1/146
Een uitgebreide set flashcards van marketingtermen, economische begrippen en organisatiestructuren gebaseerd op de verstrekte collegedictaten.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai | Chat |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Abstracte markt
Contact tussen vraag en aanbod waaruit een prijs ontstaat, zonder dat vragers en aanbieders elkaar op een bepaalde plaats tegenkomen.
Concrete markt
(Aanwijsbare) plaats waar vragers en aanbieders samenkomen en koopovereenkomsten sluiten.
Consumentenmarkt
Alle potentiële afnemers die producten kopen voor gebruik of verbruik ter bevrediging van de behoeften in de privésfeer van individuele afnemers en/of gezinshuishoudingen.
Inkoopmarkt
Markt waarop een organisatie grond- en hulpstoffen, materialen, onderdelen en/of diensten koopt die noodzakelijk zijn om haar producten te kunnen produceren.
Kopersmarkt
Marktsituatie waarbij de afnemers een sterkere positie hebben dan de aanbieders, omdat de aangeboden hoeveelheid de gevraagde hoeveelheid overtreft.
Producenten
Organisaties die producten maken van materialen die ze kopen op de inkoopmarkt.
Veiling
Openbare verkoping van goederen die meestal ter plaatse aanwezig zijn.
Verkopersmarkt
De marktsituatie waarbij de aanbieders een sterkere positie hebben dan de afnemers, omdat de vraag het aanbod overtreft.
Aanbod
Totaal aan producten dat in een bepaald geografisch gebied op een bepaald moment of gedurende een bepaalde periode wordt aangeboden.
Vraag
Totaal aan producten dat op een bepaalde markt op een bepaald moment of gedurende een bepaalde periode wordt gevraagd.
Afzet
Wat verkocht wordt of hetgeen verkocht wordt.
Bezitsgraad
Kengetal waarmee het werkelijke aantal afnemers in relatie tot het potentiele aantal afnemers wordt weergegeven dat ten minste één exemplaar van een bepaald duurzaam product of merk op een bepaald moment of in een bepaalde periode in gebruik of in bezit heeft.
Break-evenanalyse
Bepaling van de kritische omvang van productie en verkoop, waarbij de totale opbrengsten van die hoeveelheid producten (tegen een bepaalde verkoopprijs) exact gelijk zijn aan de totale productie- en verkoopkosten van die hoeveelheid (totale kosten=totale opbrengsten).
Marktpotentieel
Totaal van de potentiële vraag en de actuele vraag.
Omzet
Wat verkocht is, uitgedrukt in een hoeveelheid geld.
Penetratiegraad
Kengetal waarmee het aantal afnemers in verhouding tot het marktpotentieel wordt aangegeven dat een bepaald niet-duurzaam product of merk in een bepaalde periode ten minste één keer heeft gekocht.
Arbeid
Het verrichten van bezigheden die nut hebben voor diegene die de arbeid verricht, voor zijn of haar naaste omgeving en/of voor de maatschappij als geheel.
Crowdfunding
Vorm van financiering waarbij ondernemers en stichtingen maar ook particulieren een beroep doen op het publiek (‘the crowd’) om hun kredietbehoefte ingevuld te krijgen.
Dividend
Vorm van inkomen uit kapitaal en ondernemerschap doordat iemand een aandeel of aandelen heeft in een bedrijf.
Huur
Vergoeding voor het gebruiken van een pand (onroerend goed).
Investering
Opoffering in tijd, geld of mankracht (personeel) ten behoeve van een doel dat pas op de lange termijn wordt behaald.
Kapitaal
Totaal van de kapitaalgoederen waarin het vermogen van een onderneming is vastgelegd (en soms het vermogen van die onderneming zelf).
Kapitaalgoederen
Goederen waarmee je andere producten kunt maken.
Natuurlijke hulpbronnen
In de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn en onmisbaar zijn voor de levenskwaliteit van de mens.
Ondernemer
Persoon die iets onderneemt en daarmee een of andere maatschappelijke bijdrage levert (ook wel: zakenman, zakenvrouw of entrepreneur).
Pacht
Vergoeding van de pachter voor het gebruiken van een stuk grond.
Prestatiebeloning
Vast salaris met daarbovenop een extra salaris voor geleverde prestaties.
Rente
Vergoeding van de bank voor het gebruiken van het geld van de spaarder.
Salaris of loon
De beloning die een werknemer ontvangt omdat hij arbeid levert.
Winst
Beloning voor ondernemerschap.
