een manier om te leren omgaan met sociaal-emotionele problemen
Paardrijden is een manier om in beweging te komen
Goed kunnen paardrijden is een manier om mislukkingen op ander vlak te compenseren
Prestaties neerzetten met een paard is het hoogste doel
Liefde voor paarden zorgt ervoor dat de ruiter niets andere wilt dan paardrijden (intrinsieke motivatie)
In welke doelgroepen kunnen we onze leerlingen indelen?
Naar leeftijd: kinderen, pubers, volwassenen, jong volwassenen, ouderen
Interesses: Horsemanship, biomechanica, wedstrijden, lol met je knol, springen, dressuren
Motivatie: recreatief paardrijden, prestatiegericht paardrijden, het beste voor je paard willen
Achtergrond: hoog opgeleid, laag opgeleid, alleenstaand, getrouwd, topinkomen, laag inkomen, kak, plat, buitenlandse origine etc..
Waar zijn we bij elk leerproces - zeker bij bewegingsonderwijs- naar opzoek?
We zijn opzoek naar gedragsveranderingen
Welke stappen zet je als je werkt volgens een van tevoren opgesteld plan?
Plannen: beginsituatie analyseren, doel bepalen
Realiseren: indeling van de les, organisatie van de les, materiaal, oefeningen, rust
Evalueren: beoordelen of het doel bereikt is, nieuwe beginsituatie vaststellen
E: Welke sleutelvragen vormen de pijlers van het didactische model?
Waar moet ik beginnen? → De beginsituatie
Wat wil ik bereiken? → De doelstelling
Hoe ga ik lesgeven? → De les of training
Heb ik mijn doel bereikt? → De evaluatie
E: Wat zijn de pijlers van het didactische model?
De beginsituatie → Waar moet ik beginnen?
De doelstelling → Wat wil ik bereiken?
De les of training → Hoe ga ik lesgeven?
De evaluatie → Heb ik mijn doel bereikt?
Waar wordt de begin situatie door bepaald?
Wie er leert? Wat kan de ruiter? Wat kan het paard?
Belastbaarheid van het paard
Leeftijd van de ruiter en het paard
Discipline
Motivatie
Buitenbak of binnenbak?
Weersomstandigheden? temperatuur?
Lawaai of stilte?
Wedstrijd aanstaande?
Persoonlijke omstandigheden
Wat zijn constante begin situatiefactoren?
Dit zijn factoren die niet veranderen, (ze hebben een voorspelbare invloed op de les) denk daarbij aan:
Dezelfde combinatie: type paard, leeftijd, afstamming discipine
Dezelfde ruiter: leeftijd, sociale achtergrond, interesse, motivatie
Dezelfde instructeur: jijzelf en je persoonlijkheid, je karakter
Dezelfde omstandigheden: de pensionstal, de binnenbak, de duur van de les, tijdstip van de les
Wat zijn wisselende beginsituatie factoren bij de ruiter?
Wisselende beginsituatie factoren zijn factoren die veranderen in de loop van de tijd.
Denk daarbij aan:
Motoriek: technische vaardigheden van de ruiter verbeteren, houding en zit verbeteren
Cognitief: de ruiter begint te begrijpen wat het effect is van hulpen en oefeningen
Sociaal-Affectief: de ruiter begint meer respect te tonen voor het paard, of ontwikkelt zelfvertrouwen, motivatie veranderd van recreatief naar prestatiegericht door succeservaringen.
Wat zijn wisselende beginsituatie factoren bij het paard/de combinatie?
Motoriek: de bewegingskwaliteit en het africhtingsniveau van het paard verbeterd.
Context: dezelfde combinatie (constante factor) rijdt een clinic bij jou op een andere locatie
Motivatie: het paard raakt gewend aan bepaalde oefeningen en omstandigheden
De combinatie: niveau van africhting, wedstrijdniveau, ervaring van het paard
De ruiter: technische vaardigheden, manier van bewegen, kennis en inzicht, zelfvertrouwen
De instructeur: technische vaardigheden, ervaring, vakkennis, didaktiek, geduld, motivatie
De omstandigheden: wedstrijdterrein, het weer, stoorzenders zoals radio in de bak, tijdstip van de les.
De … moet in het verlengde liggen van de beginsituatie.
De doelstelling moet in het verlengde liggen van de beginsituatie.
E: Een … leidt tot een gewenste gedragsverandering bij de leerling.
Een lesdoelstelling leidt tot een gewenste gedragsverandering bij de leerling.
Benoem de verschillende soorten doelstellingen
Soorten doelstellingen:
Motorisch
Cognitief
Sociaal-Affectief
De … moet in het verlengde liggen van de … beginsituatiefactoren.
De lesdoelstellingen moet in het verlengde liggen van de wissende beginsituatiefactoren.
In welke termijnen kunnen we de soorten doelstellingen opdelen?
Korte termijn: haalbaar binnen één les
Middellange termijn: haalbaar binnen een aantal lessen
Lange termijn: haalbaar binnen een jaar
In welke subcategorieën kunnen we de doelstelling motoriek opsplitsen?
Motoriek
vaardigheden: technieken, ruiterhulpen
Eigenschappen: manier van bewegen, houding op het paard
In welke subcategorieën kunnen we de doelstelling cognitief opsplitsen?
Cognitief
Kennis: weten
Inzicht: begrijpen
In welke subcategorieën kunnen we de doelstelling sociaal-affectief opsplitsen?
Sociaal-affectief
Omgang leerling - instructeur: gelijkwaardig, autoritair - ontzag, respectvol, streng, etc…
Omgang ruiter - paard: gelijkwaardig, dwingend, liefdevol, zacht, grof, ongecontroleerd
Communicatie: woordkeuze, intonatie, gebruik van headset, commando’s of instructie
Emotie en intentie: motivatie initiatief, lef, angst, geduld
Moet je de lesdoelstelling kostte wat het kost nastreven?
Je hoeft een lesdoelstelling niet kostte wat het kost na te streven. Het vormt een leidraad voor de les die je in staat stelt om op een effectieve wijze een gedragsveranderen teweeg te brengen bij je leerling.
Wat wil je aan je lesdoelstelling koppelen?
Aan je lesdoelstellingen wil je een minimale vaardigheidseis koppelen.
Voorbeeld: het kunnen uitvoeren van een volte bij B en E met lengtebuiging, waarbij de ruiter minimaal in staat is om de cirkel in verticale balans te rijden.