Businessmarketing
Marketingactiviteiten van een organisatie die gericht zijn op andere organisaties; alle marketingactiviteiten die niet gericht zijn op particulieren.
Consumentenmarketing
Geheel van de activiteiten van een organisatie gericht op particulieren (consumenten).
Detaillistenmarketing
Marketing die zich samen met groothandelsmarketing op de eerste schakel in de distributie richt (ook wel: handelsmarketing).
Dienst
Niet-tastbare en relatief snel vergankelijke activiteit, waarbij tijdens de interactieve consumptie directe behoeftebevrediging centraal staat en er geen materiële bezitsvorming wordt nagestreefd.
Actiecommunicatie
Vorm van communicatie die als doel heeft om het gedrag van de doelgroep direct te beïnvloeden.
Contentmarketing
Manier om relaties met klanten aan te gaan en te onderhouden met behulp van multimedia.
Direct marketing
Vorm van marketing gericht op het verkrijgen en onderhouden van directe relaties tussen een aanbieder en de afnemers, gebaseerd op kennis van de individuele klanten.
E-marketing
Toepassen van internet en digitale technologieën om voor de marketing geformuleerde doelstellingen te halen.
Experiencemarketing
Marketingtechniek waarmee getracht wordt de klant het onderscheidend vermogen van een product te laten ‘ervaren’.
Relatiemarketing
Vorm van marketing waarbij het gaat om het opbouwen, onderhouden en versterken van duurzame en interactieve relaties met individuele afnemers.
Telemarketing
Vorm van marketing die systematisch gebruikmaakt van de telefoon als marketingcommunicatie-instrument.
Themacommunicatie
Communicatie met als doel om de kennis en affectie van de doelgroep te beïnvloeden.
Customer lifetime value
Contante waarde van de winst die op transacties met de desbetreffende klant zijn of worden behaald gedurende de totale periode van de relatie met die klant.
Customer relationship management
Wijze van ondernemen die het vervullen van individuele klantenwensen centraal stelt en gericht is op het creëren van wederzijds profijtelijke relaties via maatwerk.
Customer value
Geheel van de door de klant persoonlijk gewaardeerde mogelijkheden, voordelen, eigenschappen en het imago van een bepaald product, inclusief de relatie met de leverancier.
Decision making unit (DMU)
Tijdelijke of blijvende groep personen in een organisatie die zich bezighoudt met de aankoopbeslissing rondom een product.
Klantloyaliteit
Trouw van een klant aan een product, merk, leverancier of producent (ook wel: customer loyalty of klantentrouw).
Distributiespreiding
Verhouding tussen het aantal verkooppunten van een merkartikel en het totaal aantal verkooppunten van het betreffende product.
Marktbereik
Verhouding tussen de omzet in een merkartikel bij de ingeschakelde verkooppunten en de omzet in het betreffende product bij alle verkooppunten.
Cognitieve dissonantie
Conditie waarin de klant verkeert wanneer hij beschikt over een set attituden, kenniselementen en gedragingen die manifest onderling met elkaar in strijd zijn.
Consumentisme
Stroming onder consumenten met als belangrijkste doel het waarborgen en verbeteren van de rechten van de consument en het versterken van hun marktpositie.
Kennis van alternatieven
Kennis die een klant heeft als het om alternatieve producten of diensten gaat; beïnvloedt de onderhandelingspositie.
Klantenverloop
Vermindering van het aantal klanten dat aankopen doet bij jouw onderneming.
Klanttevredenheid
Mate waarin de uitkomsten van de relatie tussen aanbieder en afnemer overeenkomen met de verwachtingen van de afnemer.
Leveranciersvergelijking
Check van verschillende leveranciers op prijs, kwaliteit en leveringsbetrouwbaarheid (ook wel: vendor rating).
Perceptie
Mentale activiteit waarbij een individu sensorische prikkels selecteert, verwerkt en integreert tot een ervaring of betekenisvol beeld; omvat exposure, aandacht en begrip.
Verwachting
Vooronderstelling die een klant heeft bij aankoop; kan bij tegenvallen leiden tot ontevredenheid.
Aankoopgedrag
Onderdeel van het afnemersgedrag dat betrekking heeft op de feitelijke aankoop, de plaats en de frequentie.
Adoptie
Beslissing van afnemers om een nieuw product te accepteren door het aan te schaffen en te blijven gebruiken.
Besluitvormingsproces
Alle stappen van behoefteherkenning tot na-aankoopprocessen.
Black box-model
Model van niet-waarneembare mentale processen (zoals informatieverwerking) tussen stimuli en respons.
Consumentengedrag
Activiteiten van consumenten direct samenhangend met het verkrijgen, gebruiken en afdanken van producten.
Koopmotief
Rationele of emotionele beweegreden die voor de koper de drijfveer vormt voor de daadwerkelijke aankoop.
Hoge betrokkenheid
Situatie waarin een individu een specifiek object (product of merk) voor zichzelf in sterke mate relevant acht.
Lage betrokkenheid
Situatie waarin een individu een specifiek object (product of merk) voor zichzelf in geringe mate relevant acht.
Redundantie
Overbodigheid of overtolligheid bij de overdracht van met name schriftelijke informatie.
Selectieve blootstelling
Individuele selectie van stimuli waarmee een persoon wenst te worden geconfronteerd op basis van interesse.
Selectieve herinnering
Verschijnsel dat niet alle waargenomen informatie op een later tijdstip voor verwerking beschikbaar is; bewust of onbewust filteren.
Selectieve interpretatie
Subjectieve waarneming en uitleg van feiten onder invloed van eerder ingenomen opvattingen en attituden.
Selectieve perceptie
Verzamelterm voor het feit dat mensen niet alle informatie uit hun omgeving willen of kunnen verwerken.
Aspiratiegroep
Referentiegroep waarbij een individu zich graag zou willen aansluiten.
Associatiegroep
Referentiegroep waarmee een individu zich kan identificeren, zonder er per se deel van uit te maken.
Communicatie
Overdracht van informatie; proces van informatie-uitwisseling tussen personen, organisaties en apparatuur.
Dissociatiegroep
Referentiegroep waarmee een individu zich niet wenst te identificeren of waartegen men zich wil afzetten.
Gedrag
Activiteiten in het menselijk organisme die kunnen worden waargenomen en geregistreerd.
Primaire groep
Groep uit de directe omgeving (gezin, vrienden) die de meeste directe invloed uitoefent op het gedrag.
Referentiegroep
Groep mensen die aanzienlijke invloed heeft op attituden en aankoopgedrag door associatie of vergelijking.
Rol
Geheel van normen, verwachtingen en gedragingen geassocieerd met een functionele positie binnen een groep.
Secundaire groep
Groep met minder directe invloed en minder frequent contact dan de primaire groep.
Cultuur
Geheel van waarden en normen die mensen aan elkaar doorgeven en die normaal gevonden worden.
Cultuurdrager
Zaak of persoon die een cultuur vertegenwoordigt, zoals helden, rituelen, waarden en symbolen.
Held
Iemand die zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt voor de samenleving of door wie men geïnspireerd wordt.
Ritueel
Handeling verricht tegen de achtergrond van een cultuur, vaak op feest- en gedenkdagen.
Symbool
Betekenisdrager gebruikt in logo’s, handelsmerken en reclame voor landen, provincies of bedrijven.
Waarde
Fundamentele opvatting van mensen en bedrijven om na te streven.
Waardecongruentietheorie
Theorie over de consistente verhouding tussen individuele waarden en de waarden ontleend aan objecten.
Behoefteconcurrentie
Concurrentie tussen verschillende behoeften van een bepaalde afnemer.
Concurrent
Aanbieder die zich op dezelfde groep potentiële afnemers richt.
Generieke concurrentie
Concurrentie tussen verschillende producten die in eenzelfde behoefte voorzien.
Merkconcurrentie
Concurrentie tussen merken.
Productvormconcurrentie
Vorm van concurrentie die draait om verschillende technische verschijningsvormen.
Marktleider
Bedrijf met het grootste marktaandeel of de meeste omzet in een bepaalde branche.
Marktvolger
Bedrijf dat de marktleider volgt.
Nicher
Meestal klein bedrijf dat een heel specifiek deel van de markt bedient.
Fusie
Samengaan van twee partners (ook wel horizontale integratie).
Guerrillamarketing
Techniek om met beperkte middelen, lage kosten en hoge snelheid een groot resultaat te bereiken.
Inkoopcombinatie
Samenwerking in inkoop tussen gelijkwaardige detaillisten uit één branche.
Joint venture
Samenwerking van twee of meer onafhankelijke bedrijven op een bepaald gebied.
Kartel
Samenwerking tussen ondernemingen met afspraken om concurrentie op de markt te beperken.
Heterogene producten
Producten die op elkaar lijken, maar toch anders zijn.